Dirk Lauwaert

DE WITTE RAAF

Editie 191 januari-februari 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De niet amuseerbare dame

een minieme selectie fragmenten uit het enorme aantal tv-kritieken dat Dirk Lauwaert schreef voor het weekblad Spectator

Zondag 27 augustus (1972) heb ik erg veel naar de Olympische spelen zitten kijken. In de ochtend was dat turnen voor dames en in de namiddag zag ik heel veel roeien.

Al kijkend stel ik voor mezelf een reeks raadgevingen op voor een goede manier om deze spelen te volgen. Wat ik tot nu toe zag, vond ik heel mooi, maar ik wil het zo mogelijk nog mooier maken voor mezelf. Ik let dan vooral op kleine details […].

Of een ander detail: het water waarop wordt geroeid en dat je in de wind ziet kabbelen. Dezelfde wind die ook op de achtergrond de talloze vlaggen doet rimpelen. Het zag er op televisie prachtig weer uit en de roeiers waren jong, stevig gebouwd en gezond. Soms kreeg je enkele close-upopnamen en dan zag je hoe ze zenuwachtig waren of zelfs gewoon gaapten. Weer eens maakte ik me de bedenking: er worden fortuinen aan gebouwen en infrastructuren uitgegeven, en de kern, de schoonheid en het aandoenlijke van het spektakel blijft het lichaam, de kundigheid, de gratie van mensen.

Bij het kijken naar het roeien had ik het gevoel naar een heel aristocratische vorm van sport te kijken. Het heeft iets te maken met de zelfbeheersing, de discipline, die zeer precieze, economische inzet van krachten en van elk lid van de ploeg als er meerdere roeiers zijn. Proletarische sportvormen zijn dikwijls veel tragischer, omdat de energiestroom er constant en ongereglementeerd is. Misschien daarom ook wel dat bijvoorbeeld motor- en autosport zo populair, maar zo weinig aristocratisch zijn: het zijn demonstraties van kracht en overmoed, niet van discipline en redelijkheid. 

 

Sinds ik mijn televisietoestel in mijn kamer heb staan, ben ik een fervente aanhanger van Lucille Ball geworden. Onze zaterdagnamiddag fleurt op bij de gedachte dat we ze ’s avonds terug zullen zien (16 september 1972)

[…] Een vrouwelijke komische actrice heeft een uitstekend terrein ter beschikking. Vrouwen zijn immers altijd naast gewoon zichzelf ook nog de levende parodie van de man (hun echtgenoot en de mannen) en van zijn wensdromen. De vrouw vervult en ironiseert de rollen die haar (uiteraard) vanuit het mannelijk gezichtspunt worden voorgeschreven. Vooral in de Amerikaanse cinema, show en nu ook televisie kan je merken dat vrouwen al heel lang bezig zijn aan een spontane, subtiele, speelse en zeer efficiënte guerrilla tegen de man. Het rollenspel dat mannen en vrouwen elkaar opleggen, wordt door de vrouw minder ernstig genomen dan door de man, omdat het een rollenspel is waarvan zij de spelregels, de sancties, de uitzonderingsregels niet zelf mee heeft bedacht. 

 

Zaterdag 14 oktober (1972) zag ik Doorgaand verkeer, een programma voor automobilisten, en donderdagavond 12 oktober zag ik nog Première, het programma over bioscoopfilms, gepresenteerd door Jo Röpcke.

Twee vergelijkbare programma’s, omdat het allebei hoe dan ook publicitaire programma’s zijn. Nieuwe auto’s en nieuwe films worden erin voorgesteld.

