Louis De Mey

DE WITTE RAAF

Editie 191 januari-februari 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Drawing Ambience, deSingel

Op initiatief van architectuurdocenten Riet Eeckhout en Arnaud Hendrickx is de tentoonstelling Drawing Ambience - Alvin Boyarsky and the Architectural Association naar Antwerpen gekomen. Ze was eerder te zien in onder meer Washington, New York en Berlijn. Uit de persoonlijke collectie van Alvin Boyarsky, die tussen 1971 en 1990 directeur was van de Londense Architectural Association (AA), worden 43 tekeningen getoond van architecten als Zaha Hadid en Frank Gehry, van architect-theoretici zoals Rem Koolhaas en Bernard Tschumi, van groepen als Superstudio en Archigram, en van een resem ‘tekenende architecten’ als John Hejduk, Alexander Brodsky en Daniel Libeskind. De volledige collectie is nog iets ruimer en is te zien in de gelijknamige publicatie. De verzameling bestaat uitsluitend uit giften van studenten en docenten, wat ook valt af te lezen aan de opdrachten die op de tekeningen staan vermeld, zoals ‘to Alvin with friendship. London 7/3/’86 Franco Purini’.

Voor zijn directeurschap had Boyarsky les gegeven aan de Architectural Association (AA), en aan The Bartlett School of Architecture en de University of Illinois. De jaren van zijn directeurschap vallen samen met een periode waarin de architectuurdiscipline zichzelf tracht heruit te vinden. Ook de wijze waarop architectuur wordt voorgesteld, door middel van tekeningen, montages en tekst, onderging daarbij grondige wijzigingen: ‘Elke nieuwe houding tegenover architectuur moest wel de modus van de representatie in vraag stellen’, schreef Bernard Tschumi in The Discourse of Events (1983).

De tentoonstelling is opgebouwd uit drie niet-chronologische hoofdstukken die in elkaar overvloeien. In de eerste ruimte luidt de titel ‘Reflecties op de Moderniteit’. De tekeningen tonen de zoektocht naar een omgang met het gedachtegoed van de modernen (het modernisme), om zo voorbij de postmoderne beeldtaal te geraken. De tekening is hier vooral een laboratorium voor vorm en articulatie. In de tweede ruimte, een gang die boven de gelijklopende Dom Hans Van der Laan-expositie werd geconstrueerd, bevinden zich de onderdelen ‘Europese Radicalen’ en ‘Reflecties op de Geschiedenis’. Deze met donker vilt beklede gang toont een eerder ideologische benadering van architectuur, zoals het zoeken naar een gepaste omgang met het oorlogsverleden en de radicale ideeën van de jaren 60 en 70.

Boyarski paste het bestaande AA-curriculum, gebaseerd op het Bauhausmodel, verder aan, zodat de ‘units’ werden doorgetrokken tot in het eerste jaar. De ‘units’ waren keuzeonderdelen waarmee studenten hun eigen traject konden samenstellen, en de ‘tutors’ op een erg persoonlijke manier hun materie konden onderwijzen. De lesgevers waren dan ook iconische figuren zoals Peter Cook (oprichter van Archigram), Bernard Tschumi en Daniel Libeskind, die elk op een heel persoonlijke manier ‘op zoek’ waren naar architectuur. Zo zien we in de expositie een tekening van de ‘Logplug’ uit 1970 van Archigram-lid David Greene, een artificiële boomtak die wordt ingeplugd in een ‘netwerk’, en zo in basisdiensten zoals elektriciteit, water en een telefoonlijn voorziet. De ‘Logplug’ demonstreert het streven naar een absoluut nomadische architectuur, zonder de natuur te verstoren. Het gouden papier en de pop-letters refereren aan magazines en strips, en staan tegenover de conventionele architecturale gegevens, die eveneens aanwezig zijn op deze voorstelling, zoals de projectinformatie, annotaties en afmetingen.

Over architectuurtekeningen stelde Alvin Boyarsky in een interview met Zaha Hadid dat ze ‘als autonome kunstwerken waren, in tegenstelling tot louter illustraties van een gebouw’. Het interview werd gepubliceerd in Hadids Planetary Architecture Two (1983), uitgegeven door de AA als tweede van veertien ‘folio’s’. Deze uitgaven kwamen telkens tot stand naar aanleiding van een tentoonstelling in de AA. Enkele van die folio’s zijn te zien in de eerste tentoonstellingsruimte. Het zijn platte vierkante dozen waarin prachtig uitgewerkte platen en een inleidend tekstboek passen. Ze illustreren goed hoe Boyarsky als hoofd van een van de belangrijkste architectuurscholen omging met de tekening. De folio’s bieden de architectuurtekening een in grote mate autonome status, en onttrekken het gegeven van de tekening gedeeltelijk aan de eigen discipline. Niet toevallig slaagden architecten die bij AA tentoonstelden er als eersten in om hun tekenwerk wereldwijd bij grote galeries binnen te loodsen. Als nooit tevoren ontstond hiermee ook een bewustwording van een visuele identiteit, die een krachtig marketinginstrument bleek. Van Zaha Hadid toont The World (89 Degrees) (1984), de wereld en haar ontwerpen vanuit de lucht gezien, bijvoorbeeld reeds de niet-orthogonale vormentaal die haar latere oeuvre zou karakteriseren. Haar zeer herkenbare vormentaal zou bijdragen aan haar latere sterrenstatus.

Ook het betrekken van een kunstenaar als Eduardo Paolozzi getuigt van Boyarsky’s non-conventionele kijk op architectuur en de representatie ervan. Paolozzi’s prikkelende collages zijn kleine universums en houden het midden tussen plan, snede en abstracte montage. Zijn AA-folio Underground Design (1986) toont de tegelmozaïeken die hij ontwierp voor het metrostation Totenham Court Road, louter in reliëfdruk, een haast onzichtbare techniek die al voorkwam in de folio van Peter Eisenman Fin d’Ou T Hou S (1985).

De geselecteerde werken in deSingel maken duidelijk dat het medium van de tekening door studenten (en docenten) vanuit verschillende motivaties wordt geclaimd: verbeelden (Macdonald & Salter), zoeken naar vormen (Libeskind), structureren (Tschumi), concretiseren (OMA) of analyseren (Place). Hoewel het vaak om seriegrafieën gaat, zoals Brodsky’s donkere etsen of OMA’s voorstel Boompjes (een zeefdruk waarin analyses, plannen, snedes, axonometrieën en omgevingsplannen zijn terug te vinden), zijn er ook fijne handgemaakte tekeningen in grafiet (Takamatsu) of olieverfschilderijen (Zoe Zenghelis) te zien. Wonderlijk daarbij is dat het didactisch beleid van de AA nooit tot een dogmatische tekenstijl heeft geleid.

Met deze inspirerende werken toont Boyarsky’s collectie fragmenten uit een conversatie die binnen de AA plaatsvond, maar ook veel verder reikte. De tentoonstellingen en tekeningen maakten deel uit van een systeem van internationale uitwisseling dat nog steeds doordringt in het architectuurdiscours vandaag.

 

Drawing Ambience - Alvin Boyarsky and the Architectural Association liep tot en met 10 december 2017 in deSingel, Desguinlei 25, 2018 Antwerpen (03/248 28 28; desingel.be).