Dirk Lauwaert

DE WITTE RAAF

Editie 191 januari-februari 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De zekerheden van het massieve

Het is een vermoeiende verhouding tussen mijn kijken naar televisie en mijn schrijven erover. Kijken gebeurt zo vanzelfsprekend, dat het schrijvende ‘ik’ daar achteraf altijd op lijkt af te geven. Kijken is een lustvolle bezigheid. Zie maar hoe gefascineerd kinderen urenlang naar beelden kunnen kijken: het bewegen erin, de veranderingen der ruimte, de verschuivingen in gelaatsuitdrukkingen zorgen voor een onuitputtelijke rijkdom – even fascinerend als het klotsen van water op het strand. Schrijven is ook een lustvolle bezigheid, maar exclusiever, veeleisender, gericht. Het zien behoort tot de orde van de sensualiteit. Het schrijven tot die van de seksualiteit.

Televisie heeft iets naïefs en onschuldigs. Ze behoort tot de uitrusting van het comfort, het gemakkelijke, het vloeiende. Op televisie verliest elk programma zijn in principe eindeloos herhaalbare karakter en wordt het meegesleept in die stroom van vergankelijkheid, van diluering. En dat vlietende, voorbijsnellende, onherhaalbare, unieke maakt ons altijd wat sentimenteel, goedhartig. Het ontwapent ons.

Het vergankelijke is nooit ‘definitief’, het is fundamenteel onaf, onvoltooid, voorlopig. Televisie is steeds ‘aan het gebeuren’, steeds in de tegenwoordige tijd. Het afgewerkte is fundamenteel in de verleden tijd gesteld: de makers werkten naar een punt van voltooiing toe via een langdurig proces van zelfkritiek en correctie. Dat is afwerking. Het afgewerkte huist in het verleden: de maker bekeek zijn creatie en ‘zag dat het goed was’.

Bij televisie heb je nooit dat gevoel. Geen beoordelende, bevestigende, erkennende blik rustte ooit op het werk. Alleen onze eigen toeschouwersblik kan een dergelijke plaats innemen, die functie vervullen. Maar dan worden we deelnemers aan de creatie, onderdeel van de schepping, medeplichtig aan het eindproduct. Het niet-definitieve, het onafgewerkte van televisie houdt een plaats, een rol vrij voor de ontvanger-participant, voor de toeschouwer-afwerker, voor het deelnemende publiek. In die zin is televisie eigenlijk een happening. Maar in tegenstelling tot de werkelijke happenings, waarin provocatie en agressie een belangrijke rol spelen, is televisie op erkenning en bevestiging gericht. Erkenning van het publiek door televisie, bevestiging van televisie door de toeschouwer.

Het naïeve van televisie speelt ook hier zijn rol: het medium vertrouwt in de eigen mogelijkheden, in het publiek, in de gemeenschappelijke waarden, in de gemeenschappelijke humor, in de gemeenschappelijke zorgen. Het medium drijft op een permanente en eigenlijk feestelijke viering van het gemeenschappelijke. Televisie bestaat bij de gratie van die naïeve vooronderstelling, maar ze maakt er tegelijk ook haar hoofdbezigheid van dit steeds opnieuw in herinnering te roepen. Ze doet dit zonder het agressieve vertoon van propaganda, maar met de vanzelfsprekendheid, nonchalance en tevredenheid van een viering. Het resultaat is ontwapenend. Hoe kan je zoveel goed vertrouwen in twijfel trekken? En bovendien, het gevoel een outsider te zijn, geeft je een akelige, ‘spatiale’ ontreddering: waar begeef ik me, zo ver buiten de warme solidariteit? Hier spreekt een gemeenschap: waar hoor ik nog bij als ik twijfel aan haar geloofspunten? Begeef ik me dan niet in de perversiteit als ik me niet herken in deze gemoedelijke vanzelfsprekendheden? En ten slotte nog: wie aan deze geloofspunten tornt, brengt het hele bouwwerk in gevaar, en wie wil een zondvloed ontketenen?

