Steven Humblet

DE WITTE RAAF

Editie 190 november - december 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Wade Guyton / Torbjørn Rødland, Serpentine Galleries

In de Londense Serpentine Galleries lopen momenteel twee tentoonstellingen die op een spannende manier met elkaar in dialoog treden. De Amerikaanse kunstenaar Wade Guyton (°1972) presenteert er grote, op linnen doek afgedrukte fotografische beelden, terwijl de Noors-Amerikaanse Torbjørn Rødland (°1970) foto’s met een eerder bescheiden formaat toont. Wat deze werken gemeenschappelijk hebben, is een uitgesproken aandacht voor de obstinate weerstand van de fysieke werkelijkheid. Bij Guyton manifesteert die zich in de productiemethode, bij Rødland in de gekozen onderwerpen. 

De tentoonstelling gewijd aan Guyton is een aangepaste en ingekorte versie van een eerdere presentatie in het Museum Brandhorst in München, wat ook door de titel van de expo wordt aangegeven: Das New Yorker Atelier, Abridged. De titel verwijst naar de ruimte waar het werk geproduceerd werd en ook voor het eerst getoond: het atelier van de kunstenaar in New York. Het atelier als productieplek is op twee manieren aanwezig: in de beelden die Guyton van zijn atelier maakte, het vertrekpunt van zijn geprinte doeken, en in een specifieke installatie in een van de zalen van de tentoonstelling. Die installatie bestaat uit een aantal achter elkaar geplaatste beelden die tegen de muur rusten. Ze illustreert een belangrijk moment in de atelierwerking. Alle doeken zijn klaar en afgewerkt, maar ze worden voorlopig nog even opzijgezet, wachtend op een definitieve goed- of afkeuring. Het zijn potentiële werken die zich (voorlopig) nog onttrekken aan onze blik; ze zijn het teken van een hoge productiviteit in het atelier, en van een open kunstpraktijk waarbij om het even welke opname kan omgezet worden in een werk.

De tentoonstelling presenteert werk dat Guyton de afgelopen twee jaar produceerde en dat een belangrijke verschuiving in zijn oeuvre markeert. Terwijl het vroegere, minimalistische werk eerder grafisch en abstract is, vertrekt hij voor zijn recent werk van digitale opnames van zijn directe omgeving: schermafbeeldingen van websites of met een smartphone gemaakte snapshots van objecten en van bezoekers in het atelier. Wat echter niet veranderde, is zijn werkmethode. De beelden, feitelijk niet meer dan digitale bestanden die in eerste instantie een louter virtueel bestaan leiden, worden telkens op een linnen schildersdoek geprint met behulp van reguliere Epson inkjetprinters: geen dure printers specifiek gemaakt voor het op industriële schaal bedrukken van deze stof, maar printers die in de kleinhandel verkrijgbaar zijn. De doeken zijn in twee gevouwen en worden zo door de printer gestuurd of getrokken, soms zelfs meermaals na elkaar. De uiteindelijke prints zitten steevast vol fouten: het doek hapert in de doorvoer, de technische ‘vertaling’ van het digitale bestand naar een printbestand verloopt niet helemaal vlekkeloos, het schildersdoek verschuift, er is niet voldoende inkt in de printer of de inkt loopt juist uit…

Het werk van Guyton beoogt de techniek die het beeld produceert zichtbaar te maken. Hij wil de sporen laten zien die een (falende) techniek in het uiteindelijke beeldobject nalaat. De techniek wordt ervaarbaar net omdat de printer ontspoort, net omdat hij op zijn limieten botst of ronduit faalt, net omdat de weerbarstigheid van de gebruikte materialen (doek, inkt, printer) zich manifesteert. Techniek is hier meer dan een middel waarmee de kunstenaar een virtueel bestand in een reëel object omzet. Het is een actieve partner in de creatie van het werk. De vraag stelt zich dan naar de precieze plaats van de creatieve act: in de fotografische opname die aan de basis ligt, in de zichtbare sporen die een ‘mislukte’ omzetting van een digitaal bestand in een beeldobject op het doek nalaat, of in de handelingen (en keuzes) die daarna gesteld worden zoals het afwijzen of goedkeuren van het geprinte beeld? Het is precies die onbeslisbaarheid die ervoor zorgt dat Guytons praktijk wezenlijk fotografisch is: hij is geen fotograaf omdat hij zelf fotografische opnames maakt en naar het doek vertaalt, maar omdat hij een fotografische productiemethode toepast.

