Steyn Bergs

DE WITTE RAAF

Editie 188 juli-augustus 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Seth Price, Social Synthetic

De praktijk van de in New York gevestigde kunstenaar Seth Price kan wellicht gelden als een van de meest consistente pogingen tot het in kaart brengen van de veranderende vormen van productie, distributie en receptie van verschillende soorten artistieke objecten – niet enkel beeldende kunst dus, maar ook tekst, muziek, foto’s en video’s. Price is grofweg sinds het begin van het millennium actief, en zijn oeuvre weerspiegelt dan ook de opkomst (en de banalisering, en de schaduwzijde) van het digitale tijdperk. In Social Synthetic, de grootschalige retrospectieve die het Stedelijk Museum Amsterdam wijdt aan dit oeuvre, komt het werk van Price goed tot zijn recht – inclusief lacunes en beperkingen.

Price’ bekendste wapenfeit is meteen exemplarisch voor zowel zijn interesses als zijn methodiek. Het betreft de publicatie van zijn essay Dispersion (2002), dat weliswaar gedrukt werd, maar vooral circuleerde als pdf en ook gratis te downloaden was op zijn website distributedhistory.com. De epigraaf van het essay is een veelzeggend citaat van Marcel Broodthaers: ‘The definition of artistic activity occurs, first of all, in the field of distribution.’ Distributie als een intrinsiek onderdeel van (post)productie, met name, maar niet uitsluitend, in de kunstwereld, is het onderwerp van het essay, en vormt een rode draad door Price’ werk als geheel, waarin van bestaande stukken vaak een rehash gemaakt wordt in nieuwe media en via nieuwe distributiekanalen. Het duidelijkste voorbeeld is wellicht de video Redistribution (2007-heden) waarin Price de productie en de uitdijing van zijn eigen werk thematiseert en waaraan hij doorlopend materiaal blijft toevoegen. Ook Dispersion werd herwerkt, tot Essay With Knots (2008): hiervoor werd de originele pdf uitvergroot en op polystyreen afgedrukt, dat vacuüm over plakkaten werd getrokken, waarover eerder een aantal opgeknoopte touwen waren gelegd. Het betreft met andere woorden geen naadloos, maar een moeizaam materialiseringsproces, en dit moet Price’ werk onderscheiden van veel van de zogenaamde post-digital art die een al te rimpelloze migratie van de onlinesfeer naar de fysieke ruimte omvat, in liefst zo traditioneel mogelijke media. In Essay With Knots blijft het oorspronkelijke document herkenbaar, maar wat aanvankelijk enkel een functionele drager van een tekst was, wordt als kunstobject gepresenteerd; een operatie die inderdaad aan Broodthaers doet denken, die in Pense-Bête (1964) de restoplage van zijn laatste dichtbundel in een klomp plaaster vastzette, en daarmee zijn overgang van het dichterschap naar de beeldende kunst markeerde.

Het eerste volwaardige werk van Price, zo beargumenteert de tentoonstelling, was ‘Painting’ Sites (2000), waarin een narratieve voice-over associaties afdwingt bij willekeurig van het internet geselecteerde afbeeldingen die corresponderen met de zoekterm ‘painting’. De circulatie van beelden op het internet is een steeds terugkerend thema in zijn oeuvre: exemplarisch is een werk als Seated Man with Standing Men (2005), waarin hij gepixelde stills van terroristische onthoofdingsvideo’s afdrukt op plastic. Interessant is dat Price echter even geïntrigeerd is door het parallelle voortbestaan, naast de onlinesfeer, van eerdere culturele productie- en distributiemodellen. Dit houdt in dat hij ook werkt in analoge media die steeds meer onder druk staan en achterhaald lijken (de paperbackpublicatie van zijn ‘autobiografische roman’ Fuck Seth Price: A Novel (2015) moeten we in dit licht bezien), maar manifesteert zich bijvoorbeeld evengoed in zijn interesse voor de modewereld. Een bijzondere belangstelling koestert Price voor de nostalgische voorkeur voor achterhaalde media die de kunstwereld cultiveert om zich tegen de digitale cultuur af te zetten. Interessant in dit opzicht is Untitled Film/Right (2006), een 16mm-filmprojector die beelden toont die overduidelijk met digitale rendertechnieken tot stand zijn gebracht en zo fel contrasteert met de tamelijk courante fetisjistische voorkeur van kunstenaars voor ouderwetse, analoge technologieën. Iets vergelijkbaars zien we in Digital Video Effect: ‘Chords’ (2007), dat bestaat uit drie mobiele apparaten die los van elkaar en asynchroon Price’ eigen videowerk COPYRIGHT 2006 SETH PRICE (2006) afspelen. Hier lijkt Price vooral te zinspelen op het belang dat veel kunstenaars blijven hechten aan het idee van het kunstwerk als een uniek en min of meer statisch object dat in een tentoonstellingsruimte moet worden aanschouwd – zelfs, of misschien vooral, wanneer het in feite om een digitaal object gaat dat in principe moeiteloos via andere kanalen vermenigvuldigd, verspreid en bekeken zou kunnen worden. (Zelf heeft Price in 2012 bijvoorbeeld een YouTube-account aangemaakt met zijn eigen werk; het gaat hier vooral om een aantal ‘videoclips’ die hij omstreeks 2000 maakte.)

