Zsuzsanna Böröcz

DE WITTE RAAF

Editie 191 januari-februari 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Marie-José Van hee

De Brusselse galerie Maniera is steeds op zoek naar architecten waarvan het werk affiniteit vertoont met de wereld van de beeldende kunsten en design. De huidige editie geeft een podium aan een vrouw, Marie-José Van Hee (1950), die hier overigens samenwerkt met twee andere vrouwen, textielontwerpers Marie Mees en Cathérine Biasino. Van Hee bereikte als stille kracht een vooraanstaande positie in de door mannen overheerste architectuurwereld door rigoureus haar persoonlijke visie te volgen. Curator van de kleine, maar treffende tentoonstelling is Katrien Vandermarliere, die momenteel een boek over de architecte voorbereidt.

Marie-José Van Hee kreeg in de laatste jaren gestaag meer aandacht, en in 2016 raakte de erkenning in een stroomversnelling met enkele evenementen rond de ontwerpersgeneratie waarvan ze deel uitmaakt: het afstudeerjaar 1974 aan Sint-Lucas in Gent. In een soort drieluik stelde ze haar woning in Gent open voor het publiek, werden haar meubelen, ontworpen in samenwerking met schrijnwerker Frank Ternier (LABT), tentoongesteld in het Gentse Design Museum (Een huis is ook een meubel), en werd haar werk gepubliceerd in het boek Autonomous Architecture in Flanders. The Early Work of Marie-José Van Hee, Christian Kieckens, Marc Dubois, Paul Robbrecht and Hilde Daem. Het jaar 2017 opende weer nieuwe perspectieven: ze werd RIBA International Fellow in Londen, gaf lezingen in onder andere het Barbican Arts Centre en leidde workshops in Oxford, Stockholm en Marseille. Haar werk werd getoond in Genève, Lyon en Princeton.

In al die exposure vormt de tentoonstelling bij Maniera een kleinschalig gegeven, maar ze is daarom niet minder kwalitatief of belangrijk. Maniera bood Van Hee de kans om haar meubelwerk te exposeren in zijn volledigheid én in een ruimtelijke setting die haar interieurvisie weerspiegelt. Marie-José Van Hee houdt niet van meubelen an sich; haar architectuur en meubelontwerpen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, en daarmee sluit ze aan bij de benadering van Adolf Loos, zoals beschreven in Die Abschaffung der Möbel (1924). Alleen een tafel en bed kunnen volgens Van Hee als los meubilair gezien worden. Daarbij mogen ze het primaat van de ruimte niet verstoren, maar moeten op minimalistische en multifunctionele wijze het dagelijkse leven ondersteunen. Minimalistisch betekent hier niet puristisch, in de zin van bijvoorbeeld Le Corbusiers meubelen in zijn cabanon. De eenvoudige, doordachte vorm gaat immers gepaard met een specifieke en allerminst abstracte materialiteit.

Een woning, en dus ook een interieur, is persoonlijk. Deze eigenheid kan volgens Van Hee niet bereikt worden door industrieel vervaardigde producten, getekend als ze zijn door allerhande normen en commerciële overwegingen, weinig aandacht voor detail of duurzaamheid. Ze laat het postmodernisme, dat onder haar tijdgenoten hoogtij vierde, links liggen. Op een geheel eigen wijze koestert ze het ambachtelijke en het artistieke. Precies in de gestage, interdisciplinaire, ambachtelijke handeling zit voor Marie-José Van Hee immers het plezier van het maken.

In de tentoonstelling zijn huis-werk-tafel en bed-bank te zien, twee meubelstukken die de uitkomst vormen van een jarenlang ontwerpproces, en dien-blad-koffer, een nieuw meubel dat de eerste twee aanvult. De gecombineerde benaming geeft het multifunctioneel karakter van de meubelstukken aan. Ze moeten de gebruiker immers functioneel en gevoelsmatig bijstaan in het wonen en leven.

In huis-werk-tafel worden gezwart roestvrij staal en geschilderd, geacetyleerd naaldhout verbonden tot een licht maar stevig object. In de uiterst gave uitvoering zijn de verbindingen nauwelijks zichtbaar. Het tafelblad is gemaakt van balken van verschillende breedtes die door vier draadstangen worden samengebonden. De tafel is bedoeld voor binnen en buiten, om te eten of te werken. Met de poten losgeschroefd kan het tafelblad tegen de wand worden gezet als een architecturaal element, als een deur.

De structuur van bed-bank bestaat uit twee balken op poten in geschilderd eikenhout met ertussen een blank cederhouten lattenbodem. Het ontwerp onderscheidt zich doordat alle houten elementen dezelfde sectie hebben, en de poten op verschillende posities staan (hetzij op de hoek, hetzij op een vierde van de lengte). Dit laatste beklemtoont de eenheid van het tweepersoonsbed dat men verkrijgt door twee bedden tegen elkaar te plaatsen. Een bed tegen een muur kan dan weer dienen als canapé. De (vrijstaande) bankfunctie realiseert men met twee bedden, waarvan een verticaal als rugleuning wordt bevestigd met behulp van lederen riemen (een handeling geïnspireerd op een ervaring in een jeugdherberg in Van Hees jonge jaren). De matras, die hier voor het eerst getoond wordt, werd ontwikkeld voor verschillende functies – slapen, zitten, dagdromen – door het Antwerpse Cover & Couch: dik genoeg voor nachtcomfort, dun genoeg om geplooid of opgerold te worden; de ene kant vlak, de andere geribd, om te zitten of te slapen. De matras is aangevuld met een reeks van zeven kussens ontworpen in samenwerking met Mees en Biasino.

Dien-blad-koffer is gemaakt in opdracht van Maniera. Het moet bed-bank en huis-werk-tafel vervolledigen met een bergruimte voor linnen, kussens, boeken, kranten, maar het kan ook fungeren als bijzettafel en dienblad. De structuur is een variatie op die van bed-bank: geschilderde eiken poten en dwarsbalken met dienblad in cederhout dragen een koffer in geolied rundsleder. Het rundsleder komt in de tentoonstelling nog eens terug in de vorm van een zachte lambrisering met grillig silhouet achter de canapé – een interventie die de ervaring van het ensemble als een huiselijk geheel moet ondersteunen. Het behaaglijke interieur wordt afgebakend door een gordijn uit linnen en wol uit de Alfred Collection van Mees en Biasino, dat tegelijk het licht tempert en de ruimte van de galerie intiemer maakt.

De eenvoud van de meubelen van Marie-José Van Hee is misleidend. Hun radicale bescheidenheid en rijkdom geven zich niet in gelijk welke omstandigheid bloot aan de bezoeker; een aangepaste schikking en lichtwerking zijn zonder meer noodzakelijk. Dit werd duidelijk op de tentoonstelling Een huis is ook een meubel in het Gentse Design Museum, waar de meubelen niet tot hun recht kwamen in de bestaande architecturale ruimte. Deze tentoonstelling daarentegen slaagt er, dankzij het precisiewerk van curator Katrien Vandemarliere, in om aan de fragiele benadering van Van Hee recht te doen.

 

Marie-José Van Hee, tot 24 Februari 2018 in Maniera, Place de la Justice 27-28, 1000 Brussel (0494/ 78.72.90; maniera.be).