Edo Dijksterhuis

DE WITTE RAAF

Editie 191 januari-februari 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Le Corbusier’s vierde dimensie

De naam Le Corbusier, pseudoniem voor Charles-Édouard Jeanneret-Gris (1887-1965), doet de gedachten meteen richting architectuur gaan. De Zwitsers-Franse architect was met zijn ideeën over standaardisering en rationele vormgeving immers de wegbereider van het moderne bouwen. Hij muntte de term ‘machine à habiter’, of woonmachine, die nog steeds tot de verbeelding spreekt. En zijn stedenbouwkundige plannen voor onder andere de Indiase stad Chandigarh gelden als blauwdruk voor talloze nieuwbouwwijken. Veel minder bekend is dat Le Corbusier zijn leven lang iedere ochtend vulde met schrijven, schilderen, beeldhouwen en tekenen. Dat vrije werk beschouwde hij als zijn laboratorium, de ‘miraculeuze vierde dimensie’. Lange tijd hield de architect dit werk voor zich. Pas in de jaren 30 kwam hij ermee naar buiten, toen zijn naam als architect al ruim en breed was gevestigd.

Nog minder mensen zullen weet hebben van de link tussen Le Corbusier en Cobra. In 1937 werd Cobra-lid Asger Jorn gevraagd een bijdrage te leveren aan Le Corbusiers Pavillon des Temps Nouveaux voor de Wereldtentoonstelling in Parijs. Vanaf die tijd hielden de twee contact. Jorn schreef niet minder dan twaalf essays over het werk van de architect – overigens nooit het autonome en stopte daar pas mee na Le Corbusiers dood.

Xander Karskens, de nieuwe directeur van het Cobra Museum in Amstelveen, maakt behendig gebruik van dat stukje vrijwel vergeten geschiedenis om het tentoonstellingsprogramma van zijn gespecialiseerde instituut op te rekken. De selectie van tachtig werken van Le Corbusier – vooral tekeningen, maar ook schilderijen, sculpturen en zelfs een paar wandtapijten – combineert hij met de eigen collectie. Niet alleen gunt de tentoonstelling ons een blik op een onbekend deel van Le Corbusiers artistieke praktijk, ze weet zijn beeldend werk ook te verbinden met zijn architectuur.

De minder positieve kanten van het genie worden hierbij overigens niet onder het tapijt geveegd. Le Corbusier collaboreerde met het Vichy-regime en was behalve een antisemiet en een bewonderaar van het fascisme ook een misogyne macho. Dat wordt allemaal benoemd in de zaalteksten, maar ook gerelativeerd: er golden nu eenmaal andere zeden in dat tijdsgewricht. De manier waarop Le Corbusier vrouwen tekende - zij waren zijn favoriete onderwerp – wordt getypeerd als ‘voyeuristisch’ en ‘objectiverend’ en in lijn met de patriarchale verhoudingen tijdens het modernisme. Le Corbusiers liggende en vaak naakte vrouwen worden na verloop van tijd wel steeds abstracter. Ze gaan steeds meer lijken op de stillevens met theepotten, flessen en borden die hij maakte in de tijd dat hij het purisme aanhing, een afgeleide en, volgens Le Corbusier, zuiverdere versie van het kubisme.

Feministen hebben Le Corbusier desalniettemin steevast weggezet als vrouwenhater, zeker nadat hij de spierwitte wanden van Eileen Grays Zuid-Franse Villa E1027 met verf en kwast te lijf ging. Toen er foto’s verschenen van de spiernaakte architect in actie werd Le Corbusiers schilderwerk al snel bestempeld als de territoriumdrift van een jaloers mannetje dat niet kan verdragen dat een vrouw ook eens succes heeft. Dat de architect zijn toevoeging aan E1027 deed op uitnodiging van Grays partner Jean Badovic en al jaren het nudisme praktiseerde, deed er niet meer toe voor de beeldvorming. De Deense kunstenaar Jakob Kolding zet het gegeven in perspectief met een hedendaagse reactie. Hij knipte de foto van de blote Le Corbusier uit, blies hem op en zette hem als cut-out op een podium. Hij oogt ronduit schlemielig. Die indruk wordt nog eens versterkt door de sculpturen die Kolding eromheen plaatste, waaronder een stoer beeld van de Nederlandse beeldhouwster Lotti van der Gaag (1923-1999) en de geabstraheerde Napoleon van de Deense Cobra-kunstenaar Henry Heerup (1907-1993). Koldings twee- en driedimensionale collages duiken her en der op in de tentoonstelling. Ze relativeren de mythes rondom Le Corbusier, maar bevragen ook de vooroordelen die kijkers eventueel hebben.

De tentoonstelling maakt de interessante ontwikkelingen in het beeldend werk van de architect overtuigend zichtbaar. Vanaf de jaren 30 werkt Le Corbusier steeds meer met kleur. Hij omarmt motieven als de stier en de vogel. In zijn serie met de Ilias als onderwerp laat hij zich inspireren door de negentiende-eeuwse John Flaxman en citeert hij zelfs diens compositie met Helena en Paris. Zijn obsessie met het machinale en het rationele maakt gaandeweg plaats voor meer organische vormen en processen. Het resulteert in de jaren 50 in zijn modulorsysteem, waarbij niet de machine, maar het menselijk lichaam wordt opgevoerd als de maat der dingen. Weliswaar een mannelijk lichaam – 1,83 meter was het uitgangspunt – maar uit een tekening als Chez Moi blijkt dat Le Corbusier ook ruimte laat voor het vrouwelijke. Het liggende naakt omarmt de plattegrond van Chandigarh en wordt er een geheel mee.

De tentoonstelling begint en eindigt met de architectuur die de perceptie van Le Corbusier altijd voor een belangrijk deel zal blijven bepalen. Schetsen van zijn hand zijn gecombineerd met een studie voor Constants utopische bouwproject New Babylon en een keramieken huisje van de eerder genoemde Heerup. Het is een traditioneel geval met puntdak dat zo scheef staat als een krab – in alles het tegenovergestelde van een woonmachine. Een grootheid als Le Corbusier moet kunnen tegen zo’n plaagstootje.

 

Le Corbusier’s vierde dimensie liep tot 7 januari 2018 in het Cobra Museum voor Moderne Kunst, Sandbergplein 1, 1181 ZX (020/547.50.50, cobra-museum.nl).