Doorgaand verkeer is een heel knap programma. Ik heb zelf geen wagen en heb voor die sector van consumptie geen enkele belangstelling. Toch kan ik naar de veertig minuten van Doorgaand verkeer kijken zonder me te vervelen. Niet omwille van de informatie (nog eens, auto’s, daar heb ik alleen maar last van), maar om de knappe conceptie die Doorgaand verkeer tot het beste maakt dat je op de BRT kunt zien. Neem bv. de afwisseling in toonaarden van het programma. Je hebt praatstukjes in de studio waar autospecialisten informatie en kritiek geven. Ze doen dat heel rustig en – mooi en belangrijk detail – niet in televisie-Nederlands, maar vaak met dialectaccenten. Dat maakt deze autospecialisten authentiek. Ze praten er spontaner door en het gebruik van technische termen doet niet pedant, maar normaal aan. De tweede toonaard is de reportage. Ik denk aan de lange stukken over het autosalon in Parijs. Eén detail maar: ze behielden het geluid dat ze in het salon opnamen: geroezemoes van mensen, muziekjes van het salon, omroepstemmen… De derde toonaard is gewoon cinema: triomfalistische muziek uit de jukebox en opnamen van rijdende wagens, zo uit Amerikaanse achtervolgingsfilms overgedaan. Doet men in de studio aan nuchtere evaluatie, hier doet men aan verheerlijking van de auto en het autorijden. Overigens, dat zijn auto’s ook: mythische, verheerlijkte voorwerpen.

Première daarentegen doet geen enkele creatieve inspanning. Film wordt er uitverkocht aan de lopende meter. Nooit heb je het gevoel dat Röpcke nu echt van film houdt of er genoeg van heeft (en dat laatste zou een goed uitgangspunt kunnen zijn om over actuele film te praten).

Ook het verhaaltjes vertellen doet hij slecht. Je verstaat zelden iets van de story, maar dat is niet eens nodig, met het soort cinema dat nu gemaakt wordt en de fragmenten die uit de films worden gekozen. Zit er in de film een scène met een snel rijdende auto, dan kan je ervan op aan dat die door Röpcke gekozen wordt. Première moet geen filmforum zijn, maar zou gewoon goede commerciële televisie moeten zijn en dat is Première niet.

 

Op zondag 15 oktober (1972) zag ik De Andere Film. De Kuyper presenteerde er The Moon and the Sledgehammer, een Britse documentaire van Philip Trevelyan.

[…] Het mooiste van De Andere Film vond ik natuurlijk de barokke kamerplant uit de presentatie, op dat tafeltje, in die verder helemaal lege studio. Eric zat ernaast en wachtte. Ineens stonden decor, theater en voorstelling er in al hun dimensies: dames en heren, hier wordt gespeeld, geacteerd, en voor één keer verbergen we op televisie niet halsstarrig onze theatercursus.

 

Première, donderdag 15 februari (1973)

Jo Röpcke hanteerde twee waarderingscategorieën: ‘vreemd’ en ‘schitterend’. ‘Vreemd’ voor alles wat Röpcke zelf niet begreep of waarvan hij meteen dacht dat niemand van de kijkers het zou begrijpen, en ‘schitterend’ voor wat hij graag zag of dacht dat de mensen graag zouden zien. Het pijnlijke is dat niemand meer weet wat Jo Röpcke er zelf van denkt en wat hij op zijn kijkers projecteert.

 

Die maandagavond, 19 maart (1973), kreeg ik tot driemaal toe omroeper Luc Appermont bij me thuis. Zo stilaan begin ik te begrijpen hoe zo’n omroeper werkt. Wat hij op het scherm doet.

Het viel me die avond op dat hij (en dat geldt ook voor die andere BRT-omroeper, Paul Codde) vanuit een leegte spreekt. Hij brengt klanken voort en (toevallig ook nog!) synchrone lip- en mondbewegingen. Het gebeurt allemaal automatisch. Dat merk je als zijn spreekritme, of het noodzakelijke glimlachje aan het einde (of begin, of midden) van een pointe niet synchroon loopt met de betekenis van de uitgesproken tekst. Wat zijn gelaat zegt, past dikwijls helemaal niet bij wat er in de tekst wordt gezegd. Als toeschouwer word je daardoor in verwarring gebracht. Wat spreekt nu de waarheid? Wat is nu werkelijk? Gelaat of tekst?

