Daniël Rovers

DE WITTE RAAF

Editie 193 mei-juni 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Carel Blotkamp, Blikseminslag

Carel Blotkamp heeft altijd een dubbel leven geleid. Hij was hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam en werkte (en werkt) vanuit Utrecht aan een oeuvre als beeldend kunstenaar. In zijn teksten over beeldende kunst komen de twee talenten samen, in de monografieën over Piet Mondriaan en Ad Dekkers, maar zeker in zijn gebundelde korte beschouwingen, zoals het onlangs verschenen Blikseminslag, de opvolger van De onvoltooide van Cèzanne (2004) en Keuzen (1985). Hier maakt Blotkamp een pas op de plaats, en geeft hij zich over aan het aandachtige, verstrooide, onbevooroordeelde en liefdevolle kijken. 

Dienstbaar – met dat woord kan de houding worden getypeerd die Blotkamp als schrijver tegenover het besproken werk inneemt. Daaruit spreekt een koppig geloof of in ieder geval een vast vertrouwen, namelijk dat er vis à vis het kunstwerk niets te bewijzen valt en des te meer te ontdekken en te tonen. Zijn schrijfstijl is bondig, zonder de opsmuk van vergelijkingen of metaforen waarbij zijn eigen kunnen als auteur naar voren zou komen. Het werk moet spreken, en Blotkamp is de zich bescheiden opstellende beschouwer die steeds moeiteloos, zo lijkt het, een relevante en oorspronkelijke context aanbrengt. Hij kijkt nauwkeurig naar de randen en kaders van een schilderij, en legt daarmee een veronachtzaamd supplement van betekenissen bloot; hij toont foto’s van de kunstenaars in hun werkplaats, en biedt zo een laagdrempelige toegang tot hun werk; hij denkt in verwantschappen, vriendschappen en tegenstellingen, en schept zo de grotere lijnen zonder dat wat hij ziet plat te walsen tot het asfalt van een stroming.

In vergelijking met de jongere generatie kunsthistorici houdt Blotkamp zich verre van theoretische stellingnames, politieke gestes en hardop uitgesproken idealen van emancipatie. Hij steekt bij voorkeur energie in de reconstructie van de ontwikkeling die een individuele kunstenaar heeft doorgemaakt, en verliest zich daarbij steeds opnieuw in het oppervlak, dat altijd weer meer dan genoeg te denken geeft. Speculaties over de implicaties van een werk, de veronderstelde maatschappelijke werking ervan, die laat hij aan anderen over. Voor Blotkamp, geboren in het bevrijdingsjaar, lijkt zoiets als ‘emancipatie’ erin te bestaan dat een kunstenaar zich bevrijdt van de beperkingen die elke traditie, het voorhanden zijnde instrumentarium én de eigen biografie een maker zoal kunnen opleggen. Vervolgens is het aan de kijker om alle mogelijkheden uit het werk af te leiden. Dat is het beloftevolle moment: de verschillende zienswijzen en betekenissen die een Flavin, een Toorop, een Daniëls bij een ervaren, niet-dogmatische kijker genereert.

Het engagement dat Blotkamp opbrengt, strekt zich uit tot de levens die onlosmakelijk met de oeuvres verbonden zijn. De magisch realist Pyke Koch, over wie hij zijn proefschrift schreef, bezocht hij regelmatig thuis aan de Oudegracht in Utrecht, waarna langzamerhand, na twee jaar vousvoyeren, een vriendschap ontstond. In Blikseminslag vertelt Blotkamp over een andere via het kijken tot stand gekomen vriendschap. In 1985 stuitte hij tijdens een bezoek aan het Altes Museum in Berlijn op de pasteuze schilderijen van de hem onbekende Oost-Duitse Johanna Kaiser. Bij navraag kreeg hij zowel een dunne catalogus overhandigd als haar adres. Gefascineerd door deze ‘dwarse’ kunstenares, besloot hij haar een bezoek te brengen in Prina, even buiten Dresden. Hij kocht een schilderij en bleef vervolgens met haar bevriend tot aan haar dood in januari 1991, vlak na de val van de Muur.

