Jeroen Peeters

DE WITTE RAAF

Editie 190 november - december 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Against the Anthropocene: Visual Culture and Environment Today

Vorig jaar publiceerde de Amerikaanse kunsthistoricus T.J. Demos met Decolonizing Nature: Contemporary Art and the Politics of Ecology een baanbrekend boek over kunst en klimaatverandering. Daarin laat hij zich weinig gelegen liggen aan naïeve natuurbeelden of een ecologische esthetiek, maar kiest hij voor een globaal, systemisch en gepolitiseerd perspectief om na te denken over beeldkritiek en discoursvorming in relatie tot ecologische catastrofe en duurzame ontwikkeling. Demos benadert de speculatieve verbeelding van de hedendaagse kunst als experiment en schaalmodel voor alternatieve vormen van beeldgeletterdheid vandaag. Hedendaagse kunst is steeds het uitgangspunt van zijn analyses, maar hij gaat ook in op mainstreamdocumentaires, onderzoeksjournalistiek, het beleid van ngo’s, academische discussies, activisme en inheemse cultuur. 

Met Against the Anthropocene: Visual Culture and Environment Today heeft T.J. Demos nu een vervolg klaar, al zijn de inzet en toon anders. Het boekje houdt het midden tussen essay en pamflet, waarbij Demos zich nadrukkelijk positioneert als ‘militant onderzoeker’: niet de doorwrochte, genuanceerde analyse interesseert hem hier (al biedt de bibliografie een goed overzicht van de voorhanden literatuur over het antropoceendebat), wel het interveniëren in een mainstreamdebat.

Demos beseft goed dat de alomtegenwoordigheid van de term ‘antropoceen’ in de media, in academische, wetenschappelijke en artistieke kringen enige aandacht voor het klimaatprobleem genereert, maar vraagt zich af of dat wel tot het juiste debat leidt. Eerder dan het antropoceen te definiëren, geeft Demos meteen aan dat het om een politiek concept gaat – het is een vlag die vele ladingen dekt en voor uiteenlopende agenda’s wordt ingezet. Omgekeerd heeft de problematisering van de term vele namen, waarmee de blik verschuift van de gevolgen naar de structurele oorzaken van de klimaatverandering (capitalocene) en ook alternatieven in beeld komen (zoals Donna Haraways chtulucene). Demos werpt vooreerst enkele vragen op bij het begrip antropoceen – steeds in relatie tot de huidige beeldcultuur.

Wie is eigenlijk het vermeende ‘subject’ van het antropoceen? Een al te humanistisch ‘wij’ negeert de complexe en ongelijke distributie van zowel oorzaken als gevolgen over allerhande actoren en bevolkingsgroepen. Het antropoceen is een ‘hyperobject’ dat net als de ruimtelijke en tijdelijke schaal van geologie voorbij het menselijke begrip reikt. Daarnaast is ook het ‘trage geweld’ van het antropoceen al te onzichtbaar om op de politieke agenda te kunnen komen. Veel mainstreambeelden die de ingrijpende veranderingen van het antropoceen toch zichtbaar proberen te maken, lijken fotografisch, maar eigenlijk gaat het om visualiseringen op basis van data verzameld via remote sensing-technologieën, instrumenten die bovendien worden ontwikkeld voor militaire doeleinden en gefinancierd door grote bedrijven. Zo’n beelden doen zich onschuldig en neutraal voor, zijn meestal verstoken van uitvoerige credits, en dragen een positief beeld van moderniteit en vooruitgang uit. Ze dienen volgens Demos de agenda van de petro-kapitalistische industrie die mainstreammedia en onderzoeksinstellingen financiert. Hij stelt dat de term ‘antropoceen’ een ideologische functie heeft: naam, beeld en discours werken universaliserend en systeembevestigend teneinde de verantwoordelijke hoofdrolspelers in dit destructieve project aan het oog te onttrekken.