Omroepsters doen het heel anders. Aan hen kan je het zien als ze iets niet verstaan, er niet bij zijn, of als het hen niet interesseert. Het ergert je dan hoogstens dat ze afwezig of verstrooid zijn, maar je kan het begrijpen als je de programma’s voor je oog ziet afrollen. Maar die mannelijke omroepers willen zich niet laten kennen. Ze vechten manmoedig tegen hun onverschilligheid, maar worden steeds weer verslagen.

 

Na Scorpio Rising, 25 april (1973), komt nog even een omroepster op het scherm en wenst me nog een goede avond.

Ze neemt namens de BRT afscheid van ons. Ze doet het haastig, bijna gegeneerd, alsof ze in die laatste televisieseconden niet meer kan geloven en de moed niet meer heeft tegen de al te agressief uitknippende schermen op te praten. Ik weet het, afscheid nemen is altijd pijnlijk. Misschien moesten ze er geen omroepers voor gebruiken. Ze zien er onvermijdelijk zo afscheidnemend uit. Wie bedenkt een goed afsluitingsbeeld voor televisie? Films hebben dezelfde problemen. Niet eens, want televisie komt elke dag terug. Het einde van een film is het einde van een film. Het einde van een televisieavond is meteen de belofte van een nieuwe televisiedag. Televisie behoort weergaloos optimistisch te zijn, want televisie is onsterfelijk!

 

Zondag (6 mei 1973) aflevering zeven van Kunst als kritiek, gebracht door Openbaar Kunstbezit.

De Nederlander J.F. Vogelaar zegt dat kunstenaars naar de arbeiders toe moeten gaan. Dat ze niet langer maatschappijbevestigend, maar maatschappijkritisch en maatschappijveranderend moeten werken. De Heilige Drievuldigheid van de revolutie: kunstenaars – studenten – arbeiders. Wel is Vogelaar sceptisch. Als je acht uren gewerkt hebt (en nog eens zoveel uren in trein, tram, bus, auto naar huis bent gereden) ben je niet meer in staat tot kritisch lezen. Dus de boeken blijven naar anderen gaan dan diegenen waarvoor ze bedoeld zijn. De kunstenaar heeft een slecht geweten. De revolutie wordt tot morgen uitgesteld. ’s Nachts dromen we ervan in onze slaap. Een nachtlampje blijft gelukkig altijd branden: de kritiek waakt als een straathond bij ons bed en keft op ons bevel.

 

Maandag 28 mei (1973) in Vergeet niet te lezen, naast een studiogesprek met Frans Van Isacker, een interview met Hugo Raes.

Cultuur is in Vlaanderen zo’n eng begrip, merk je aan culturele programma’s op de televisie. Twintig minuten lang wordt door de camera en de interviewer aan schrijverscultus en schrijversfetisjisme gedaan: Raes in close, Raes in zwembroekje, Raes met een pint, Raes die lacht, Raes in zijn werkkamer, Raes die aan zijn haar trekt… Of ook nog: de ideeën van Raes over het milieu, de ideeën van Raes over de problemen van onze tijd, de ideeën van Raes over het onderwijs, de ideeën van Raes over de geschiedenis. Nee zeg, niets is zo gratuit en zo makkelijk als ‘ideeën’ over iets produceren. Iedereen heeft over alles wel zijn ideeën. Het is de ademhaling, beter, de transpiratie van het bewustzijn. Het laat zich plukken als korenaren op een korenveld. Ideeën zijn banaal. Vergeet niet te lezen balsemt ze in.

 

Over De filosoof van Hagem, een tv-reeks van Maurits Balfoort (1 juli 1973)

[…] Iedereen is het er roerend mee eens de poppenkastwereld van kostuums, dialect, volkse wijsheden, semifeodaliteit en nostalgieke burgerij een veiliger wereld te vinden dan die waarvan België anno 1973 het resultaat is, met taalstrijd, godsdienststrijd, klassenstrijd en kolonialisme. Iedereen is het er roerend mee eens onze nationale identiteit eerder tussen vergeelde ansichtkaarten te gaan zoeken, dan in vlijmscherpe documenten van ons verleden. Zolang we deze nationale spelletjes blijven verkiezen boven de koelbloedige nieuwsgierigheid, vind ik niet dat we ons in ernst druk kunnen maken over onze feuilletons. Ze zijn een goede vertaling van ons huidig bewustzijnsniveau.

