Marc Kregting

DE WITTE RAAF

Editie 195 september-oktober 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

‘Ik stop niet eer ik het heb verwezenlijkt’

Over Verhalen en reflecties van Axel Vervoordt

Op de achterflap van Verhalen en reflecties, vorig jaar uitgebracht ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag, staat dat Axel Vervoordt ‘geen waarde’ hecht ‘aan de laatste trends’. Die licht pleonastische combinatie van substantief en adjectief is gerecycled. Aan het begin van de eeuw gebruikte de Belgische kunsthandelaar en tentoonstellingsmaker haar zelf in één van de schitterende boeken over zijn smaak. Daarna werd ze overgenomen door een cultuurpolitiek overzichtsblad, met een extra adjectief: ‘n’attache aucune importance aux dernières tendances’. Niet alleen cureert Vervoordt zijn gedachtegoed, er kan geen misverstand bestaan over zijn bedoelingen. Beletseltekens in de volgende achterflapzin intimideren bijna: ‘Zijn smaak is gericht op meerdere eeuwen, continenten en periodes…’. Ook dat blijkt een auteursuitspraak, waarvoor de eerste in de derde persoon was veranderd.[1]

Hier wordt een kunstbenadering voorgelegd die breed en onthecht is. De pluriformiteit van Vervoordts smaak moet berusten op een kennis van tradities. In Verhalen en reflecties wordt bericht dat hij autodidact is, leergierig en reislustig. Laatstgenoemde eigenschap steunt de onthechtheid, omdat Vervoordt laat uitschijnen dat bij een kunstliefhebber artistiek-maatschappelijk nut minder telt dan persoonlijke groei. Vastgestelde overeenkomsten tussen objecten uit het verleden abstraheert hij tot ‘de essentie’. Zij brengt hem in balans met zichzelf.[2]

Dat streven naar evenwicht en verbinding keert terug in de waarden die Vervoordt toekent aan kunst. Hij zoekt ‘universele verbanden tussen verschillende genres over geografische grenzen en tijd heen’. Geslaagd werk demonstreert beproefde verhoudingen, waarvan de gulden snede het bekendst is. Maar ook imperfectie en bescheidenheid kunnen doorslaggevend zijn. Bij elkaar hebben Vervoordts kunstobjecten het eclecticisme van hun verzamelaar gemeen, die in zijn ‘passie’ alles lijkt te adoreren, behalve hol formalisme. Zelf onderscheidde Vervoordt al vroeg drie fascinaties, met afzonderlijke uitwerkingen. Ten eerste hedendaagse en oosterse arte povera, die aanzet tot meditatie en natuurzin. Daarnaast architectuur, die harmonie vertegenwoordigt. En ten slotte barok, zowel opgesmukt als landelijk, die het goede leven met vrienden memoreert.[3]

Het overkoepelende effect van kunst bij Vervoordt is heilzaamheid. Desgewenst toont het ‘patina’, nog zo’n weerkerend begrip, dat vroegere gebruikers gedurig en tevreden met het object hebben verkeerd. Vervoordt trekt die affiniteit door naar de voorkeur die hij van jongs af voor oude mensen had, wegens hun kennis en herinneringen. Aan het patina op zeventiende-eeuws Mingporselein uit een scheepswrak verbindt hij consequenties, waaruit blijkt dat verstreken tijd zelfs schepper is geweest: ‘De ooit schitterend blauw-en-witte kleuren waren nu zacht en verbleekt. Maar dat is precies wat ik mooi vind. Ik heb liever mat dan glanzend. […] De natuur gaf het oorspronkelijke werk een nieuwe dimensie.’[4]

