Jorne Vriens

DE WITTE RAAF

Editie 190 november - december 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Zanele Muholi, Stedelijk Museum

De Zuid-Afrikaanse kunstenaar Zanele Muholi noemt zichzelf een visueel activist. Fotografie is voor haar het uitgelezen medium om zich in te zetten voor de LHBTQI-gemeenschap, een groep waar ze zelf deel van uitmaakt. Hierbij richt ze zich vooral op haar geboorteland Zuid-Afrika. Ze toont in haar werk uitsluitend zwarte mensen, waaronder voornamelijk lesbische vrouwen en transgenders. Zelfs al werd het homohuwelijk in Zuid-Afrika in 2006 erkend, wordt homoseksualiteit er nog moeilijk aanvaard. Als visueel activist stelt Muholi zich tot doel meer zichtbaarheid te geven aan die kwetsbare groep waar ze zelf ook toe behoort. In de overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum laat zij een aantal werken zien die onderdeel uitmaken van haar visuele strategie.

Muholi’s werk was al te zien in verschillende publieke instellingen in Europa en in de Verenigde Staten. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het nadrukkelijk inclusieve beleid van vele musea, waarbij ondergerepresenteerde groepen extra aandacht krijgen. Zo wijdt het Stedelijk momenteel ook een tentoonstelling aan een reeks videoportretten van LHBTQI-vluchtelingen van Carlos Motta. Ook met de tentoonstelling Ik ben een geboren buitenlander belicht het museum verschillende aspecten van het onderwerp migratie. Hoewel het werk van Muholi niet expliciet over migratie gaat, geeft de tentoonstelling blijk van een verhoogde aandacht voor de gevolgen van kwetsbaar-zijn; in dit geval door toedoen van seksisme en homofobie.

De aangroeiende serie Faces and Phases, begonnen in 2006, omvat zwart-witportretten op groot formaat van de leden van de LHBTQI-gemeenschap die voornamelijk afkomstig zijn uit Zuid-Afrika. De geportretteerden kijken zelfverzekerd in de camera, maar uit hun zelfbewuste lichaamshouding valt af te leiden dat de ruimte die ze innemen hen niet vanzelfsprekend toebehoort. Om vanuit hun kwetsbare positie ruimte op te eisen, is een stoere, zelfverzekerde houding noodzakelijk. Met deze enorme portretten geeft Muholi hen een ongewone zichtbaarheid.

In dezelfde zaal vulde de kunstenaar een muur met een feitelijke opsomming van geweldplegingen tegen homo’s in Zuid-Afrika. De lijst, een overzicht van weerzinwekkende misdrijven, plaatst de portretten in een ander licht. In een context waarin het bestaansrecht van de geportretteerden steeds in twijfel wordt getrokken, en deze mensen zelfs voortdurend voor hun leven moeten vrezen, kunnen de individuele portretten – een legitimering van hun bestaan – als een daad van verzet gelezen worden.

De meest recente serie in de tentoonstelling is Somnyama Ngonyama (wat zoveel betekent als ‘Gegroet, Donkere Leeuwin’), waarin Muholi zichzelf in uiteenlopende poses op verschillende plekken in de wereld fotografeert. De foto’s nemen onder andere de visuele clichés op de hak die vaak gebruikt worden om zwarte vrouwen op een ‘exotiserende’ manier af te beelden. Neem bijvoorbeeld het zelfportret Bester 1, waarin Muholi een hoofddeksel en oorbellen draagt gemaakt van wasknijpers, waarmee ze de denigrerende, racistische beeldvorming van Afrikaanse stammen persifleert. De combinatie van Muholi’s statige voorkomen met de futiele huishoudelijke objecten getuigen – ondanks de zware thematiek – van een gevoel voor humor en zelfrelativering.

Maar het werk bevat nog een tweede laag, zo blijkt uit de beschrijving bij het werk. Muholi’s moeder was haar hele leven werkzaam als huishoudelijke hulp bij witte gezinnen. Het zware en slecht betaalde werk dat in Zuid-Afrika in de regel voor zwarte vrouwen werd voorbehouden, toont ook de economische kwetsbaarheid van deze groep. De foto stelt op een meer subtiele manier de economische uitbuiting van zwarte vrouwen aan de kaak.

Nog meer werken in de tentoonstelling ontlenen betekenis aan autobiografische feiten, waardoor de veellagigheid van de foto’s de toeschouwer soms kan ontgaan – zeker wanneer blijkt dat veel werken in de expositie onvoldoende worden toegelicht. Zo is het bij gebrek aan bemiddeling gissen naar de betekenis van Julile I, een foto waarin een naakte Muholi op opgeblazen plastic zakken ligt voor een achtergrond van opgestapelde kranten. Bij opzoeking blijken de zakken te verwijzen naar een operatie die de kunstenaar aan haar baarmoeder heeft ondergaan om mogelijk kwaadaardige cellen te verwijderen. Pas wanneer je weet dat de ingreep bestond uit het weghalen van meerdere gezwellen, volgt het inzicht dat de zakjes symbool staan voor dit aangetaste weefsel. Plots wordt duidelijk dat het lichaam van Muholi niet alleen kwetsbaar is vanwege haar identiteit, maar ook omdat ze behoort tot een groep die vaak geen toegang heeft tot gezondheidszorg.

Al te vaak blijven de werken hangen in een letterlijke representatie van schrijnende misstanden, of in een letterlijke symboliek. Zo benadrukt Muholi de zwartheid van haar huidskleur door in de afdruk het contrast zo te verzadigen dat haar gezicht gitzwart wordt. Het is overduidelijk wat Muholi hiermee wil aantonen, maar die strategie draagt weinig bij tot het debat rond raciale ongelijkheden. De beelden die wel een visuele ambiguïteit in zich dragen, laten zien wat visueel activisme werkelijk kan zijn. Maar die ambiguïteit heeft nood aan een contextualisering die in het Stedelijk vaak achterwege blijft. Tal van belangrijke aspecten van Muholi’s activisme laten zich dan ook moeilijk uit de tentoonstelling af te leiden. Hierdoor bestaat de kans dat de bezoeker het werk vooral esthetisch waardeert, en dat is jammer.

 

Zanele Muholi, tot 15 oktober in het Stedelijk Museum, Museumplein 10, 1071 DJ Amsterdam (020/573.29.11; stedelijk.nl).