Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 189 september-oktober 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Wim Delvoye, Musée Tinguely

Tot 1 januari loopt in Musée Tinguely een retrospectieve van Wim Delvoye, die eerder in MUDAM in Luxemburg was te zien. Clichés over zijn werk worden in de catalogus en de zaalteksten gewillig gereproduceerd. ‘De kunst van Delvoye’, zo staat er, ‘is geworteld in zijn Vlaamse afkomst, getypeerd door liefde voor traditie, ambachtelijkheid en ingenieurskunst, gecombineerd met openheid voor de wereld, levendige verbeelding en utopisme – zoals ook aanwezig in de werken van Vlaamse kunstenaars als James Ensor, Paul Van Hoeydonck en Panamarenko. Tegelijkertijd is Delvoye een kunstenaar voor wie grenzen betekenisloos zijn, en daarom werkt hij samen met internationale ambachtslui in Indonesië, China of Iran.’ Als Delvoye deze zinnen niet zelf heeft geschreven, dan heeft hij ze directeur Roland Wetzel en curator Andres Pardey in elk geval ingefluisterd. Zijn cynische aanpak – alles wat over kunst en de wereld beweerd kan worden berust op commercie, marketing, strategie en onwaarachtigheid – wordt zonder distantie als vanzelfsprekend gepresenteerd, waardoor het nauwelijks nog opvalt wat er precies aan de gang is. Wat wel duidelijk wordt, is hoe beperkt dit oeuvre is – wat omvang betreft (niet meer dan vier zalen zijn gevuld, en toch lijkt het overzicht min of meer compleet), maar ook op methodisch vlak. In de catalogus wordt Delvoye geprezen door de nietzscheaanse filosoof Michel Onfray, omdat hij het aandurft een persoonlijke stijl te hebben en te houden, en op die manier ontsnapt aan de verplichting tot vernieuwing. Volgens Onfray fabriceert Delvoye aan de lopende band oxymorons, door tegengestelde termen of objecten te combineren zonder dat dit ergens toe leidt, behalve tot amusement en plezier.

Lachwekkend wordt het inderdaad wanneer op de tentoonstelling de kindertekeningen tevoorschijn komen – in 1989 voor het eerst te zien in Rotterdam in Galerie Bébert, en in 2003 werden ze in boekvorm gepubliceerd onder de titel Early Works (1968-1971). Ze zijn dus zogezegd geproduceerd door Delvoye, geboren in 1965, nog voor hij zes jaar oud was. In de catalogus beroept Sofia Eliza Bouratsis zich op Freud, die beweerde dat het verlangen naar kennis zich voor het eerst voordoet op het moment dat ook de seksualiteit van een kind zich manifesteert – precies tussen het derde en zesde levensjaar! Ze beschouwt de tekeningen daarom als ‘een heel onverwachte en eloquente manier van de jonge kunstenaar om de creatieve vrijheid te demonstreren van een autonoom subject, of het nu om een kind gaat, een kunstenaar of een onderzoeker.’ Argwaan over de authenticiteit van deze vroege werken komt niet bij haar op, hoewel verschillende tekeningen eenduidig zijn terug te brengen tot werk van decennia later. In een interview uit 2010 (De Witte Raaf nr. 147) zegt Delvoye over een vroege tentoonstelling: ‘Ik liet de mensen twijfelen of ik dom of slim was. Ook als je het werk in beschouwing nam, kon je je afvragen of ik het meende of niet.’ Het antwoord doet er nauwelijks toe: ofwel geloof je Delvoye, en dan bewijzen de kindertekeningen dat hij reeds een visionair genie was toen hij nog in de luiers lag, ofwel geloof je hem niet, en dan is hij een bedrieger die de notie van genialiteit en artistieke voorbestemming zogezegd kritisch ontmaskert. Er is niemand die daar slimmer van wordt, en het verlangen naar kennis wordt er enkel door gefrustreerd.

Vermoedelijk omdat het gaat om momenten die aan de ijzeren greep van de nv Delvoye ontsnappen, biedt deze expositie toch een aantal verrassingen. Ze doen zich eenvoudigweg voor omdat de tentoonstelling plaatsgrijpt in Musée Tinguely, een gebouw van Mario Botta uit 1996 dat is gevuld met werk van de Zwitser Jean Tinguely (1925-1991). Delvoye met Tinguely verbinden lijkt vergezocht. Ook in de zaalteksten wordt er niet over verwantschap gespeculeerd, maar het blijft wel zo dat Delvoye door het museum is uitgenodigd, en dat een paar van zijn werken tussen de vaste collectie zijn gezet, zoals Etui pour une Mobylette uit 2004, dat prijkt tussen een aantal van Tinguely’s fiets- en bromfietsconstructies. Bovendien is de eerste en grootste zaal voor de helft gevuld met werk van Delvoye, en voor de andere helft met bouwsels van de Zwitser. Zo komt haast toevallig Cloaca New & Improved (2001) parallel te staan naast Grosse Méta-Maxi-Maxi-Utopia (1987) van Tinguely. Deze sculptuur – 17 meter lang, 8 meter hoog, en opgebouwd uit onder meer wielen, metalen restafval en een houten paard – is de grootste die de kunstenaar ooit maakte, en de enige die betreden kan worden, via trappen en balkons. Door op voetknoppen te drukken wordt het gigantische ding in beweging gezet, hoewel het zoals steeds bij Tinguely gaat om rotaties die nergens toe leiden. ‘Van zodra ik schroot aanraak – c’est la magie!’ zo vatte hij zijn poëtica vol zelfvertrouwen samen. Ook de stront producerende Cloaca van Delvoye heeft iets magisch, hoewel eveneens het omgekeerde gezegd kan worden, omdat de mens er vooral onttoverend tot een machinaal spijsverteringsproces wordt herleid. Wat beide werken echter gemeen hebben is dat het om machines gaat die volstrekt nutteloos blijven, niet alleen omdat ze niets voortbrengen dat echt waardevol is (hoewel de stront van Delvoye te koop is), maar ook omdat ze nauwelijks gedachten of interpretaties uitlokken. In het beste geval brengen ze een glimlach teweeg – van een kind dat gefascineerd naar de ronddraaiende wieltjes van de Grosse Méta-Maxi-Maxi-Utopia kijkt, of van een volwassene die in de Cloaca ziet hoe zowel de mens als de kunst tot het allerlaagste worden teruggebracht.

 

• Wim Delvoye, tot 1 januari 2018 in Musée Tinguely, Paul Sacher-Anlage 2, 4002 Basel (061/681.93.20; tinguely.ch).