 

Zondag (15 juli 1973) zag ik met plezier de laatste aflevering van De Kat. Daarmee is dan een einde gekomen aan deze geestelijke vervuiling. Wat een grotesk feuilleton, met slechte smaak, protserig tentoongespreid!

Slechte smaak in de grapjes, slechte smaak in de attributen (het nauwelijks op een kat lijkende masker van De Kat), slechte smaak in de suspense, slechte smaak in de stunts, slechte smaak in de keuze van acteurs en actrices die allemaal als houten klazen in een kunstmatige mutantenwereld rondlopen. Mensen lopen, doen deuren open, zitten in een zetel, stappen in een auto alsof ze robotten waren en je elk moment hun scharnieren kunt horen kraken. Hoe kan je het over je hart krijgen kinderen zoveel onechtheid als mooi en spannend en zinvol voor te schotelen?

 

Over journalisten en omroepers (25 juli 1973).

[…] Als ik aan journalistiek denk, dan hou ik het bij een meer persoonlijke, meer geïnspireerde activiteit. Het archetype van de journalistiek is voor mij de (Griekse of Latijnse of Chinese) ‘klassieke’ geschiedschrijver, aardrijkskundige, ontdekkingsreiziger, linguïst, antropoloog-avant-la-lettre, die als persoon en vanuit een bepaalde cultuur een onbekende wereld ontdekt en daarover verslag uitbrengt. De fundamentele impuls van deze activiteit is: de wereld is fascinerend, gebeurtenissen zijn tragisch en triviaal, geschiedenis begrijpen is een van de boeiendste bezigheden van de mens […]. En de caleidoscopische diversiteit van de wereld? Mensen, die is prachtig! Blijf niet in jullie huizen zitten! Blijf niet in jullie dagelijkse sleur! Laat je prikkelen door het onbekende!

Maar wat is journalistiek nu geworden? Wat doen televisiejournalisten nu? Ze cijferen zichzelf en elke passie weg. Ze vinden de wereld niet boeiend. Geschiedenis is in salamischijfjes verdeeld van 24 uren. En dan die domme obsessie voor actualiteit! (Het gloeiende puntje van wat nog maar net, nét is gebeurd: zoals dat gloeiende puntje van de snelheid, die in een fractie van een seconde een kampioen maakt.) Journalistiek is het morbide afwachten van de zoveelste catastrofe geworden, de tamtamklopper die een onweer moet aankondigen, de afteller van de Apocalyps. Sta me toe deze functie repressief te vinden.

De functie van de omroeper is net omgekeerd van wat een journalist moet doen. Zijn presentatietekst moet zo hol en overbodig mogelijk zijn. Een stijlfiguur, een pirouette, een verre suggestie van een grapje, dat is belangrijk! De informatie als zodanig speelt geen rol. Ten eerste weten de mensen voor ze hun toestel inschakelen meestal welk programma ze willen zien. Verder heeft zo’n presentatie een heel kleine presentatiewaarde, omdat het gepresenteerde programma toch meteen gaat gebeuren.

Maandag 23 juli presenteerde Luc Appermont – de meest ambitieuze van onze omroepers en ook degene die het nadrukkelijkst met stijl experimenteert – tweemaal The Band Wagon van Minnelli. Een eerste keer in een geslaagd avondoverzicht. Daarin sprak hij van de filosofische dimensie van de film van Minnelli. Ik zat er even stil van. Zou Luc Appermont een BRT-Godard zijn geworden? Ik zag hem al Première presenteren, met mooie diepzinnigheden. Maar het mocht niet zo zijn. Want een programma verder, in de filmpresentatie, viel niet meer het woord ‘filosofisch’, maar het woord ‘psychologisch’. O, dat was het dus maar: een moeilijk woord om een presentatie wat gewicht te geven, zodat ze niet meteen als een ballon de lucht in zou schieten!

