Edo Dijksterhuis

DE WITTE RAAF

Editie 188 juli-augustus 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Sarah van Sonsbeeck: We may have all come on different ships, but we’re in the same boat now

Toen Jacqueline Grandjean in 2012 haar plan presenteerde om in de Oude Kerk in Amsterdam hedendaagse kunst te programmeren, was een storm van protest haar deel. Grandjean zou met haar Amsterdamse imitatie van de Turbine Hall in Tate Modern de gewijde rust van de kerk verstoren en de toeristenellende waar de stad onder zwicht nog verder aanwakkeren. Vijf jaar later moeten zelfs de meest verbitterde tegenstanders toegeven dat van die rampscenario’s niets terecht is gekomen. Sterker nog, als podium voor hedendaagse kunst heeft de Oude Kerk juist een dempend effect gehad op de stroom lallende Wallenbezoekers.

Wel is de ruimte weerbarstig gebleken. Een kerk is toch iets heel anders dan een white cube of zelfs een elektriciteitscentrale. Wie hier tentoonstelt moet bovendien niet alleen tegen monumentale architectuur, maar ook tegen zeven eeuwen stadsgeschiedenis opboksen. En dat ging niet iedere kunstenaar even goed af. Spitsafbijter Tony Oursler gebruikte het kerkinterieur vooral als een sjiek soort decor. Zijn werken gingen niet echt een relatie aan met de omgeving en misten daardoor slagkracht. De ijle installaties van Germaine Kruip waren een erger lot beschoren: die verzopen simpelweg in de ruimte. De beste aflevering in de prestigieuze reeks megapresentaties was eigenlijk die van Taturo Atzu – en hij liet het kerkinterieur links liggen. The Garden Which is the Nearest to God stond niet in de kerk, maar erbovenop: een tijdelijk uitkijkplateau waar bezoekers via trappen naartoe konden klimmen. Het was een monumentaal kunstwerk dat werkte als een eyeopener.

Wat Atzu deed voor het exterieur, doet Sarah van Sonsbeeck nu voor de binnenkant. En dat mag een kleine verrassing heten. Want de eerste berichten dat de kunstenaar ‘iets zou gaan doen met mylar’ riepen vooral gezucht op. Van Sonsbeeck heeft de afgelopen jaren namelijk al zoveel gedaan met dat goudkleurige thermoplastische polyester dat het zo’n beetje geldt als haar signatuurmateriaal. De Anti Drone Tent uit 2013 was nog echt een verrassing. Het werk is geïnspireerd door verhalen over talibanstrijders die de nooddekens gebruiken om hittesensoren van drones te misleiden. Dankzij het materiaal kan een strijder zich in de tentvorm ‘onzichtbaar’ maken voor allerlei soorten detectietechnologie.

Toen de goudkleurige dekens in maart 2017 weer uit de kast werden getrokken voor een solo bij Annet Gelink Gallery leken de mogelijkheden van het materiaal wel opgebruikt. Zorgvuldig geïmiteerd in verguld aluminium om over een stevig en kneedbaar materiaal te kunnen beschikken, had Van Sonsbeeck er sculpturen van gemaakt en wandtapijten. Het goud fonkelde even aanlokkelijk als voorheen, maar de formalistische beeldtaal was beperkt en de conceptuele laag – attribuut van noodhulp wordt duur kunstwerk – dun. Het kwam vooral vermoeid over.

De honderden gouden dekens op de vloer van de Oude Kerk roepen echter een scala andere gevoelens op, van ontzag tot extase. Dat komt door de omvang en de veelheid – zoals bij Boltanski’s kledinghopen of Ai Wei Wei’s bergen ijzerstaven. Maar er is meer.

De rechthoeken zijn neergelegd in een strakke grid. De afstanden tussen de afzonderlijke dekens en de muren zijn zo klein dat je voortdurend moet oppassen waar je loopt. Tijdens die geconcentreerde gang langs rechte lijnen klinkt het geritsel van de dunne vellen. Het is alsof je door een overvol mortuarium loopt en de doden je van alles toefluisteren. Onder die stukken mylar liggen natuurlijk ook de echte grafstenen van Amsterdammers die hier vanaf 1306 zijn begraven. Hun laatste rustplaatsen zijn inmiddels geruimd en gevuld met zand, maar Van Sonsbeeck brengt ze zo weer een beetje terug. Dat doet ze op een hedendaagse, egalitaire manier. De praalgraven die stand en hiërarchie voorbij de laatste ademtocht in stand houden, maken plaats voor een democratische uniformiteit, die beter past bij ons idee van dood. En toch. Door zuchtjes wind en onvoorzichtige stappen van de levenden bollen de nieuwe grafzerken op, verkreukelen of verschuiven ze – minieme effecten die zorgen voor individuele verschillen.

Van Sonsbeeck maakt van de dood ook iets lichts en bijna verhevens. Haar gouden dekens werken als een grote spiegel en zorgen zelfs op donkere dagen voor een warme gloed in de kerk. Door dat etherische, ruimtelijke effect lijkt het kunstwerk nog veel groter dan het al is.

Naast de direct waarneembare kwaliteiten staat Van Sonsbeecks installatie ook nog eens bol van associaties. Mylar is, zoals gezegd, onderdeel van de dagelijkse nieuwsvoorziening die ons beelden voorschotelt van vluchtelingen die onderkoeld uit de Middellandse Zee zijn gevist. Die actualiteit sluit direct aan bij het verleden van de Oude Kerk als godshuis van vissers en zeelieden. Hier, in de grootste overdekte ruimte van de stad, werden zeilen gerepareerd, maar ook zeehelden begraven. Het door scheepstimmerlui geconstrueerde dakgewelf echoot een scheepsromp en in de kapellen zijn uit hout gesneden schepen te vinden. Die kapellen waren overigens voor de beeldenstorm rijkelijk bedekt met goud, wat Van Sonsbeeck nu weer terugbrengt.

Behalve mylar nooddekens heeft Van Sonsbeeck drie zuurstofflessen in de kerk geplaatst. Die kreeg ze van de bewoners van Tristan da Cunha. De kunstenaar voer vorig jaar naar dit eiland in het midden van de Atlantische Oceaan, dat geldt als het meest afgelegen stukje land op aarde. Van Sonsbeeck reisde er in zes dagen per boot naartoe, een soort omkering van de vlucht naar Europa die eindigt met een stuk mylar op een Italiaans strand. De zuurstofflessen waren aangespoeld en werden door de eilandbewoners gebruikt als gong om te waarschuwen voor brand en de vistijden aan te geven. Als hedendaagse boodschappers van dood en leven echoën ze de klokkentoren boven de hoofden van de bezoekers. Alleen weerklinken ze binnen in plaats van buiten, nog zo’n omkering die even eenvoudig als effectief is.

 

Sarah van Sonsbeeck: We may have all come on different ships, but we’re in the same boat now, tot 17 september in de Oude Kerk, Oudekerksplein 23, 1012 GX Amsterdam (020/625.82.84; oudekerk.nl).