Tom Engels

DE WITTE RAAF

Editie 191 januari-februari 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Gerhard Richter. Over Schilderen

Het S.M.A.K. pakt uit met Gerhard Richters eerste Belgische solotentoonstelling sinds 1976. Waar de tentoonstelling Over Schilderen eerder dit jaar in het Kunstmuseum Bonn inzoomde op het vroegere werk tot 1973, breidt curator Martin Germann hier de selectie uit tot de rest van Richters oeuvre, nieuwe werken uit 2017 inclusief. Over Schilderen is niet zozeer een overzichtstentoonstelling, maar tracht op diachrone wijze te onthullen welke principes in Richters oeuvre aanwezig zijn, en in welke mate de relatie tussen dat wat men de ‘realiteit’ noemt en het geschilderde beeld onder spanning komt te staan.

De tentoonstelling opent met een reeks van werken uit Richters beginperiode, waarin de eerste stappen worden gezet in de tussenzone van figuratieve en abstracte realiteiten. Deze eerste werken gaan in op de spanning tussen het beeld als een realiteit die afbeeldt en het beeld als een materiële en zelfstandige realiteit. Wat opvalt is de focus op een specifiek motief in Richters werk uit de jaren 60: de overgangszone. In de eerste zaal vormen telkens opnieuw het gordijn, het venster, de gang, de buis en het rooster, de motieven bij uitstek om te reflecteren over het onthullen en verhullen van een beeld. Zo toont Gordijn IV (1965) Richters emblematisch schipperen tussen enerzijds het afbeelden van datgene wat verhult, namelijk het gordijn, en anderzijds de abstracte, afgesloten realiteit van het gordijn dat met een afwisseling van lichte en donkere stroken op het doek tot stand wordt gebracht. Over Schilderen geeft in deze ruimte ook een inkijk in de relatie die de jonge Richter aanging met zowel pop art in Keukenstoel (1965), als met het minimalisme in Twee tinten grijs naast elkaar (1966) en de conceptuele kunst in Lijst van werken (1969); het geeft de zoektocht weer van een jonge schilder die zich verhoudt tot zijn Amerikaanse pendanten. Populairder, fotorealistisch werk uit diezelfde periode, zoals Ema (Akt auf diner Treppe) uit 1966, is afwezig in deze eerste ruimte van de tentoonstelling. Die lacune is eerder verfrissend omdat het Richter niet door het spectrum van zijn eigen iconen jaagt, om het los van die werken ‘over schilderen’ te kunnen hebben.

De tweede ruimte, een transitie tussen werk uit de jaren 60 en zijn recentste werk, is meer eclectisch van aard, en gaat in op erg verschillende vorm- en maakprincipes. Zo ziet men in 1025 Kleuren (1974), een werk dat teruggaat op zijn eerste kleurenstudie in de eerste zaal (Kleurenkaart, (1966)), een groot raster waarin 1025 kleuren op haast mathematische wijze worden gerangschikt. In deze afwijzing van het figuratieve wordt er plaats gemaakt voor een Cageiaanse afstandelijkheid, en wordt het kunstenaarsgenie ondermijnd. Daarnaast hangt Grijs (1973), haast een antipode van 1025 Kleuren, in die zin dat in deze grijze massa (de totale afwezigheid van kleur), de duidelijk, grove toets van de kunstenaar het enige is wat zichtbaar blijft. In deze ruimte sluipt ook een politieke ondertoon binnen, op twee manieren die opnieuw sterk met elkaar contrasteren. Deken (1988) vertoont de extreme defiguratie van de iconische foto van Gudrun Ensslins cel en haar opgehangen lichaam. De afbeelding van een van de kopstukken van de Duitse terreurgroep Rote Armee Fraktion uit de jaren 70, wordt hier door het letterlijk wegschrapen van het beeld ontdaan van haar oorspronkelijke mediatieke waarde. Wat ooit een forensisch beeld was, wordt omgevormd tot een sluier, een uitgestreken massa van grijstinten die de toegekende waarachtigheid van het originele beeld ontkracht. Daarnaast dan weer Bezet Huis (1989), een fotorealistisch uitzicht vanuit Richters studio te Keulen. Wie is hier de bezetter? De krakers in het pand aan de overkant, of de kunstenaar in zijn studio die de wereld vanuit die plek aanschouwt? Het werk blijft politiek ambigu, impliceert geen stellingname, maar vormt ‘gewoon’ een beeld; een vlak dat geen diepgang bevat.