Ontwapenend. Het massieve heeft altijd iets ontwapenends. Het massieve van de onbeschaamdheid; het massieve van de zelfverzekerdheid; het massieve van de collectiviteit; het massieve van de vulgariteit; het massieve van het gelijk. Televisie wordt door al deze incarnaties van het massieve gedragen. Ze heeft er haar grondvesten in.

Het massieve is ondoordringbaar, ontoegankelijk, niet verbeterbaar, niet te negeren. Het massieve is als een kankergezwel van de overtuiging, van het standpunt, van de solidariteit. Het massieve laat zich niet meer situeren (‘ik ben dat om die reden’), maar wordt het kernstuk van waaruit alles gesitueerd wordt. Men behoort tot de massiviteit, of men staat erbuiten. Wie erbuiten staat, voelt zich machteloos, ontwapend. Maar hoe ziet de massiviteit de buitenstaander? Niet eens als een ketter, een afvallige. De massiviteit kent geen kwalificaties toe aan haar critici. Personen die de massiviteit vertegenwoordigen, kunnen geprikkeld worden, maar de diffuse massa rondom hen neemt hen snel weer in bescherming. Met ketters wordt gepraat – al is het in de taal der achtervolging en executie. De critici der massiviteit worden op schouderophalen vergast. Er is geen plaats voor hen: ze prikkelen de gelovigen niet, dwingen hen niet ‘beter’ hun overtuigingen te formuleren, vormen geen uitdaging.

Kortom, dit massieve is ongecultiveerd, al is het de massiviteit van een cultuurindustrie. Cultuur ontstaat als omgangsvorm en materiaal tussen mensen, maar in het massieve lossen mensen zich op. Mensen dragen het massieve niet, maar zijn er functies van. Het massieve is de ‘cultuur’ van een bureaucratie, van een georganiseerde onverantwoordelijkheid en onpersoonlijkheid. Het massieve is de ‘cultuur’ van arbeidsverdeling. Massiviteit is de verharding van de afhankelijkheid van ieder individu van zoveel anderen, mensen en instanties, rondom zich. Massiviteit is de ‘cultuur’ der collaboratie.

Tegenover de collaborateur staat de niet-aangepaste, de marginaal, de deviant. De massiviteit veroordeelt haar klinische onderzoekers tot het statuut van zieke. Het vanzelfsprekende kan niet ondergraven worden; tegenover het vanzelfsprekende bevinden zich alleen afwijkenden. En het is in iedere cultuur bekend dat er niet naar de afwijkende geluisterd wordt, omdat hij onverstaanbaar is. De afwijkende – de gek, de delinquent – spreekt niet, maar slaat wartaal uit. De afwijkende wordt beroofd van de taal, wordt gestoten uit de gemeenschap van de dialoog, wordt beroofd van zin. Hij kan geen betekenis geven. Vanuit de norm kan hij wel gediagnosticeerd worden, maar niet beluisterd. Wat de massiviteit van haar critici scheidt, is niet minder dan de scheiding tussen zin en onzin.

Massiviteit hanteert niet de criteria van waar of onwaar, aanvaardbaar of onaanvaardbaar. Massiviteit scheidt het bruikbare van het onbruikbare, het utilitaire van het overtollige. Bruikbaar voor het massieve is alles wat het versterkt. En welke strategie heeft het massieve voor de uitbouw van zijn terrein? Die der simplificatie, die der kwade trouw. Alles wat zijn woordenschat vereenvoudigt, alles wat nuanceringen wegwerkt, is welkom.

Helemaal vrij van een slecht geweten is de massiviteit toch ook weer niet, maar dan verschuilt ze zich achter haar wezen zelf, achter het massieve. Het kan niet anders, niet beter, niet ‘rijker’, omdat tegen zoveel menselijke, technische, bureaucratische materie moet opgetornd worden. Het massieve staat in het teken van de inertie, van de weerstand tegen beweging en verplaatsing. Het massieve slaagt er zelfs in ook de opponent tot immobiliteit te veroordelen: ze ontwapent hem.

 

Bovenstaande tekst verscheen in Film & Televisie nr. 228-229 (mei 1976), p. 48.