Het is natuurlijk een hachelijke situatie, enkele minuten te vullen met een overbodige tekst. Het is een hachelijke situatie een puur decoratieve functie te vervullen. Maar waarom dat overbodige en decoratieve niet cultiveren? Op de RTB bijvoorbeeld, zie ik geregeld een archetypisch Franse dame in een zetel zitten met een bloementuil naast zich. Het suggereert een hele culturele context. Het artificiële krijgt er allure. Het overbodige affirmeert zich. Waarom niet wat Vlaamse varianten uitproberen? Waarom niet wat Vlaamse huiselijkheid in beeld brengen? Stijl en oppervlakte zou je kunnen bewerken alsof je een geraffineerde sociologische studie maakte van Vlaamse kitsch, huiselijkheid en sentimentaliteit.

 

Zaterdag 23 februari (1974) zie ik op de BRT het maandelijks boekenmagazine Boeket. Met een prijsvraag, twee presentatoren (Walter De Meyere en Sonja Cantré), schrijvers in de studio, reportagewerk ertussendoor gemonteerd en een heel knappe in elkaar verwerking van studiowerk en gemonteerde fragmenten. De BRT op de vlotte en gezellige toer.

Alleen ontbreekt er in dit prettig zittende programma iets essentieels: passie voor boeken en lezen. Boeket is niet meer dan een regie- en presentatieformule. De inhoud, het thema, zijn secundair. In Boeket zouden net zo goed auto’s, films, jurken als boeken kunnen voorgesteld, aangeprezen en netjes ingepakt worden. Men glijdt er over boeken en teksten en schrijven en lezen heen, met die typisch moderne praatvaardigheid – een van de meest angstwekkende moderne degeneraties van het taalgebruik: de bindtekst, de presentatie.

 

Donderdag 28 februari (1974) toont de VPRO op Nederland 1 Der Händler der vier Jahreszeiten van Fassbinder. In België reeds in de bioscopen.

Ik bekeek de film nog eens helemaal op televisie – en ik vind de film er doorzichtiger en duidelijker dan op het grote scherm. Bioscopen laten een bepaalde intimiteit niet toe. Fassbinder maakt – net als bijna alle Duitse filmmakers van de laatste jaren – erg intieme, bestudeerde, subtiele films. In de bioscoop zit je voortdurend een beetje in de knoei met het uitzoeken van de juiste emotionele golflengte. Waar je show verwacht, krijg je plots gecompliceerde essayistiek en dialectiek te verwerken. Op televisie blijkt dat beter te kunnen. Filmminiaturen geven goede televisie.

 

Naar aanleiding van het ontslag van Nixon (12 augustus 1974).

[…] Ja, het zal wel voor een groot deel aan het medium liggen en aan de bereidheid van de toeschouwers de impliciete boodschap van het medium te aanvaarden. Want als democratische processen, het historische perspectief van beslissingen, de betekenis van een grondwet niet gevisualiseerd kunnen worden, dan kan een persoon die een van de knooppunten van die processen in handen heeft, wél gevisualiseerd worden. Televisie is als visueel medium zwak in het overbrengen van structuren, geschiedenis en verhoudingen, maar sterk als sentimenteel en ‘humanitair’ medium.

 

Zaterdag, 28 september (1974), de zangeres Liesbeth List op de BRT.

Eigenlijk is ze geen zangeres. Ze voert niet alleen uit, maar voert ook op. Ze zingt niet alleen, maar speelt de emoties uit haar teksten. Ze is een Chansonnière.

Liesbeth List treedt op in een soort casino tussen mensen die aan kleine tafeltjes zitten. Het is geen leuk decor, want de tafeltjes zien er niet opulent uit en het publiek láát zich eerder amuseren dan dat het zich ook echt amuseert. Vele minuten lang, vanuit verschillende camerastanden, kreeg ik telkens weer die oude dame in het oog, die zich helemaal zou hebben moeten omdraaien, met stoel en al, om Liesbeth List goed te kunnen zien. Maar dat deed ze niet, zodat ze zich in een krampachtige positie wrong die haar zichtbaar ongemakkelijk was. Ze had een zenuwtrekje en zag er verder miserabel en absoluut onamuseerbaar uit. Voor mij was zij minutenlang de show op het scherm, de commentaar bij de zangeres, de coulissen van het televisieamusement.