In zijn kunstkeuzes poetst Vervoordt, naar zijn overtuiging handelend in antiek dat hedendaags en toekomstig is, cultureel verschil secuur weg om een maximaal bereik te krijgen.[5] Zijn website weerspiegelt die aspiratie. Te vinden zijn daar louter de wereldtalen Engels, Mandarijn en Russisch. Dat lijkt geen politiek statement, maar een kwestie van inschikken. Meedoen van Vervoordts kleine moedertaal zou, hoewel hij het woord nooit in de mond heeft genomen, narcistisch zijn. Voor het geringe en nabije is wel plaats als individueel surplus. Verhalen en reflecties onderstreept dan ook tweemaal het statuut van ‘de emotionele waarheid’. Zijn schoonzoon Michael James Gardner heeft haar als geheel opgetekend, zodat het boek gesproken memoires omvat. En zoals in al Vervoordts publicaties wordt de tekst geassisteerd door foto’s van de auteur, zijn familie, dieren en collectie.[6]

Of die houding nu inclusief of annexerend moet heten, ze komt voort uit het niet-erkennen van grenzen. Dankzij de pretentieloze ambachtelijkheid en puurheid door de eeuwen heen opent zich, is Vervoordts overtuiging, bij objecten en tentoonstellingen een zekere magie, die hij op zijn publiek probeert over te planten. De verbinder blijkt een heler: ‘Het is mijn taak om het overbodige te elimineren en de essentie van de dingen naar boven te halen, objecten een betere plaats te geven en ruimten te ontwerpen die mensen gelukkig maken.’ Aan Vervoordts diverse activiteiten mag zogezegd een prijskaartje hangen, ze hebben filantropische trekken. Dat niet alleen voor design maar ook voor kunst het geluk van klanten wordt benoemd, is zeldzaam. Elimineren is wél een notoire artistieke activiteit, waarbij less more is en schrijven schrappen. Alles dient hier een zuivere ervaring bij de ontvangende partij. Vervoordt onthoudt daarbij de lessen van kunstenaar Jef Verheyen en neuroloog-kunstverzamelaar Jos Macken, die vrienden werden en die hij in al zijn publicaties dankbaar vermeldt: ‘Ze zeiden me nooit decoratief te zijn – om dat koste wat het kost te vermijden. Decoratief zijn is dingen doen alleen maar om anderen te behagen, schoonheid omwille van de schoonheid creëren.’[7]

Bij een helende presentatie worden kijkers omgeven door geschiedenis die verhalen vertelt. Echte kunst schept levenskunst, organisch, in een paradoxale illusie van onbemiddeldheid. Vervoordt zet er de term ‘volledig’ voor in.[8] Behalve onthechting moet een authentiek object verdieping teweegbrengen die van een uiterste eenvoud is, in een moment dat eeuwig duurt. Men waant zich vrij en ervaart een ruimte waarin zich alle tijden tegelijk manifesteren door de sensatie van een aanwezige afwezigheid. De eerste sporen van zo’n artistieke leegte zijn volgens Vervoordt te vinden in de Spaanse grot El Castillo, waar 40.000 jaar geleden een onbekende een afdruk van zijn hand achterliet.[9]

Interessant is dat Verhalen en reflecties ook een voorbeeld geeft van kunst die niet heelt. In zijn militaire diensttijd, aangegaan omdat een universitaire studie economie binnen klaslokalen hem niet lag, kocht Vervoordt voor een zacht prijsje het schilderij La Mémoire van René Magritte. Het laat een klassiek gebeeldhouwd hoofd zien dat bloedt bij het rechteroog. Na verloop van tijd begon het doek de jonge Vervoordt te storen. ‘Er was te veel negatieve energie.’ Daarom verkocht hij de Magritte door. Dat hij daarbij een aardige winst maakte, doet voor Vervoordt minder ter zake, anno 2017.[10] La Mémoire liet hem niet ontsnappen aan de wereld en confronteerde hem veeleer met strijd. Later zou hij na kennismaking met Chinees taoïsme, Japans zenboeddhisme en Koreaanse filosofie beseffen geen voeling te hebben met wat ‘agressief’ is.

