Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 190 november - december 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

The Building

Ook het denken en schrijven over architectuur is niet ontsnapt aan arbeidsdeling en specialisatie. Tot ver in de twintigste eeuw waren er nog vele generalisten aan het werk: auteurs die geschiedenis, kritiek en theorie combineerden om het schijnbaar probleemloos te hebben over architectuur in het algemeen, als de culturele productie van gebouwen. In het Engelse taalgebied schreven bijvoorbeeld Anthony Vidler, Kenneth Frampton of Joan Ockman over historische ontwikkelingen, over stedenbouw, over architectuur en constructie, maar ook over theoretische posities, terwijl ze er evenmin voor terugschrokken om kritisch te reageren op contemporaine projecten. In respectievelijk het Italiaanse en Nederlandse taalgebied bekleedden Manfredo Tafuri en Geert Bekaert een gelijkaardige positie. 

De vaststelling dat het intellectuele werk dat zij verricht hebben zeldzamer wordt, ligt aan de basis van het boek The Building, samengesteld door José Aragüez, een jonge Spaanse architectuurprofessor die al een paar jaar doceert aan Columbia University in New York. Tussen 2014 en 2016 organiseerde hij aan beide zijden van de oceaan symposia waarop ‘architectuurwetenschappers’ uitgenodigd werden om zeven minuten lang over één gebouw van de afgelopen 25 jaar te reflecteren. Vreemd genoeg is dat inderdaad voor architectural researchers niet vanzelfsprekend. Omdat ze – een ruwe schatting op basis van profielen op linkedin – ondertussen met bijna een half miljoen zijn, wereldwijd, en omdat ze toch de indruk moeten wekken iets te doen dat origineel is, hebben ze zich gespecialiseerd in domeinen die nog weinig met gebouwen te maken hebben. Ze doen onderzoek naar voor- of naoorlogse tijdschriften, architectuurbeleid en administratie, spontane stadsontwikkeling in de ‘Global South’, de positie van vrouwelijke architecten, het gebruik van de automobiel, het oeuvre van vergeten critici, nationale identiteiten in midden-Europa, Georgische reizigers in de achttiende eeuw, of mensen die eten in stedelijke omgevingen. Het gaat om onderwerpen die nauwelijks iets met elkaar te maken hebben, die ondanks de verplichting om globaal te werken en te communiceren altijd lokale kenmerken hebben omdat ze aansluiten op diepgewortelde tradities, en die niet meteen betrokken kunnen worden op de actuele bouwpraktijk of op het ontwerponderwijs.

Het voorstel van Aragüez is dus, op het eerste zicht, briljant: laten we het opnieuw over gebouwen hebben, zodat verschillen opgeheven worden, en er weer een gesprek kan ontstaan over architectuur waaraan zowel ontwerpers, researchers als misschien zelfs gebruikers of bewoners kunnen deelnemen. Al in de inleiding blijkt echter dat hij zelf niet aan fragmentatie en specialisatie ontsnapt: zijn tekst is overduidelijk het resultaat van een intensieve onderdompeling in Amerikaanse theoryspeak, met het veelvuldig gebruik van noties als itselfness, estranging internalization of outward projection tot gevolg. Daarnaast is het niet verwonderlijk dat in de dertig bijdragen verschillende invalshoeken en referentiekaders worden gebruikt, terwijl ze bovendien het karakter van een inleiding niet overstijgen, gezien de verplichte lengte van 1200 woorden (iets meer dan deze recensie). Aragüez verdeelt de teksten in zes groepen op basis van hun ‘focus’ – elementen, gehelen, inhoud, referenties, context en technologie – terwijl uiteraard die aspecten allemaal een rol zouden moeten spelen als een gebouw grondig bestudeerd wordt, zeker wanneer het de bedoeling is om er theoretische inzichten of generalizable knowledge aan te ontlenen. Als om de onoverbrugbare verschillen nog eens te benadrukken, heeft de samensteller op elke tekst een afzonderlijke tag gekleefd, zoals vertical stacking, filmic composition, symbolic tropes, objecthood, a painting, the city of big data. Zo wordt The Building, samengesteld uit dertig ‘besprekingen’ van één gebouw, een zoveelste versie van de Chinese encyclopedie van Borges, waarnaar Foucault verwees in De woorden en de dingen. Als er al iets gedaan kan worden aan de totale versplintering van het architectuurveld, dan blijkbaar niet met ‘het gebouw’ als toverconcept – of althans niet met een boek met deze redactionele structuur. Wat evenmin helpt is dat er nog eens een handvol auteurs bereid is gevonden om te reageren op de onderdelen van het boek, en op het boek in het geheel. Als Mark Cousins, docent aan de Architectural Association in Londen, het allerlaatste woord krijgt – in een extra nawoord bij de slotbeschouwingen, in het allerlaatste deel van het boek – besluit hij even terecht als overbodig: ‘There is no simplicity here. There is much confusion.’ The Building laat zich uiteindelijk vooral lezen als een groots opgezet netwerkevent waaraan ongeveer vijftig ‘namen’ hebben deelgenomen van over de hele Westerse wereld, en waarmee Aragüez zich eerder letterlijk dan figuurlijk op de kaart heeft gezet.

Het neemt niet weg dat het boek de huidige problemen van de Engelstalige architectuurbeschouwing op een geconcentreerde manier zichtbaar maakt, en dat het enkele goede teksten bevat. Zeer opvallend en symptomatisch blijft echter dat in de bio’s achteraan slechts één auteur zich ‘architectuurcriticus’ durft te noemen, met name Francisco González de Canales. Is de criticus dan niet precies diegene die kritiek, geschiedenis en theorie combineert om gevat over één gebouw te spreken, en zich daarbij zowel tot het complete professionele veld als tot de samenleving in het geheel richt? Loopt zo iemand nog rond op de talloze, al dan niet ‘ingekantelde’ en ‘geacademiseerde’ architectuurscholen op het westelijk halfrond? En wordt in het werk van de criticus het bouwwerk niet haast een aleph, om opnieuw naar Borges te verwijzen – een punt waarin schijnbaar alles wat bestaat of belangrijk is op een gegeven moment in de geschiedenis, hoe kort ook, wordt samengevat? In een bijdrage over de Fondation Louis Vuitton, de zoveelste kunsttempel van Frank Gehry uit 2014 in Parijs, is het net dat wat Joan Ockman doet, waarmee ze dan toch weer bewijst dat gebouwen van architecten de logica’s van de wereld van vandaag zichtbaar blijven maken. ‘In shockerende en duizelingwekkende aaneenschakelingen van gladde en gestreepte geometrieën,’ zo schrijft Ockman dramatisch en à la Tafuri, ‘in de gebroken wolkendaken en reflecterende glasoppervlakken, in de illusie van tomeloze vrijheid die Gehry tevoorschijn tovert en in de apparaten van ruimtelijke controle die hij behendig orkestreert, voert het rondreizende postmoderne subject de rituelen uit – de hallucinatorische contradicties – van onze hedendaagse ‘cultuur van circulaties’.’

 

The Building van José Aragüez (red.) verscheen in 2016 bij Lars Müller Publishers, Pfingstweidstrasse 6, 8005 Zürich (044 274 37 40, www.lars-mueller-publishers.com) ISBN 978-3-03778-498-3.