Anne Ruygt

DE WITTE RAAF

Editie 188 juli-augustus 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Queer Britain

De surrealist André Breton noemde haar de meest curieuze geest van hun tijd. Maar ook nu blijkt het radicale werk van Claude Cahun onverminderd actueel. Cahun, geboren als Lucy Schwob, werd bekend om haar zelfportretten waarin zij uiteenlopende gedaantes aanneemt, van dandy en bodybuilder tot flapper en meisjespop. ‘Neutre est le seul genre qui me convienne toujours.’ [‘Onzijdig is het enige geslacht dat mij altijd past.’] Cahun verkoos ambiguïteit boven maatschappelijk aanvaarde opvattingen van seksualiteit, gender en identiteit. Haar verzet biedt nog altijd inspiratie in het huidige politieke klimaat waarin onze – relatief recent bevochten – individuele vrijheden hevig ter discussie staan.

In Londen openden dit voorjaar twee tentoonstellingen met haar werk, vlak na de inauguratie van Donald Trump, de daaropvolgende Women’s March en de oprichting van de post-Brexit kunstenaarscoalitie Hands Off Our Revolution. De National Portrait Gallery wijdde een verrassende presentatie aan de verwantschap tussen Cahun en het hedendaagse werk van Gillian Wearing. Bij de tentoonstelling verscheen een diepgravende publicatie over het buitengewone leven van Cahun, dat zich laat lezen als een roman. En op dit moment is Cahuns werk te zien in de thematische tentoonstelling Queer British Art 1861-1967 in Tate Britain. Hoewel deze projecten ongetwijfeld al jaren in de maak waren, is de timing betekenisvol: het politieke statement van de musea is alleen maar krachtiger geworden. 

Gillian Wearing and Claude Cahun en Queer British Art bieden een interessante bijdrage aan de terugkerende discussie over autonomie en engagement in de kunst. De tentoonstellingsmakers zetten sterk in op de maatschappelijke context, maar weten door gedegen onderzoek ook recht te doen aan de complexiteit van de kunstwerken. De expositie in de NPG wijkt verfrissend af van de doorgaans wat belegen programmering. Tate Britain zoekt daarentegen al langer naar niches in een verzadigde kunstwereld. Queer British Art past in de beleidslijn van het museum om een podium te bieden aan gemarginaliseerde kunstenaars en onderbelichte geschiedenissen. Er zijn heel wat stukken te zien die jarenlang in het depot lagen te verstoffen, naast schilderijen van grote namen als Frederic Leighton, Francis Bacon en David Hockney. Het levert een wonderbaarlijk totaalbeeld op, met soms onooglijke en kitscherige kunstwerken. Maar ook de notie van camp en de vraag of er zoiets bestaat als queer aesthetics, maakt de tentoonstelling interessant.

Queer British Art begint in 1861, het jaar waarin de Engelsen de doodstraf op sodomie afschaften, en eindigt in 1967, het jaar waarin homoseksualiteit gedecriminaliseerd werd – nu vijftig jaar geleden. De tentoonstelling bestrijkt een eeuw waarin het denken over seksualiteit sterk veranderde, maar labels als ‘hetero’, ‘lesbienne’ of ‘transgender’ niet aan de orde waren. De titel Queer British Art 1861-1967 veronderstelt een duidelijke afbakening in tijd, plaats en thematiek. Gelukkig overstijgt de tentoonstelling al deze hokjes en worden ze ook in de catalogus in twijfel getrokken. De tentoonstellingsmakers kozen juist voor de openheid van de term queer: ‘Rather than trying to pin down the precise identities of the artists, sitters and collectors […] we have instead tried to describe their lives in all their messy emotional complexity.’ Het accent ligt daardoor op de symbolische en verhalende kracht van de kunstwerken. De tentoonstelling doet op sommige momenten zelfs meer aan als een boek. Tussen de schilderijen en foto’s hangt bijvoorbeeld de celdeur van Oscar Wilde, die in 1895 veroordeeld werd voor ‘onzedelijk gedrag’. Ook de uitgebreide zaalteksten naast elk werk vragen om aandacht. Zo wordt het zelfportret van Gluck gekleurd door haar heftige verzet tegen de Fine Art Society die haar genderneutrale pseudoniem verbasterde tot ‘Miss Gluck’. Het zijn juist de talloze ‘vergeten’ verhalen en het gekozen kader (queerness) die je stimuleren om anders en beter naar de kunstwerken te kijken.

Naast de kunstopvatting blijkt ook het nationalistische perspectief van Tate Britain rekbaar: zo is Cahun enkel Engels in zoverre zij zich als Franse op een gegeven moment vestigde op het eiland Jersey (dat officieel tot het Britse kroonbezit behoort). Een ander hoogtepunt in de tentoonstelling is het werk van de Duitse fotograaf Wilhelm von Gloeden. Zijn dubbelzinnige portretten van Siciliaanse jongens, poserend als figuren uit de klassieke oudheid, vonden gretig aftrek onder (Britse) verzamelaars. Deze zijdelingse connecties dragen alleen maar bij aan de rijkdom van de tentoonstelling.

Queer British Art omvat een enorme diversiteit aan kunstenaars, samengebracht in een losse chronologische opzet. Het was niet de intentie van de tentoonstellingsmakers om een encyclopedisch overzicht te bieden, maar eerder om een aanzet te geven tot verder onderzoek. Gezien de historische gevoeligheid van het onderwerp is veel informatie verloren gegaan of nooit opgetekend. De maskers van Cahun zijn dan ook een mooie metafoor voor de tentoongestelde werken: alle verwijzingen van de kunstenaars naar een homoseksueel verlangen zijn impliciet, verhuld en voor meerdere interpretaties vatbaar. Over sommige momenten is wel meer bekend. Zo zijn de kunstenaars van de Bloomsbury Group misschien wel befaamder om hun onconventionele levensstijl dan om hun artistieke praktijk. In Queer British Art worden zoveel mogelijk verhalen opgediept, ontdaan van mythes en in een bredere context geplaatst. Alleen in de laatste zaal met Bacon en Hockney wringt de beperkte selectie objecten per kunstenaar: het aantal werken volstaat niet om deze canonieke oeuvres met andere ogen te bekijken. Terwijl juist deze kunstenaars eraan herinneren dat de strijd om seksuele vrijheid en gelijke rechten van recente datum is. En het is bovenal dit besef dat de tentoonstelling zo urgent maakt.

In een tijd waarin politici ons oproepen allemaal eens ‘normaal’ te doen, laten deze kunstenaars zien hoe mooi het kan zijn om af te wijken van zo’n historisch bepaalde norm. Of denkend aan Claude Cahun: hoe belangrijk het is om daar helemaal geen boodschap aan te hebben.

 

Queer British Art 1861-1967, tot 1 oktober in Tate Britain, Millbank, London SW1P 4RG (020/7887.8888; tate.org.uk).