 

Een gouden tijdperk

Zijn eerste publieke daad verricht Vervoordt eveneens tijdens zijn dienstplicht. Hij koopt elf vervallen zestiende-eeuwse huizen in de Antwerpse Vlaeykensgang, pal in het centrum. Van het stadsbestuur mag hij ze slopen. Maar hij kiest voor een proces van restauratie, dat hij principieel huldigt boven renovatie.[11] Zoiets vergt behalve veel tijd natuurlijk ook veel geld. Toch financiert de jonge Vervoordt alles zelf. Noodgedwongen, want de minister tot wie hij zich wendde voldeed slechts aan het cliché van een verkwistende overheid. De bijbehorende anekdote staat in Verhalen en reflecties, waar de aankoop van de Vlaeykensgang is gedateerd op Pasen 1969. Volgens In het spoor van wabi en andere bronnen gebeurde dit nog in 1968. In het jaar van studentenopstanden in onder meer Parijs en Leuven, toen alles anders moest, zette de net volwassen Vervoordt zich dus aan restauratie. Hij karakteriseert de beladen jaren zestig als ‘een gouden tijdperk voor het vinden en kopen van het mooiste Engelse en Europese meubilair en decoratieve kunst uit de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw’.

De ongevoeligheid voor trends zat er in elk geval jong in. Uit Verhalen en reflecties valt te begrijpen dat Vervoordt zich verdiepte in klassieke muziek en opera, terwijl zijn leeftijdsgenoten ‘geobsedeerd’ raakten door The Beatles. Van jazz hield hij niet. In al zijn teksten onthult hij de bron van wat hem raakt, hoe ongelooflijk en onverwacht ook: de intuïtie. Zij is kennis vóór kennis, begrijpen voorafgaand aan begrijpen, en kan daarom nooit collectief ageren: ‘Een persoonlijke filosofie die je alleen vindt in het diepste van de ziel. Een geheel eigen manier van kijken, zien en denken. Er zijn geen grenzen, geen beperkingen, geen begin, geen einde. Dat betekent ook dat er geen zuivere en vaststaande regels zijn, geen dogma’s of conventies.’[12]

Of dit nu new-agedenken of hyperindividualisme is, het ademt op paradoxale wijze objectiviteit. Vervoordt ontkoppelt zich van de wereld, om autonoom en onbevooroordeeld zijn keuzes te maken. Schijnbaar doet hij dat onder het gesternte van de Verlichting. Niet voor niets staat in zijn boekencollectie ‘de eerste editie van de grote Diderot Encyclopaedia’. Toch regeert hier evengoed een emotionele waarheid, van waarachter Vervoordt niet besmet denkt te kunnen worden door een ideologie of religie. Hij verklaart zich zelfs immuun voor bovenpersoonlijke ideeën. Bijvoorbeeld door te garanderen dat zijn tentoonstelling TRA uit 2011 politiek noch dogmatisch is, maar aan bezoekers de keuze biedt zich te openen voor nieuwe mogelijkheden.[13] Deze anti-ideologie positioneert Vervoordt als ideologische gids. Zijn collectie is een supermarkt met een schier oneindig gamma, afgebakend door persoonlijke voorwaarden.

Bij Vervoordt is ‘kiezen’ waarlijk een werkwoord. Daarmee toont hij zich een zoon van zijn moeder, aan wie in Verhalen en reflecties het openingshoofdstukje is gewijd. Zij leerde hem ‘dat je in het leven kunt winnen en verliezen, maar uiteindelijk kun je altijd kiezen. Winnaars zijn mensen die hun winst en verlies in beide handen nemen, maar slechts met de winst verder blijven spelen.’ Axels aanschaf van de Vlaeykensgang geschiedde in de geest van zijn moeder, die ook oude huizen kocht en restaureerde met filantropische bijbedoelingen. Zij deed haar aankoop bovendien op basis van wat hij kwalificeert als een ‘impulsief initiatief’.