 

Over De Stratenmaker op zee show, 3 oktober (1974).

[…] Dit is een show voor kinderen waar nu eens geen beroep wordt gedaan op de creativiteit (eerste variant van kinderprogramma’s) of op de competitiedrang (tweede variant) van kinderen. Het is een show waarin levensproblemen ter sprake komen: we weten dat we ‘goed’ moeten zijn, maar we hebben zin in zoveel andere dingen. We willen gelukkig zijn, maar we zijn vaak ongelukkig: eenzaam, gefrustreerd, onbegrepen. De Stratenmaker op zee show bespeelt de vele onzekerheden waar je als kind (man) mee hebt af te rekenen. En het is geen toeval dat de show juist zoveel succes heeft om al het ‘verbodene’ dat erin getoond wordt. Het brengt kinderen die unieke maar vergeten boodschap van de relativiteit.

 

De gids als zandmannetje (december 1974)

[…] Waarom lukt het me nooit televisie zo mooi te vinden als ik me ’s avonds eerst een echt luxueus lijkend programma heb samengesteld aan de hand van mijn gids? Waarom is gevonden, ontdekte televisie zoveel fascinerender dan geprogrammeerde televisie? […] Als ik denk mijn televisie te programmeren, programmeer ik in feite mezelf; mijn verwachtingen, een manier om te kijken, het inspelen op de aangeboden genres.

[…] Er is geen gebied dat televisie niet vroeg of laat aanraakt, maar dat in het ‘echt’ niet veel beter is. Er is niets dat je kan bedenken waarvan televisie alleen maar een schaduw, een ersatz geeft. Dat is een veroordeling van het medium, maar men hoeft daar niet bij stil te blijven staan. Er schijnt nu eenmaal een behoefte aan ersatz te bestaan. Het echte is altijd duurder en inspannender. De ersatz vulgariseert, heft culturele en sociale barrières op, democratiseert, vergemakkelijkt de toegang. Misschien wegen al die voordelen uiteindelijk toch wel op tegen de nadelen van het halve spektakel, het nieuws in telegramstijl, het gebabbel over boeken. Trouwens, wat ik er zelf ook van moge denken, onze maatschappijen hebben alle geoordeeld dat het krediet tegen het debet opwoog. Alleen… we hoeven ons daarom nog geen illusies te maken en het debet weg te cijferen. Televisie brengt ersatz. Dat zou wel eens het culturele en esthetische hart van dit medium kunnen zijn.

 

De oevers van het scherm. Over een boordevolle tv-week vol tv-persoonlijkheden die allemaal hun hoofd bij Dirk Lauwaert binnenstaken (25 januari 1975)

[…] Leuk van ze, om zo aan me te denken en me te verheugen met die mooiste van alle boodschappen: ‘Wij houden het vol, hoor, we hopen van jou hetzelfde.’ Maar toch, zelfs als ik ze op een redelijk uur allemaal heb buiten geloodst, ben ik opgelucht én tegelijk een beetje rouwig om een avond die ik liever had doorgebracht als een van die Duitse burgers van de vorige eeuw die Caspar David Friedrich betrapte toen ze ingetogen (zou ik ’s avonds wel eens meer willen zijn) in een zee- of een berglandschap tuurden. Zelfs de meest avontuurlijke jongensboeken en de meest emotionele meisjesboeken bevatten altijd van die stille, introspectieve momenten, als de jonge held of heldin ergens op de rand (van het water, van een heuvel, van een bank, maar altijd aan de rand) gaat zitten. Even wordt het leven, dat altijd druk doende is om drama’s, suspense en emoties over ons uit te storten, tot stilstaan gebracht. En het landschap aan de rand waarvan we zitten, wordt het minerale model waarop wij even ook ons frenetieke bewustzijn willen gladstrijken. Contemplatieve televisie, waarom wordt dat nooit eens geprobeerd? Als zelfs romans en avonturenboeken hun momenten van ingetogenheid hebben, waarom nooit eens op televisie? 

