Steven Humblet

DE WITTE RAAF

Editie 190 november - december 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Jerry L. Thompson. New York, New York

Sinds 2012 huist er in de vroegere Batafabriek in Vorst de kleine, maar interessante Fondation A Stichting, opgericht op initiatief van de collectioneur Astrid Ullens de Schooten. Onder leiding van Jean-Paul Deridder organiseert ze regelmatig fototentoonstellingen, met een uitgesproken voorkeur voor het documentaire beeld. Alhoewel de stichting slechts over een kleine ruimte beschikt, zijn de tentoonstellingen vaak van een onberispelijke kwaliteit. Dat geldt nu ook voor New York, New York, een expo gewijd aan de Amerikaanse fotograaf Jerry L. Thompson (°1945). 

Thompson begon als autodidact: hij verkende het medium al doende. Eens hij begreep wat de mogelijkheden van fotografie waren en waar zijn beperkingen lagen, besloot hij zich verder te bekwamen. Hij volgde een cursus aan Yale University, net op het moment dat Walker Evans daar les begon te geven. Blijkbaar klikte het tussen beide mannen, want vanaf 1971 zou Thompson de assistent van Evans worden tot aan zijn dood in 1975. Later zou hij trouwens ook nog een boek schrijven over de laatste jaren van Evans. Thompson schrijft veel over fotografie, zijn teksten zijn wellicht bekender dan zijn foto’s. Zijn meest recente boek uit 2013, Why Photography Matters, is een puntig antwoord op Why Photography Matters as Art as Never Before, het boek van Michael Fried dat enkele jaren eerder verscheen. Het overnemen van de titel van Frieds boek, maar zonder de nadere bepaling die deze laatste aan zijn publicatie toekende, maakt al meteen duidelijk wat de inzet is van Thompsons boek: een verdedigingsrede van fotografie als dusdanig; een poging te omschrijven wat fotografie zo verschillend maakt van alle andere (ook artistieke) beeldsoorten.

Thompson is in de eerste plaats een professionele fotograaf. Hij werkte decennialang in opdracht van musea en kunstenaars om foto’s van hun collecties, tentoonstellingen en kunstwerken te maken. Maar naast dit opdrachtwerk bouwt hij sinds 1970 ook gestaag verder aan een meer persoonlijk oeuvre, bestaande uit portretten van (vooral) jongeren. Dit meer autonome werk staat centraal in de expositie in de Fondation A Stichting. In het begin werkte Thompson nog met een grootformaatcamera en waren de zwart-witbeelden niet groter dan een contactafdruk van het negatief. De visuele kwaliteit van deze opnames is verbluffend, maar nog treffender is de manier waarop hij de geportretteerde aanwezig laat zijn binnen het beeld. De voorbereiding die het instellen van zo’n camera vraagt, geeft aan het model de tijd om zich de door de camera afgebakende ruimte eigen te maken en er zich in te positioneren. Het resultaat zijn krachtige portretten, waar het model zich trots en zelfzeker aan de fotograaf (en dus ook aan de kijker) presenteert.

In de vroege jaren 70 fotografeerde hij vooral in de verloederende buurten van New York, met een specifieke voorliefde voor het wat vervallen Coney Island. Het sjofele amusementspark was op dat moment al lang zijn hoogtepunt voorbij, maar dat weerhield de stadsjeugd er niet van om er op zoek te gaan naar goedkoop en sensationeel vertier. Hij fotografeerde zijn, meestal zwarte, modellen overdag, als geïsoleerde lichamen tegen lege, grijze achtergronden, of ’s nachts, met een flash, waardoor ze voor even helder (en dramatisch) oplichtten in een voor de rest pikzwart niets. Later, in de jaren 80, exploreerde hij onder andere de buurt rond 8th Street, op en rond St. Marks Place; opnieuw een plek waar de alternatieve jeugdscene (punk, new wave, metal…) zich ophield. De recentste opnames, in kleur en in een groter formaat afgedrukt, maakte hij in Williamsburg, Brooklyn, de hedendaagse pleisterplek voor hippe jongeren. Hij richt zijn camera daar vooral op jonge, uitbundig getatoeëerde vrouwen. De kracht van Thompsons portretten is dat hij de verschuivingen binnen de jeugdcultuur zeer accuraat weet te capteren – de veranderingen in vestimentaire codes en in lichaamstaal, de steeds toenemende zichtbaarheid van tatoeages – maar daarbij nooit uit het oog verliest dat hij met individuen te maken heeft. Nooit reduceert hij de persoon voor de camera tot een type of tot een incarnatie van de groep waar hij of zij zich toe bekent. Zijn portretstrategie is een combinatie van de inzichten die hij putte uit het werk van Walker Evans en August Sander, de grote portretfotograaf uit het interbellum die hij erg bewonderde. Van Sander ontvangt hij een interesse voor het (sociologische) type, van Evans het inzicht dat het individu telkens weer een unieke invulling geeft aan wat hem of haar wordt aangereikt. Bij Thompson resulteert dit in sensibele portretten die het particuliere verbinden met het algemene.

 

Jerry L. Thompson. New York, New York, tot 17 december in Fondation A Stichting, Van Volxemlaan 304, 1190 Vorst (02/502.38.78; fondationastichting.be).