In zijn hang naar soberheid en evenwicht kan Vervoordt het zich permitteren kosten noch moeite te sparen. Hij deed op vijftienjarige leeftijd zijn eerste grote kunstaankoop, in Engeland. Fair vermeldt hij dat hij er een lening voor afsloot bij zijn vader, een succesvol paardenhandelaar (de Vervoordts staan in de top 500 van rijkste Belgen). Sindsdien werd de kloof tussen grootverdieners en modale werknemers slechts dieper, zodat het kopen van één huis ook voor middenklassen niet meer is weggelegd. In zo’n groeiend machtsonevenwicht valt er niet veel te kiezen, laat staan met winst te spelen, voor wie geen fortuin geërfd heeft. Dat is meteen de centrale stelling waarmee de Franse econoom Thomas Piketty in zijn boek Le Capital au XXIe siècle uit 2013 de wereld opschrikte: net als in de negentiende eeuw brengt familiekapitaal meer op dan arbeid. Aldus fundeert Vervoordt, het tegenovergestelde van een luierik, zijn praktijk terecht op historische continuïteit.

Hem valt het niet aan te rekenen dat hij geboren werd in een vermogend gezin, maar het is even redelijk te wijzen op mensen die, omdat ze niets meer te verliezen hebben, een reis ondernemen om elders een huis te bouwen. Ze krijgen dan allerlei etiketten opgespeld, waarvan ‘vluchteling’ het gunstigste is. Hopelijk zijn ze even onbevreesd als Vervoordt, die door de Japanse kunstenaar Sadaharu Horio werd geprezen om zijn tariki hongan. Dat begrip uit het zenboeddhisme duidt op het vermogen om ‘jezelf in de hand van anderen [te] leggen’ en ‘op de kracht van anderen [te] vertrouwen om je dromen te verwezenlijken’. Is succes dus een samenspel? Zou de wereld meer of minder egalitair zijn wanneer ze werd bevolkt door Axels? Welke rol speelt coöperatie in zijn praktijk?

Vervoordt kan slechts zijn drijfveer openbaren: ‘Ik droom van iets en ik stop niet eer ik het heb verwezenlijkt.’ Zo kocht hij een eeuwenoud kasteel in ’s-Gravenwezel en onderwierp het, in zijn gekende mix van restaureren en elimineren, aan een meticuleuze ‘zuiveringsoperatie’. Vervoordts recentste verwezenlijking is Kanaal. Die naam staat voor een cluster van industriële gebouwen en silo’s aan het Albertkanaal, dat werd omgebouwd tot een ministad, inclusief permanente kunstwerken (zoals At the Edge of the World van Anish Kapoor), een galerie, lofts, kantoren en luxewinkels. Meteen een alternatief visitekaartje voor de gemeente Wijnegem, vooral bekend van het Shopping Center.

Al deze spirituele pleisterplaatsen ontbolsterden uit eigen vermogen. De symboliek is treffend dat Vervoordt, inmiddels pensioengerechtigd, zijn ene zoon een kunst- en de andere zoon een vastgoedtak laat beheren. Gelet op zijn accuratesse en de gulheid waarmee hij mensen laat delen in zijn geluk (het kasteel in ’s-Gravenwezel is publiek toegankelijk), schaadt hij derden niet die, eveneens buiten hun toedoen, een minder gunstige uitgangspositie hebben.[14] Maar neutraal zijn de kanttekeningen toch niet te noemen die Vervoordt plaatst bij actuele en historische voorvallen. Zoals bij de jaren zestig, die continuïteitshalve en ideologisch woelig waren: ‘Het was een minder gelukkige periode in de sociale geschiedenis van Engeland, omdat door de verlammende belasting op de erfenissen, veel grote en belangrijke landhuizen werden ontdaan van de rijkdommen die er gedurende eeuwen waren verzameld.’

