Steyn Bergs

DE WITTE RAAF

Editie 192 maart-april 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Kunsthalle for Music

‘Muziek is niet noodzakelijk wat je denkt dat het is,’ stelt het manifest van Ari Benjamin Meyers, artistiek directeur van de Kunsthalle for Music die van 28 januari tot 3 maart in Witte de With gehuisvest is. De Kunsthalle for Music is een gezamenlijk initiatief van Meyers, het Rotterdamse instituut, en het in Hong Kong gebaseerde Spring Workshop, met als doel de grenzen van wat we doorgaans verstaan onder en ervaren als muziek af te tasten en te verleggen. Zoals ook blijkt in Meyers’ manifest, spreekt uit het project een verlangen te breken met bepaalde conventies die nagenoeg onlosmakelijk verbonden zijn met overheersende tendensen in de westerse muziek: het rituele karakter van het concert of optreden, het onderscheid tussen het publiek en een kleinere groep gespecialiseerde uitvoerders, het idee dat een interpretatie of een opname getrouw moet zijn aan een partituur, maar bijvoorbeeld ook aan bepaalde ideële opvattingen over wat de zogenaamde essentie zou vormen van een bepaald stuk of een specifieke muzieksoort. Kunsthalle for Music is er meer bepaald op gericht om muziek te gronden in het alledaagse, als een belichaamde en direct beleefde praktijk. Dit is natuurlijk iets wat we al kennen van de (muzikale en artistieke) avant-garde; specifiek aan Kunsthalle for Music is dat het project beoogt dit alles te realiseren door muziek te transponeren naar de specifieke institutionele context van de hedendaagse beeldende kunst.

Gedurende de loop van het project vinden in de Kunsthalle wekelijks, op vaste tijden, vier live-uitvoeringen plaats van een door Meyers geselecteerd repertoire van muziek, en van wat omschreven wordt als ‘op muziek gebaseerd werk’, voornamelijk performances. Dit repertoire bevat stukken van componisten als Charles Ives, maar ook van figuren die we vooral kennen als beeldend kunstenaar (van Marcel Duchamp tot John Baldessari en Laure Prouvost). Een klein aantal stukken is geschreven in opdracht van Kunsthalle for Music, waaronder werk van Jonathan Bepler, Libia Castro & Ólafur Ólafsson, Dominique Gonzalez-Foerster en The Residents. De stukken worden gebracht door een speciaal voor de gelegenheid opgericht Kunsthalle for Music Ensemble, bestaande uit acht muzikanten en performers met uiteenlopende achtergronden, interesses en expertises. Het repertoire dient vooral als bronmateriaal voor de sessies in de Kunsthalle: telkens wordt er een nieuwe selectie werken gebracht (en in een andere volgorde), waardoor elk bezoek uniek wordt. Het is niet overdreven om te stellen dat het bijwonen van de Kunsthalle for Music radicaal verschilt van de doorsnee concertervaring, inclusief uitvoeringen van experimentele en avant-gardemuziek. Het geheel is aanzienlijk minder statisch (de tentoonstellingsruimte, die twee verdiepingen bestrijkt, wordt volledig benut), en het Kunsthalle for Music Ensemble draagt iets over van de musica practica; de praktische, pragmatische en amateuristische benadering tot de muziek die volgens Roland Barthes verloren ging met de toenemende ontwikkeling van de westerse muziek. Bovendien doet de muzikale ervaring ‘informeler’ aan doordat bezoekers ongehinderd kunnen binnenvallen – en even ongehinderd weer kunnen vertrekken – gedurende de uitvoering.