De titel van de tentoonstelling is afgeleid van het videowerk Social Synth (2017), dat op een monumentale manier opgehangen is met het gigantische beeldscherm naar beneden gericht, boven de centrale trappenhal van het Stedelijk. Net zoals bij de eerdere werken Danny en Ariana (beide 2015) wordt er gebruikgemaakt van een methode om een gigantische hoeveelheid detailfoto's in ultrahoge resolutie algoritmisch terug samen te brengen tot één abstracte collage waarin nagenoeg enkel de tactiele kwaliteiten van het gefotografeerde object nog herkenbaar zijn – een soort explosie van wat Walter Benjamin het optisch onbewuste noemde. In het geval van Social Synth, dat dus inderdaad een synthetisch beeld is, betreft dat gefotografeerde object de huid van een octopus en is er software gebruikt om ook beweging in het beeld te brengen, waardoor het lijkt alsof de witte en gespikkelde oppervlakte door een filmcamera gescand wordt. Bij Danny en Ariana vormt de menselijke huid van twee modellen het bronmateriaal, dat in deze fotowerken (in groot formaat op een donkere, matglazen lichtbak afgedrukt) herkenbaarder blijft dan de octopushuid in Social Synth.

Het mag duidelijk zijn dat Seth Price een uiterst intelligent kunstenaar is en in Social Synthetic indruk maakt met werk dat even coherent als veelzijdig is. Toch blijft de tentoonstelling het antwoord op één vraag schuldig: is het werk van Seth Price kritisch? Sowieso is Price’ aandacht voor de condities waaronder artistiek-culturele productie plaatsvindt uitermate waardevol, maar het algemene kader dat deze condities grotendeels bepaalt, blijft buiten beeld: het kapitalisme, dat even sociaal synthetisch als destructief is. Dat Price het thema van de politieke economie niet expliciet aansnijdt, is echter veel minder problematisch dan het feit dat hij verzuimt om zijn eigen positie in die politieke economie te problematiseren. Dit is nadrukkelijk zichtbaar in zijn schrijfstijl: Dispersion bevat bijvoorbeeld geen enkele aanleiding om te denken dat de tekst geschreven is door iemand die zelf ook kunstenaar is – alsof Price zelf überhaupt geen rol of functie bekleedt in het systeem dat hier enkel in abstracto geanalyseerd wordt. Iets vergelijkbaars zien we ook terug in een werk als Organic Software (2015). Het betreft een website (organic.software) die gebruikmaakt van een algoritme om automatisch online-informatie over kunstcollectioneurs te verzamelen en weer te geven. Price’ website is interessant, niet alleen als instrument, maar inderdaad ook als potentieel kritisch artistiek gedachte-experiment. Maar Price is zelf minstens even nauw betrokken bij de dirty business die de kunstmarkt heet – sterker nog, hij is uiterst succesvol in het commerciële circuit, ondanks de ‘complexe’ aard van sommige van zijn werken, en ondanks het feit dat veel van zijn werk wellicht totaal onverkoopbaar is. Opnieuw: met die betrokkenheid op zich is niks mis, maar wellicht zou meer reflexiviteit niet ongepast zijn; in dit opzicht is Price dan ook erg verschillend van Marcel Broodthaers, die de eerste tentoonstelling van Pense-Bête (en dus zijn eigen toetreding tot het kunstenaarschap) van het volgende commentaar voorzag: ‘Moi aussi je me suis demandé si je ne pouvais pas vendre quelque chose et réussir dans la vie. […] L’idée enfin d’inventer quelque chose d’insincère me traversa l’esprit et je me mis aussitôt au travail.’ In het vervolg van het korte fragment beschrijft Broodthaers bovendien de financiële onderhandelingen met zijn galerist, die door de kunstenaar ook bij naam en toenaam genoemd wordt; zoiets is in het werk van Price niet of nauwelijks denkbaar. Social Synthetic is een tentoonstelling die uitstekend werk bevat en waarin belangrijke thema’s aangesneden worden, maar het is minstens even belangrijk te onthouden dat de big data-benadering van Organic Software verhult dat sommige van de in de website opgenomen collectioneurs big pharma-winsten investeren in het werk van Seth Price.

 

Seth Price – Social Synthetic, tot 3 september in het Stedelijk Museum, Museumplein 10, 1071 DJ Amsterdam (020/573.29.11; stedelijk.nl).