Laura Herman

DE WITTE RAAF

Editie 190 november - december 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Stealing from the West, Akademie der Künste der Welt

In het verhitte debat van de laatste tijd omtrent etnisch-culturele diversiteit in de kunsten wordt geregeld gerefereerd aan ‘culturele toe-eigening’, het overnemen van elementen uit andere culturen. Waar het fenomeen van culturele toe-eigening van alle tijden is, ligt vandaag de klemtoon op de beslaglegging door de leden van een ‘dominante’ groep op de intellectuele of symbolische eigendom van andere groepen, die niet dezelfde vertegenwoordiging of privileges binnen de maatschappij genieten. Niet alleen de (neo)koloniale recuperatie of uitbuiting van identiteit en cultuur voor economische doeleinden wordt daarbij aangeklaagd, maar ook de onbezonnen, vaak kwetsende manier waarop deze uit hun oorspronkelijke context worden getrokken, eigen gemaakt, en daardoor uitgehold.

In het proces van toe-eigening, wat steeds een wijziging of adaptatie van het oorspronkelijke impliceert, ligt onherroepelijk een spanningsmoment besloten, maar de recente (globale) politieke polarisatie biedt een mogelijke verklaring voor de scherpte die het debat het laatste jaar heeft aangenomen. Ook binnen de kunsten is een heus ‘dekolonisatieproces’ van zowel discours als praktijk opgestart, zij het niet zonder disputen en obstakels. Denk maar aan de rel die uitbrak rond het schilderij Open Casket (2016) van de witte kunstenaar Dana Schutz dat in de Whitney Biennial te zien was, een ongepaste toe-eigening van de foto van het verminkte gezicht van de Afro-Amerikaanse jongen Emmett Till in zijn open doodskist. Of neem nu Sam Durants belofte aan de Dakotaanse gemeenschap om zijn installatie Scaffold (2012), een composiet van gerepliceerde historische schavotten dat raciaal geweld in de Amerikaanse geschiedenis naar boven haalt, ceremonieel te verbranden, om vervolgens de intellectuele eigendomsrechten van het werk over te hevelen. Ook de kunstenaar Jimmy Durham werd plots op de rooster gelegd door een groep Cherokeese curatoren en kunstenaars, die Durhams inheemse afkomst betwistte en hem als een oplichter afschilderde. Wie zich een beeld of identiteit toe-eigent, kaapt een onderwerp waarin weinig inleving mogelijk is, en ontzegt tegelijkertijd de ondergerepresenteerde Ander het recht om dat verhaal zelf te vertellen. Vaak draait het debat daarbij uit op het demoniseren en criminaliseren van kunstinstellingen of kunstenaars die in veel gevallen goedbedoeld, maar al te vaak met een gebrek aan sensibiliteit, een actueel, politiek gevoelig onderwerp pogen aan te snijden. In deze discussies, die zelden tot een consensus leiden, staat onmiskenbaar de spanning tussen het alleenrecht op cultureel erfgoed en de artistieke vrijheid centraal.

Met Stealing From the West – Cultural Appropriation as Postcolonial Retaliation levert de Keulense Akademie der Künste der Welt (die in haar werking sinds 2012 uitsluitend niet-eurocentrische perspectieven hanteert) een tentoonstelling die een boeiend en onderbelicht aspect van dit onderwerp brengt: de strategie van ‘counter-appropriation’. Ekaterina Degot, de curator van de tentoonstelling, haalde inspiratie bij de ‘Pink Panthers’, de legendarische bende juwelendieven uit ex-Joegoslavië, die naar verluidt wraak wilden nemen op het Westblok dat ze verantwoordelijk achtten voor de desintegratie van het socialisme. De tentoonstelling gaat uit van het idee dat het Westen een construct is; een concept dat zich ent op een positieve definiëring tegenover de negatieve ander (kortom, het westen bestaat bij gratie van de Ander). Het ‘westers construct’ heeft bovendien haar bestaan, rijkdom en cultuur te danken aan de exploitatie van miljoenen slaven, hun land en cultuur. De kunstenaars in deze tentoonstelling laten zien hoe groepen die buiten het ‘westers construct’ vallen niet voortdurend tot slachtoffers herleid moeten worden, maar dat ook ‘zij’ op hun beurt terug kunnen stelen wat hen ooit toebehoorde, als een vorm van postkoloniale vergelding. 