De scare quotes hier zijn nodig, omdat wat in de Kunsthalle for Music ervaren wordt als informaliteit niet zozeer een resultaat is van een feitelijke versmelting van muziek met andere facetten van het leven, als wel een min of meer logisch gevolg van het feit dat we er (nog) niet aan gewend zijn muziek aan te treffen in instituten voor beeldende kunst – instituten die we associëren met bepaalde vormen van beleving en receptie. Met andere woorden: muziek wordt aan haar gebruikelijke, traditionele omkadering onttrokken (en ontsnapt daardoor tot op zekere hoogte aan haar verdinglijking), maar wordt tegelijk onderhevig aan een andere verzameling institutionele codes (die van de beeldende kunst), in ieder geval in zoverre dat die codes deels geïnternaliseerd zijn door het publiek – voor wie een kunstinstituut uiteraard allerminst een ‘alledaagse’ context is. In dat opzicht is het veelzeggend dat de Kunsthalle for Music ook bezocht kan worden wanneer er geen live-uitvoering plaatsvindt en bezoekers, naast een aantal instrumenten, wat parafernalia die bij de opvoeringen horen en een aantal labels waarop de werken in het repertoire vermeld worden, vooral de leegte van de white cube zelf aantreffen. Het is dit nieuwe dispositif dat hier lijkt te lonken met de belofte de muziek los te weken van allerlei kwalijke institutionele gewoontes waarmee ze te zeer vergroeid is.

Die belofte is tegelijkertijd serieus en met een korrel zout te nemen. Een verhelderende historische analogie is wellicht de manier waarop binnen de kunstpraktijk tijdens de zogenaamde documentary turn, nog niet zo heel lang geleden, de vastgeroeste conventies van het documentaire genre (met name binnen het institutionele kader van de cinema) radicaal werden omgewoeld. De documentary turn vormde de aanleiding voor een explosie aan interessant werk, maar demonstreerde net zo goed de snelheid waarmee de hedendaagse kunst de schok van het nieuwe – van nieuwe media of genres – absorbeert, en het gemak waarmee nieuwe institutionele gewoontes zich vormen. Deze analogie is te meer waardevol omdat het ook in het geval van de documentary turn de temporele structuur van de museale ervaring was waaraan een groot aandeel van het emancipatorisch potentieel toegeschreven werd. Het werd als verlossend gezien dat de bezoeker zich vrij kon bewegen doorheen de ruimte, wat bijvoorbeeld tot gevolg had dat de duur van een bepaald videowerk niet noodzakelijk de duur van de receptie van dat werk dicteerde. 

Kunsthalle for Music past een min of meer vergelijkbare logica toe op de muziek, die hier onderworpen wordt aan ongeveer dezelfde diffuse vorm van receptie die onze benadering tot de beeldende kunst karakteriseert. Zoals gezegd levert dit wel degelijk een ingrijpend nieuwe, en inderdaad verfrissende, muzikale ervaring op; in die zin is de Kunsthalle for Music een productief experiment met verschillende institutionele contexten dat gelukkig weinig heeft van het ietwat naïeve enthousiasme waarmee buitenstaanders soms hun intrede doen in de kunstwereld (uit Meyers’ CV blijkt duidelijk dat zijn achtergrond in de klassieke muziek ligt). Toch hoef je geen verstokte, conservatieve cultuurpessimist te zijn om in te zien dat deze vernieuwde muzikale ervaring ergens ook een verarming is. Het klopt dat een institutioneel apparaat als dat van de Kunsthalle niemand dwingt tot de verstarde en passieve contemplatie die vaak geassocieerd wordt met ‘hoge’ cultuur – iets wat een traditioneel concert bijvoorbeeld wel doet. Tegelijkertijd mag duidelijk zijn dat juist deze ongedwongenheid de Kunsthalle (en de white cube meer in het algemeen) bijvoorbeeld ook tot de meest geliefkoosde institutionele vorm maakt van de 21e-eeuwse aandachtseconomie, gekenmerkt door een overvloed aan inhoud (tekst, beeld, geluid), en een relatieve schaarste aan interesse, oplettendheid en ontvankelijkheid. Vanuit die optiek lijkt het verstandig enigszins bescheiden te blijven in onze verwachtingen van wat een institutioneel experiment als dat van de Kunsthalle for Music op termijn kan opleveren. Alle avant-gardes tot nu toe bevestigen dat er voor bepaalde culturele problemen geen louter culturele oplossingen bestaan.

 

• Kunsthalle for music, tot 3 maart in Witte de With, Witte de Withstraat 50, 3012 BR Rotterdam (010/411.01.44; wdw.nl).