 

De benauwende miniatuur (29 april 1975).

De ‘betere’ televisiekijkers noemen na het nieuws en de nieuwsmagazines meestal documentaires en reportages als reden voor hun enthousiasme voor het medium. Zo leerrijk, ook voor kinderen! Ik ben nooit een bewonderaar van het genre geweest: te paternalistisch, te manipulatief, te lui, te zelfverzekerd. Immers, je hoeft maar een pittoresk detail in te lassen, een vreemd gebruik uit een ander land te tonen of gedrag van dieren te interpreteren als was het menselijk gedrag, en je hebt de argeloze kijkers op je hand! Men wil het vreemde, ongewone en veraffe zien, maar toch blijven herkennen, zich er veilig tegenover kunnen situeren. De prikkeling van het avontuur, maar verder alle intellectuele comfort van het bekende.

 

Maandag 16 juni (1975) loopt op de BRT een Inspraak-programma, geregisseerd door Fred Brossé, over kunstacademies, in het bijzonder over de 'toegepaste' kunsten.

[…] Toegegeven dat ik met genoegen keek naar de vele jongelui op die Gentse Academie voor Schone Kunsten. Ze zagen er gloednieuw en gloedeerlijk uit, met die intensiteit van mensen die aan kunst doen. De mooiste tijd om het aureool van kunstenaarschap te dragen. Toch miste ik onder hen een categorie waar de directeur van de Academie het in zijn gesprek ook niet over had. Hij vernoemde ‘slimmeriken’ (carrièremakers) die hij niet erg hoog aansloeg, en ‘zoekers’ die het moeilijk zouden hebben, maar het ook verder zouden brengen.

Tussen beide alternatieven, die wat mij betreft al even moeilijk te verteren zijn, had ik graag een derde mogelijkheid gezien: geen synthese van beide, maar een ‘andere plaats’. Waarom zijn er onder hen geen ‘luciden’, kritische jongelui wier enthousiasme hen niet verhindert de illusies over hun statuut als ‘kunstenaar’ te doorzien? Waarom onder hen geen weerbarstigen: die zich noch laten lijmen door de honing van de roeping, noch door de boter van de commercie? De kameleonachtige radheid van de carrièremaker ergert me, maar ook de zelftevredenheid van de geroepene. Tussen efficiency en romantische inefficiency moet een bevrijdende derde weg kunnen worden ingeslagen die hen noch in, noch buiten, maar boven de maatschappij plaatst – steeds een stapje voor op de alsmaar verder oprukkende recuperatie van onze persoonlijkheden. Een acrobatische, maar een beweeglijke positie.

 

Over De Bleekgezichten van Robbe De Hert (4 juli 1975).

Vrijdag kondigt een omroepster De Bleekgezichten (vroeger Camera Sutra) van Robbe De Hert aan. Ze noemde de film meteen een ‘contestatiefilm’, omschreef hem als ‘agressief’ en zei dat erin ‘tegen heilige huisjes wordt getrapt’. Ze zei het allemaal zo afwerend en verontrust dat haar presentatie echt wel honderden mensen die avond van de BRT zal hebben weggejaagd. Zelden zagen wij het onbehagen van de omroep met een programmaonderdeel zo manifest op het scherm afgespiegeld.

Hoefde dat allemaal nog wel? Het spook van de contestatie is naar de geschiedenis verhuisd en de ‘nieuwe onverschilligheid’ blijkt in haar koopbaarheid heel wat beklemmender. Trouwens, nu de actualiteit van de in de film aanwezige gevoelens en politieke opties is afgesloten, wordt je nog duidelijker dat De Hert een sentimentalist eerder dan een militant, een relativist eerder dan een fanaticus is. Maar er blijken nog steeds mensen te over om begrip voor iets gelijk te stellen met solidariteit en medeplichtigheid.