Hoe anders is het werk van Torbjørn Rødland dat even verderop in de Sackler Gallery wordt getoond! Hier geen opzichtige zelfpresentatie van de techniek die aan de basis ligt van het beeld. Integendeel zelfs: De fotograaf gebruikt een klare en directe beeldtaal om de boodschap die hij met zijn beelden wenst te communiceren zonder omwegen aan het publiek te presenteren. In tegenstelling tot de beelden van Guyton zijn zijn beelden glad en transparant: geen aangetast oppervlak dat zich tussen beeldinhoud en kijker opstelt. De techniek hier is onzichtbaar, zoals het ook gebruikelijk is in de commerciële fotografie waaruit Rødland zijn inspiratie put. Zijn beelden worden gekenmerkt door een heldere belichting, een algemene scherpte en een uitgekiende enscenering. Maar tegelijkertijd wordt die gepolijste beeldtaal gedwarsboomd door een onthutsende (en vaak licht choquerende) beeldinhoud. We zien: twee glazen wijn (een gevuld met witte, een ander met rode wijn) die met zoveel kracht tegen elkaar worden geslagen dat de glazen exploderen en de wijn in het rond spat, een paar handen dat twee jonge puppy’s stevig omklemt (iets te stevig, wellicht), een glanzend rode pump waarvan de naaldhak achter de gulp van een broek haakt, een halfnaakte jongeman die ons aankijkt terwijl hij een in pak gestoken ouder heerschap bij de kraag grijpt, twee voeten druipend van honing die zich even van de grond verheffen, de kleverige vloeistof als klodderig vlies tussen de tenen, een meisje dat een ovenwant met een afbeelding van een bij erop voor haar naakte borsten houdt, enzovoort.

De beelden hangen relatief laag in de tentoonstellingsruimte. We kijken niet op naar de gefotografeerde scène, maar duiken er meteen in. Het verhevigt het contact tussen kijker en beeld. Alhoewel de foto’s niet gespeend zijn van seksuele toespelingen, lijkt het Rødland daar niet om te doen. Achter de wat scabreuze acties gaan mensen schuil die bezeten lijken door een verlangen naar een direct, zelfs dwingend contact met de wereld, met objecten, met elkaar. Als er al sprake is van enige perversiteit, dan schuilt die vooral in de directheid waarmee dat contact wordt gezocht. Rødland toont scènes waar de zucht naar contact overgaat in een pijnlijke botsing met de wereld, zoals in dat beeld van een jong meisje dat met opengesperde mond gretig naar een opgehangen appel bijt vol vervaarlijk uitstekende muntstukken (Apple, 2006). Zoals de titel van de expo – The Touch That Made You – al suggereert, gaat dit werk over ‘geraakt’ worden. Het is door aanraking dat we ons voor het eerst bewust worden van een wereld buiten ons. Aanraken betekent echter niet alleen de wereld als koppige weerstand leren kennen, maar ook als sensueel object: aanraken is een beweging aangedreven door verlangen.

Wat Rødland met Guyton verbindt is een gedeelde sensibiliteit voor het koppige insisteren van de materiële wereld. Beiden gebruiken fotografische technieken om de weerstand ervan te beproeven. Wat in het falen van de techniek bij Guyton verschijnt, is het weerwerk van onwillige materie die weigert zonder meer te verdwijnen in het proces van dematerialisatie dat door de digitalisering is ingezet. De beelddrager is hier geen passieve ontvanger van het beeld, maar een actieve medespeler in de creatie ervan. In de beelden van Rødland krijgt het verlangen naar verbinding een uitgesproken fysiek karakter: de wereld is hier geen object van contemplatie, maar iets dat aan ons kleeft, dat opdringerig aanwezig is, dat we verlangen vast te grijpen en te omklemmen, tot het pijn doet.

 

Torbjørn Rødland en Wade Guyton tot 19 november in Serpentine Galleries, Kensington Gardens, Londen (020/74 02 60 75; serpentinegalleries.org).