De laatste, monumentale, ruimte bevat werk uit de afgelopen vijftien jaar van Richters carrière. We zien drie elementen uit de reeks Silicaat (2003), gebaseerd op een afbeelding van nanomicroscopisch onderzoek naar kleuren op vlindervleugels. Richter speelt met de schijnbare objectiviteit van wetenschappelijke, digitale beeldvorming, en vervaagt en verwijdert het ‘neutrale’, ‘objectieve’ en daarom ook het ‘centrale’ perspectief. Dit spel met digitale visualisatie wordt extreem doorgevoerd in Strip (2013/2016), een reusachtige digitale print van twee bij tien meter. Richter creëerde dit beeld door twee verticale stroken te selecteren uit een foto van een vroeger werk, Abstract Beeld (1990), en ze aan elkaar te spiegelen tot hij 4096 stroken bekwam. Deze beeldbestanden werden opnieuw uitgesneden en digitaal gehercombineerd tot deze nieuwe compositie tot stand kwam. Hier tast Richter opnieuw de grens van het beeld af door het digitaal om te zetten en het te indexeren.

In deze ruimte, die inspeelt op vragen rond digitale cultuur en posthumane condities en hoe schilderkunst daarmee om kan gaan, is het niet helemaal duidelijk hoe de nieuwe schilderijen – acht versies van Abstract schilderij (2017) – deze denkpiste uitbreiden. Richter voegde deze schilderijen drie weken voor de opening aan de tentoonstelling toe en ontkracht daarmee op haast recalcitrante wijze de dominante beeldlogica van deze ruimte. 

Het zijn de werken uit glas, her en der opgesteld, die de tentoonstelling maken. 4 Ruiten (1967/2015), in de eerste ruimte, bestaat uit een minimale, rechtlijnige architectuur van vier glasplaten die in verschillende hoeken uit hun metalen frame hangen. Dit werk problematiseert de scheiding tussen ‘voor en achter’, doet de toeschouwer de onmogelijkheid van een centraal perspectief ervaren, reflecteert de ruimte, en biedt op grond van al die elementen een reflectie over ruimte in het algemeen. Bij Spiegel (1986), in de tweede ruimte, vormt de vlakke weerspiegeling van de bezoeker de kern. Waar 4 Ruiten eerder speelt met de architectonische dimensie van beeldvorming, spiegelt Richter hier de schijnbaar coherente figuur van de waarnemer. Te midden van de laatste ruimte staat 7 Ruiten (Kaartenhuis) (2013), een constructie van zeven glazen vlakken die geschraagd tegen elkaar leunen. De bezoeker kan om het werk heen lopen, waarbij zijn of haar reflectie wordt weerspiegeld en opnieuw gespiegeld tot een oneindige constellatie van beelden, die bij elke beweging, geherconfigureerd wordt. Hetzelfde gebeurt met de werken die aan de muren opgehangen zijn. De glazen constructie produceert als het ware elkaar overlappende beelden van Richters werk en de toeschouwer. Deze beeldmachine stelt op indringende wijze de vraag naar wat beeldvorming vandaag betekent. Het beeld is nu niet meer gefixeerd, maar beweeglijk en komt tot stand in een eindeloze diffractie. Het produceert illusie, onderbreking en irritatie. In een tijd waarin zelfrepresentatie een centrale rol in onze samenleving heeft ingenomen, getuigt dit werk van een hedendaagsheid zonder weerga. Het toont dat onze zelfrepresentatie gespleten en vervormd is, wat spoort met Richters terugkerende wantrouwen ten opzichte van het beeld.

 

• Gerhard Richter. Over Schilderen, tot 18 februari te zien in het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (S.M.A.K.), Citadelpark, Gent (09/221.07.13; www.smak.be).