De expositie opende met Class Hatred, Only Joking, een performance van Ines Doujak en John Barjer die als komisch duo een half uur lang aanstootgevende grappen tapten. Die opvoering droeg wel een vrij simplistische boodschap in zich: racistische en seksistische grapjes worden vaak met de mantel der liefde bedekt, maar wat met een lach gezegd wordt, is zelden onschuldig. Humor kan dan als tegenmanoeuvre dienen, zo werd gesuggereerd. Deze allesbehalve geslaagde aanzet kon gelukkig snel worden vergeten dankzij andere kunstenaars die er wel in slaagden om te laten zien hoe niet-westerse sluw-en slimmigheid tot productieve tegenmanoeuvres kunnen leiden. De tentoonstelling, gespreid over de hokachtige kamers van het souterrain waar de Akademie der Künste der Welt gevestigd is, vangt aan met een reeks zwart-witfoto’s waarop te zien is hoe de in 1976 nog onbekende Ulay het schilderij Der Arme Poet (1839) van Carl Spitzberg – in die tijd een van de belangrijkste werken in de collectie van de Neue Nationalgalerie in Berlijn – uit het museum ontvreemde. Het gestolen werk hing vervolgens voor enkele uren in het interieur van een Turkse immigrantenfamilie. Met die actie leverde Ulay een commentaar op de misplaatste vorm van bourgeois-sentimentaliteit waarmee westerse instituten zich het beeld van armoede toe-eigenen. In een tweede ruimte hangt een op groot formaat gedrukte foto van Younes Baba-Ali getiteld Italianisation (2016). Het gaat om een portret van een illegale migrant die selfiesticks op straat verkoopt, gehuld in een blauwe trui met daarop het label ‘Italië’. Waar hier het onderscheid tussen appropriatie en assimilatie ligt, is niet helemaal duidelijk, maar wel wijst het beeld op de doeltreffendheid van het overnemen van culturele codes vanuit een economisch perspectief. Een krachtiger voorbeeld van omgekeerde toe-eigening zien we in het werk Double-Take: Officer Leader of the Chasseurs Syrian Revolution Commanding a Charge (2014) van Lawrence Abu Hamdan, een beeldmontage waarin het interieur van een Syrische zakenman in detail wordt gescand. In zijn woonst prijkt een reproductie van Théodore Géricaults Officier de chasseurs à cheval de la garde impériale chargeant, maar de imperiale officier der cavalerie uit het oorspronkelijke schilderij liet de zakenman vervangen door Sultan Basha al-Atrash, de Syrische leider van het verzet tegen de Franse dominantie tussen 1925 en 1927. Bovenop de beelden monteerde Abu Hamdan een geluidsband met een gesproken narratief dat de door koloniale representaties ingegeven westerse verbeelding onderuithaalt. Elders in de tentoonstelling speelt The Crown Against Mafavuke, een fascinerende film van de Zwitserse kunstenaar Uriel Orlow, wiens selectie in de context van deze tentoonstelling discutabel is: je zou immers kunnen stellen dat hij zich, op zijn beurt, de strategie van omgekeerde culturele toe-eigening toe-eigent. In deze film, geïnspireerd op een waargebeurd verhaal uit Zuid-Afrika in 1940, speelt de herborist Mafavuke Ngcobo de hoofdrol. Liever dan zich te houden aan de traditionele geneeskunde, inspireert Mafavuke zich op westerse medische wetenschappen, die hij niettemin op alternatieve wijze benadert. Zijn hybride werkwijze, die ergens tussen een inheemse en westerse praktijk valt, levert hem veel klanten op, wat de geïnstitutionaliseerde geneeskunde tegen de borst stuit. Hij wordt door het gerecht op het matje geroepen, omdat hij volgens de westerse farmaceutische industrie zijn boekje te buiten zou zijn gegaan. Ook de traditionele medicijnmannen doen hun beklag. De film laat niet alleen op genuanceerde manier zien hoe het Westen de lokale, traditionele geneeskunde verheerlijkt om zijn eigen zogenaamde ‘autoriteit’ te vrijwaren, maar ook hoe snel het zich bedreigd voelt wanneer de contouren van die categorie dreigen te versoepelen. In die spagaat tussen ‘traditie’ en ‘moderniteit’ ziet Urlow een mogelijkheid tot weerstand en verzet.

Als tentoonstelling is Stealing from the West geen uitblinker. Ondanks een aantal sterke werken is de expositie totaal versnipperd en mist de opstelling een scherpe scenografie die het geheel strak samenhoudt en de onderlinge verbanden tussen de werken, die nu als geïsoleerde illustraties overkomen, uitlicht. De tentoonstelling is verre van een visueel plezier, maar wel is ze een waardevolle poging om de andere kant van de medaille te laten zien in discussies rond institutioneel racisme en culturele toe-eigening. Zonder de bestaande ongelijkwaardigheid te ontkennen, legt de tentoonstelling de nadruk op de daadkracht van ondergeprivilegieerde groepen, liever dan op hun slachtofferschap. Die positie is een welgekomen nuance en aanvulling op een strop gelopen debat waar we nog lang niet klaar mee zijn.

 

Stealing from the West, tot 10 december in Akademie der Künste der Welt, Herwarthstraße 3, 50672 Keulen (022/13.37.74.80; academycologne.org.)