Steven Humblet

DE WITTE RAAF

Editie 193 mei-juni 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Raoul Hausmann

Al meer dan een decennium lang programmeert het Parijse Jeu de Paume één tot twee tentoonstellingen per jaar over de fotografie uit het interbellum. De nadruk ligt vooral op Franse fotografie uit die periode (met onder andere uitmuntende presentaties over André Kertész, François Kollar, Laure Albin-Guillot, Lisette Model, Germaine Krull en Florence Henri), maar ook de moderne fotografie uit de naburige landen kan regelmatig op enige aandacht rekenen, zoals vorig jaar nog in de indrukwekkende expo over de Duitse fotograaf Albert Renger-Patzsch. Niet alle tentoonstellingen bereiken hun doel, soms blijft het bij een herkauwen van reeds gekende inzichten (zoals in de teleurstellende expo over Berenice Abbott), maar de meeste slagen er toch in nieuwe vragen en inzichten te genereren over een fotografische periode die men dacht volledig doorgrond te hebben. Ze geven een beter beeld van de uiteenlopende functies die het medium vanaf dat moment begon te vervullen, en bieden ook interessante aanknopingspunten om de complexe rol die fotografie speelde in de opkomst en ontwikkeling van de avant-gardekunst beter te begrijpen. De huidige tentoonstelling over het fotografisch werk van Raoul Hausmann (1886-1971) is daar een mooi voorbeeld van.  

Hausmann: een wilde vernieuwer, aanstoker van het Berlijnse dada, dichter, uitgever van opruiende tijdschriften, agitator van de beeldende kunst, door het naziregime weggezet als ontaarde kunstenaar. Maar dus ook fotograaf. Fotografie wordt in eerste instantie niet beoefend als een aparte discipline, maar is onderdeel van een ruimere artistieke praktijk. Zo werkt hij met uit tijdschriften gescheurde foto’s voor het samenstellen van zijn ontwrichtende collages, maar maakt hij zelf nog geen fotografische beelden. Pas later wordt het medium belangrijker, wordt het op zijn beeldende potentie onderzocht, en wordt er lustig mee geëxperimenteerd. Zijn fotografisch oeuvre, als men die term al zou kunnen gebruiken, bleef echter lange tijd onzichtbaar. Zo was er geen spoor van te bekennen op de eerste (en enige) grote overzichtstentoonstelling die nog tijdens zijn leven werd georganiseerd (in 1967 in Stockholm). De tentoonstelling in Parijs probeert nu recht te doen aan de plaats die fotografie innam in de artistieke ontwikkeling van Hausmann.

De inleiding toont met enkele collages, publicaties en een klankdicht op summiere wijze de veelzijdige artistieke praktijk van Hausmann in de vroege jaren twintig. Deze introductie wordt vervolgd met een eerste reeks van fotografische beelden. Het betreft een serie van zes foto’s uit 1931. Het zijn de bekendste foto’s van Hausmann en de enige ook die hij tijdens zijn leven als een aparte publicatie heeft publiek gemaakt: als een portfolio met zes originele prints, gepubliceerd in 1968 onder de titel Mélanographie. Het zijn abstracte lichtstudies, een onderzoek naar de manier waarop de fotografische emulsie reageert op het invallende licht. De grafische beelden met brutale zwart-witcontrasten, tonen dagelijkse voorwerpen – een stoel met een geperforeerd zitvlak en een papierbak – waar een hel licht doorheen gejaagd wordt. Objecten opereren hier als lichtmodulatoren waarbij de taak van de camera zich beperkt tot het registreren van de interactie tussen de diepe schaduwen en de helle lichten. Het werk past dan ook in de fascinatie van de moderne avant-garde voor alle vormen van licht, elektrisch of niet. Maar in tegenstelling tot het Neue Sehen dat eerder een fotografie van de lens is (van de fotografische optica), lijkt Hausmann zich hier toch vooral te interesseren voor de chemische aard van het fotografisch proces, voor wat het (verblindende) licht doet wanneer het in contact komt met de lichtgevoelige emulsie. Vandaar ook het vervangen van de term fotografie door melanografie: fotografie is niet de kunst van het oplichten, maar een proces van verduistering, van zwarting. Voor Hausmann openbaart de ware aard van fotografie zich dan ook vooral in de schaduwen, daar waar het licht zich het sterkst in de emulsie heeft geëtst. De donkere, duistere delen zijn de meest actieve in het fotografische beeld omdat ze (bizar genoeg) het meeste licht hebben ontvangen. De paradox van fotografie: hoe meer licht, hoe donkerder de print, dus hoe meer onzichtbaarheid er gegenereerd wordt. Door op deze manier het geweld eigen aan het fotografisch proces te beklemtonen, lijkt Hausmann in te gaan tegen het (al te) optimistische vooruitgangsgeloof van het Neue Sehen en het constructivisme, zoals dat onder andere in het werk van László Moholy-Nagy wordt geëtaleerd.

Naast die experimenten met licht, beoefende Hausmann ook enkele meer klassieke genres: portretten, naakten en landschappen. De portretten gebruiken strijklicht om de ruwheid van de huid te onderstrepen. Het zijn portretten in de vlucht gemaakt, alsof de camera rakelings langs het hoofd scheert. Het is de frictie tussen dit vluchtig aanstippen en de ruwe, pokdalige materialiteit van het gelaat, die deze portretten zo spannend en ontroerend maakt. Tegelijkertijd onderscheiden ze zich niet echt van de toen gangbare portretstrategie. Ook zijn vrouwelijke naakten kleuren netjes binnen de lijnen van wat toen gebruikelijk was, met een klemtoon op de rondingen van billen en borsten om tot een verleidelijk spel van vormen en volumes te komen. De echte verrassing van de tentoonstelling is te vinden in zijn landschapsfoto’s. Daar verschijnt een fotograaf die zich wezenlijk onttrekt aan de geplogenheden van zowel de 19e-eeuwse als de moderne landschapsfotografie. Hij fotografeert aan zee, op het strand, in de duinen, op het platteland. Zijn landschappen zetten zich zowel af tegen de verheerlijking van een Albert Renger-Patzsch als tegen de documentaire precisie van een August Sander (twee tijdgenoten en collega-fotografen waarmee Hausmann contact had). In de plaats daarvan kiest hij voor een meer suggestieve aanpak. De duinlandschappen zijn dor, hier en daar steekt wat struikgewas de kop op, als was het een plukje haar op het lichaam van de aarde. Hij kiest vaak voor een laag standpunt of richt de camera zelfs loodrecht naar beneden, naar de zanderige grond voor zijn voeten. Het zijn beelden gemaakt door een fotograaf die een direct contact zoekt met het landschap, die er dicht op zit. Dat contact zet zich zelfs door in de fysieke kwaliteiten van het beeld zelf, waar de zanderige textuur van de duinen en de korrel van het analoge beeld in elkaar lijken over te vloeien. De materie waaruit het fotografische beeld is opgebouwd spiegelt de materiële condities van het onderwerp. Waar zijn abstracte lichtstudies het verschroeiende effect van het fotografisch gecapteerde licht beklemtonen, wordt hier eerder het absorberende karakter van de emulsie gevierd: licht als een zachte toets, een kortstondige aanraking.

 

• Raoul Hausmann, tot 20 mei in het Jeu de Paume, 1 Place de la Concorde, 75008 Parijs (01/47.03.12.50; jeudepaume.org).