Bram Ieven

DE WITTE RAAF

Editie 193 mei-juni 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Jean Brusselmans

De waaier, de twee sint-jakobsschelpen, de geruite jurk van zijn echtgenote, de houten koffiemolen, de petroleumlamp, de huiskamer en het half verstedelijkte platteland in de onmiddellijke nabijheid van Dilbeek waar hij vanaf 1924 tot aan zijn dood woont: de schilderijen van Jean Brusselmans (1884-1953) worden gekenmerkt door een strenge herhaling van steeds dezelfde omgeving met steeds weer dezelfde, beperkte selectie van alledaagse voorwerpen. Wanneer je als bezoeker een eerste keer argeloos door de expositie loopt die het Gemeentemuseum Den Haag van zijn oeuvre heeft samengesteld, dan krijg je al snel het idee dat je een inkijk hebt in het dagelijkse leven van de mens Jean Brusselmans. De bescheiden inventaris lijkt dan te wijzen op de sobere, en zelfs armoedige leefomstandigheden van de schilder, waarin steeds weer dezelfde attributen terugkeren. Maar wie nauwkeuriger en langer kijkt, komt tot de conclusie dat de uiterst particuliere weergave van het dagelijks leven, waar het hele oeuvre van Brusselmans om draait, geen autobiografische inzet heeft. Ze is niet naar binnen gekeerd, niet eenzelvig, en zeker niet individualistisch. De schilderkunst van Brusselmans heeft ook niet als doel om die individuele beleving op expressieve wijze vast te leggen. Zijn schilderijen verbeelden de sociale context waarbinnen deze gebruiksvoorwerpen betekenis krijgen. Ook al stralen de werken stuk voor stuk een gevoel van eenzaamheid uit, ze representeren paradoxaal genoeg telkens de gemeenschappelijke verbeelding van een sociale groep, die net voor en na de Tweede Wereldoorlog in deze sobere omstandigheden leefden.

De tentoonstelling omvat een veertigtal werken die chronologisch geordend zijn, beginnend in 1935 en eindigend in het sterfjaar van de schilder, in 1953. De suggestie die zo ontstaat is dat het werk van Brusselmans pas vanaf de jaren 1930 echt tot wasdom komt. Dat is op zich begrijpelijk, zeker voor wie bedenkt dat in het verleden het Gemeentemuseum (in 1949) en het Van Abbemuseum in Eindhoven en het Stedelijk in Amsterdam (in 1960) van een vergelijkbare periodisering uitgingen. Toch zou het de moeite lonen om de genese van de unieke stijl van Brusselmans eens te onderzoeken.

Door de overzichtstentoonstelling pas in 1935 aan te vangen, benadrukken de curatoren de herhaling en esthetische procedures die een belangrijk element zijn in het werk van Brusselmans. Ze weken die eigenschappen op deze manier los van de artistieke context waarin ze ontstonden. In een van de eerste werken die te zien zijn, Nature morte aux coquillages (1935), duiken twee sint-jakobsschelpen op samen met een waaier, die hij over een tijdspanne van dertien jaar steeds opnieuw zal schilderen. In La grande intérieure (1939) bijvoorbeeld, en later in Les Roses (1948) en in Nature morte à l'éventail (1948) zijn de schelpen op vrijwel exact dezelfde manier afgebeeld, ook al is de toets van Brusselmans losser geworden. In het laatste werk staat ook de waaier weer centraal. Kleur domineert nu meer over de compositie van het schilderij. Daardoor lijkt de picturale ruimte wat te openen, er is meer lucht. Maar de strenge esthetische procedure die Brusselmans vanaf de jaren dertig in zijn werken toepast, verandert nauwelijks. De onveranderlijkheid van die procedure wordt door de selectie van het Gemeentemuseum sterk naar voren gebracht.

Die procedure omvat twee cruciale elementen. Een eerste element bestaat erin dat Brusselmans de ruimte die hij weergeeft sterk vereenvoudigt, waardoor hij het tweedimensionale karakter van het schilderij versterkt. Vaak, zoals in Les mouettes (1949), dat meteen ook een van zijn meest indrukwekkende werken is, worden verschillende perspectieven en invalshoeken als het ware over elkaar heen gelegd en vervolgens vereenvoudigd. De perspectivische diepte begint daardoor te verdwijnen, zonder dat ze ooit helemaal teniet wordt gedaan. Wat het schilderij aan diepte verliest, wordt vervolgens door middel van kleur gecompenseerd. Wie een doek zoals La tempête (1936) van dichtbij bekijkt kan zich vergenoegen in de diepte die de kleuren krijgen door de ruwe, maar perfect geplaatste toets van het penseel. Maar samen met de illusie van perspectivische diepte vervaagt het verschil tussen hoog en laag. Daardoor ontstaat er een vorm van radicale esthetische gelijkwaardigheid. In Les mouettes eisen alle meeuwen dezelfde aandacht op. Ze vormen een zwerm die zonder hiërarchie of perspectief is gecombineerd met een tafereel waarbij vissers op een schip de netten binnenhalen. Het geheel vormt een aangename, tweedimensionale kakofonie die je zou kunnen lezen als een poging om radicale gelijkheid op esthetische wijze door te denken.

Brusselmans past dezelfde techniek toe in Nature morte à l’éventail (1948). Maar hier komt ook het tweede element naar voren dat cruciaal is voor zijn esthetische procedure, en dat misschien nog belangrijker is dan het wegwerken van perspectief en diepte, namelijk de manier waarop Brusselmans voorwerpen weergeeft. De steeds terugkerende gebruiksvoorwerpen, maar ook de zon, de regenbui en uiteindelijk de regenboog in het landschap, zijn niet op natuurgetrouwe, maar op een bijna iconografische manier weergegeven. Met deze vereenvoudiging slaagt Brusselmans er telkens opnieuw in om een gemeenschappelijke werkelijkheid en sociale ervaring te ontsluiten. Dat is de kern waar Brusselmans werk om draait, en met deze selectie van werken weet het Gemeentemuseum dat overtuigend aan te tonen.

 

Jean Brusselmans, tot 10 juni in Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41, 2517 HV Den Haag (070/338.11.11; gemeentemuseum.nl).