Stukjes over kunst luidt de ondertitel van de verzamelbundel, en dat is bescheiden, maar ook een beetje ouwelijk, om niet te zeggen belegen. Hield Blotkamps bescheidenheid hem tegen om voor ‘beschouwingen’ te kiezen of voor het nog gewichtigere ‘essays’. Of vond hij dat deze in Kunstschrift gepubliceerde teksten in geen verhouding stonden tot de bergen werk die hij verzette in zijn monografieën, bijvoorbeeld in zijn standaardwerk over Mondriaan? In de reeks Blikseminslag neemt hij zich voor persoonlijke, ingrijpende kunstervaringen vast te leggen, al weet hij zelf dat dit ‘melodramatisch’ klinkt, en dekt hij zich nog meer in door mee te geven dat zogenaamde persoonlijke ervaringen vaak helemaal niet zo persoonlijk en uniek zijn. Maar is het dan niet de opdracht van een schrijver ervaringen al schrijvend persoonlijk te maken? De tekst over Johanna Kaiser bijvoorbeeld had tot een persoonlijk essay kunnen uitgroeien, want zo’n ontmoeting en vriendschap is wel degelijk eenmalig – unieker dan in de anekdotische ruimte van een duizendtal woorden kan worden verteld.

Nu hebben de teksten de diepgang en de spanningsboog van de perfecte zaaltekst, zoals Blotkamp die voor de nieuwe opstelling van museum Boijmans van Beuningen schreef. Dat is een kunst op zich. In het imaginaire museum van Carel Blotkamp, bijeengebracht in Blikseminslag, spreekt hij zelf de audiotour in, zoals onlangs op de overzichtstentoonstelling van Pyke Koch in het Centraal Museum. Zijn spreken klinkt zachtmoedig en gedecideerd, peinzend en spontaan, dagdromend en nuchter, jeugdig en pedagogisch, naïef en erudiet. Een samengestelde stem dus, en zelfs de herkomst van zijn Nederlands valt moeilijk te plaatsen, een stem die nooit iets zal beweren waarvan hij zelf niet eerst de zin en de betekenis heeft bevraagd, een stem die vermoedt dat zijn bescheidenheid schijn is, maar weet dat er zonder schijn niet te leven valt.

Als kunstkijker wil Blotkamp open blijven staan voor nieuwe ontdekkingen en inzichten, en in zijn teksten doet hij daar verslag van, ondanks het overschot aan ervaring waarover hij beschikt. In het voorwoord stelt hij: ‘De enige remedie [tegen de routine] is proberen amateur te blijven, in de oorspronkelijke betekenis van dat woord, liefhebber dus.’ Toch kan alleen een liefhebber scherp zien met behulp van de in decennia opgedane, vaak heel praktische kennis. Door vakkundig te kijken ontrafelt Blotkamp de schilderstechniek (verfroller, brede kwast, licht aangedrukt plakband) op Barnett Newmans Right Here; door scherp te lezen schept hij ruimte voor de betekenis van het woord ‘meaning’ in de kunstenaarsteksten en het oeuvre van Marlene Dumas; en uit zijn herinnering put hij werk van Marinus Boezem, die in 1969 een vliegtuigje inhuurde om de hemel boven de haven van Amsterdam met zijn achternaam te signeren – een machtig kunstwerk voor de duur van een seconde of tien. Blotkamp schrijft met bewondering over de meest uiteenlopende kunstenaars, en springt daarbij zuinig om met kritiek – hooguit in een bijzin, en nooit zonder een teken van respect, wijst hij op zwakke plekken en punten in geleverd werk: de randen op de doeken van Karel Appel, de overgang tussen romp en hoofd bij de beelden van Henry Moore, de patriarchale tendensen van De Stijl.

 

• Blikseminslag. Stukjes over kunst van Carel Blotkamp verscheen in 2018 bij Waanders. ISBN 978-94-6262-151-0.