Hoe erg de film ook aan een bepaalde generatie en tijdsklimaat vastzit, het ‘liggen’ heeft hem goed gedaan. De politieke slogans aan de periferie van de film ergeren de toeschouwer minder, omdat het politieke debat ondertussen weer over andere problemen aan het voortrollen is. De urgentie waarmee de film in sommige linkse positiebepalingen wilde tussenkomen, is nu eenmaal weggevallen. Blijft een soort portret van een generatie, maar vooral van een ‘houding’, van een ‘verhouding’, die tussen filmmaker en zijn milieu (Vlaanderen, de stad Antwerpen, populistische en linkse politiek, generatiegenoten, zijn eigen activiteit).

Men heeft geschreven dat de fictieve, gespeelde scènes in de film slecht zijn geacteerd en geregisseerd. Het is waar dat ze in een bioscoop niet overtuigden. Maar hoe mooi en juist zijn ze op televisie! Er zijn de zielig-ontroerende vrijscène, de cabaretachtige scènes met Rufus, de parodieën, de dronkenmansfictie die in de Wieze-documentaire inschuift. Ik herinner me de films van Kluge die ook in documentair materiaal fictie laat binnensluipen (tegelijk de ernst van de fictie en de fictie van het document onderstrepend).

Men heeft zelfs nu, naar aanleiding van de BRT-programmatie van de film, geschreven dat hij professioneel niveau mist. Maar ik wil alle ‘niveau’ en ‘professionaliteit’ missen voor een juiste, authentieke stem.

 

Over Kapitein Zeppos (6 augustus 1975).

[…] Heel grappig zijn de trappen in Vlaamse films en feuilletons. Vlaamse regisseurs sturen hun acteurs tientallen malen de trap op, een handeling die niet veel inspiratie vraagt – maar geen Vlaamse acteur die het schijnt te kunnen, geen Vlaamse regisseur die zijn spelers kan uitleggen hoe ze een trap op moeten gaan.

 

Over Flandria Extra Muros, driedelig programma van Emile Degelin over de ‘uitstraling’ van Vlaamse kunst in West-Europa. Over de renaissance (10 augustus 1975).

Waarom moet de Vlaamse, officiële kunsthistorische commentaar op ‘onze’ kunst haar kunstenaars altijd polemisch en rancuneus tegen annexaties beschermen? Geniet men van een Bruegel omdat hij Vlaams of omdat hij mooi is? Dit programma herinnerde me er te vaak aan dat met de opkomst van het nationalisme (een recent verschijnsel tenslotte, waar renaissancemensen geen last van hadden) de republiek der kunsten in evenzoveel nationaliteiten en territoria is uiteengevallen. Hoe eng dit programma die uitstraling bovendien zag, bleek uit het feit dat men Vlaamse kunst in buitenlandse musea toonde. Of men zich daarbij beperkt had tot het fotograferen van catalogi of ook ter plaatse onderzoek had verricht, bleek nergens uit.

 

Toeschouwer in dienst (september 1975).

[…] Als in een beckettiaanse scène zit ik nu urenlang voor het meubel dat monologen over mij uitstort die me niets doen. Mijn onverschilligheid heeft echter schadelijker gevolgen voor mezelf dan voor het meubel. Dat wordt gedragen door het uithoudingsvermogen van een technische levensduur – ikzelf heb af te rekenen met psychisch incasseringsvermogen, met intellectuele elasticiteit (die stilaan omslaat in intellectuele perversiteit!). […] De voorbije maanden probeerde ik herhaaldelijk in deze geblokkeerde situatie speling te brengen door een soort sadistische mishandeling van het medium. Het afluisteren van het televisiegeluid zonder naar het beeld te kijken; het kijken naar het beeld zonder geluid; het verhakkelde kijken naar het programma-aanbod, zoals autoradio’s brutaal worden afgezocht naar een ‘lekker muziekje’ en dan met een gril weer afgezet. Me niet met een programmablad ritueel en ‘verantwoord’ installeren, maar nukkig en bitsig – ‘komt er nog eens wat uit?’ Het blijft allemaal private guerrilla, individuele subversie, vloeken binnensmonds. Want er is niemand die het hoort.