Daartegenover zoekt Demos naar een politisering van ecologie die moet bijdragen aan een praktijk van klimaatrechtvaardigheid. Hoe kan een gepaste beeldkritiek eruitzien die zich verzet tegen beeldvorming die bijdraagt aan de geruststellende fictie van overzicht en de technologische beheersing van de aarde? Hoe kan men de vele nevenwerkingen en catastrofes van het antropoceen documenteren en ingaan tegen de verleiding van ‘spectaculaire beelden van het industrieel-apocalyptisch sublieme’? Demos geeft enkele voorbeelden.

De ‘foute’ monumentale beelden van Edward Burtynsky en Louis Helbich neigen er volgens Demos toe ‘het petro-kapitalisme te naturaliseren’, ze ‘isoleren de giftige industriële exploitatie van zijn bredere socio-economische en politiek-culturele omgeving’ en ‘produceren een gevoel van abstract visueel genot’. Een ‘goed’ tegenvoorbeeld zijn dan de foto’s van Richard Misrach, waaruit de concrete ecologische en menselijke kost zou blijken en waarbij de rookpluimen zowaar een ‘spectro-poetics’ zouden evoceren die herinnert aan inheemse gemeenschappen en die aandacht heeft voor ‘de onzichtbaarheden van de zones gevormd door de vervlechting van raciaal, economisch en milieu-gerelateerd geweld’. Het is weinig aannemelijk dat dit alles zich laat afleiden uit de beelden zelf. Bovendien zijn ook de beelden van Misrach uitermate geësthetiseerd en verstoken van menselijke aanwezigheid – zaken waar Demos niet op ingaat. Wel verschilt de omkadering:  in boekvorm is Misrachs beeldcyclus Petrochemical America gekoppeld aan uitgebreide onderschriften en infografieken van landschapsarchitecte Kate Orff, die de beelden ontsluiten door hun inbedding leesbaar te maken.

Elders plaatst Demos spectaculaire persfoto’s van het brandende Deepwater Horizon boorplatform naast foto’s van ‘kayaktivisten’ die actie voeren tegen een Shell-boorplatform in Seattle. Beelden van die actie werden verspreid via tal van onafhankelijke media en gaven zo zichtbaarheid aan heterogene sociale bewegingen die nieuwe culturele vormen ontwikkelen (een ‘mix van politiek theater, mediagenieke spandoeken en bewegwijzering, burgerlijke ongehoorzaamheid en inheems ritueel’). Naast de nauwkeurige inbedding en omkadering van beelden is er dus ook nood aan alternatieve onderwerpen en verspreidingskanalen.

Aan het einde van zijn boekje behandelt Demos nog kort enkele artistiek-activistische voorbeelden uit de niche van de hedendaagse kunst: Forest Law (2014) van Ursula Biemann en Paulo Tavares over het inschrijven van natuurrechten in de grondwet (Ecuador en Bolivia); de intersoortelijke History of Others (2013) van de Finse kunstenaars Terike Haapoja en Laura Gustafsson; de Climate Games van Laboratory of Insurrectionary Imagination; en acties als Liberate Tate als een nieuwe vorm van institutionele kritiek. Telkens gaat het om een veelheid van praktijken, discoursen en representatievormen die wijzen op de relationaliteit en complexiteit van de klimaatcrisis.

Against the Anthropocene bevat een gebald overzicht van wat zoal leeft in het antropoceendebat, maar is te beknopt om te kunnen overtuigen als aanzet tot een ecologische beeldkritiek en -ethiek. Anders dan in de uitvoerige en gelaagde analyses van Decolonizing Nature die je als lezer voortdurend aan het denken zetten, zit de activistische agenda van Demos hier al te vaak nuance in de weg. In zijn oordeel over beelden haalt Demos geregeld al te vlot onderwerp, beeldstrategie en intentie van de maker door elkaar. Wie zich niet uitspreekt, is medeplichtig, zo stelt hij: ‘Wat we ook doen, we kunnen niet passief achterover leunen en toekijken bij onze eigen vernietiging als een bron van visueel genot dan wel neutrale observatie.’

 

Against the Anthropocene: Visual Culture and Environment Today van T.J. Demos (red.) verscheen in 2017 bij Sternberg Press, Karl-Marx-Allee 78, 10243 Berlin (030 59 00 958 21, sternberg-press.com) ISBN 978-3-95679-210-6