 

De hedendaagse moraliteit

Axel Vervoordts carrière is een duurzaam succesverhaal. Het valt te begrijpen in termen van schaalvergroting. Tegelijk bestiert hij een familiebedrijf dat als een vlakke organisatie oogt. Zijn medewerkers, en hun eventuele klanten, mogen bijvoorbeeld dagelijks aanschuiven voor een lunch. Deze maaltijden zijn net als de kunstcollectie uitgebalanceerd en willen levensgeluk bevorderen. Ze staan onder toezicht van Vervoordts echtgenoot May, die ecologisch en holistisch verantwoord eten voorstaat. Gezondheid, sfeer en communicatie liggen dan in elkaars verlengde. Voor hun verband is een apart boek te raadplegen: Te gast bij May. Tafelen en koken volgens de seizoenen bij Axel en May Vervoordt. Ook daarin worden ontdekkingen gedeeld. May gaf op het kasteel in ’s-Gravenwezel, met een eigen kruiden- en groentetuin en boomgaard, al jaren vermaarde lunches en diners. Ze gebruikte daarbij onder meer een ovalen tafel met ruimte voor twintig personen, geplaatst in de nabijheid van een openhaardvuur. Daar startten in het weekend soms spontaan seminaries en de meest diverse ‘discussies over vragen, die variëren van de hedendaagse moraliteit, via de beste manier om brood te bakken, tot het creëren van grote opera’s’.

Hier dient zich weer een paradox aan. De Vervoordts geloven bij hun genereuze benadering van het bestaan niet in hiërarchie, maar deelname aan hun vieringen lijkt niet voor iedereen weggelegd. In primaire en secundaire publicaties vallen namen van vele beroemdheden en autoriteiten, gevoegd bij die van een enkele boer uit de kasteelomgeving. En hoe divers de tafelgesprekken ook zijn, onder dit filosofisch-cultureel frame blijft veel expertise uit de universiteit van het leven irrelevant.[15] De vrienden hebben steevast verstand van wijn; op alle foto’s van Vervoordts uitgelezen interieurs branden de kaarsen sfeerrijk (niet om licht te brengen) en de haard knus (niet om zich op te warmen).

De Vervoordts betonen zich gezegend in een permanente yin-yangtoestand. Toch is mevrouw degene die toeziet op deze balans door te beletten dat haar man een Icarus wordt. Tegenover zijn eeuwigheidsverlangen plaatst zij haar gehechtheid aan het tijdelijke.[16] Hij complimenteert haar scherpe oog voor stoffen en kleuren, zij completeert haar maaltijden met decoraties van de eettafel. Haar creativiteit, mag je daaruit afleiden, ressorteert onder zijn speelruimte. Vallen kunstenaars-vrienden-klanten daar evenzeer onder? Hoe ambivalent bijvoorbeeld is de loftuiting van architecte Hilde Daem: ‘De heerlijkste momenten met May zijn ’s morgens vroeg, vóór iedereen ontwaakt, wanneer ze zorgzaam het ontbijt klaarmaakt en reeds nadenkt over het middagmaal, waar de vriendentafel gedekt zal worden, waar we het best kunnen genieten van de zon of regenweer, welk bloemenkleuren de tafels zullen sieren.’[17]

Levenskunst heeft volgens Vervoordt nochtans minder te maken met kwaliteit dan met ‘de intentie om globaal te denken en lokaal te handelen […] het omarmen van de essentie van materialen en de dagelijkse menselijke interactie naar waarde schatten […] eenvoud, nederigheid, zuiverheid, nobelheid zonder sofisticatie, de schoonheid van imperfectie en onvolledigheid’. Dit is tevens zijn uitgebreide notie van de Japanse levensinstelling wabi, die hij pertinent geen modeverschijnsel of designtrend noemt. Zoiets zou immers zijn waardepatroon aanvreten. Zijn bestemming blijft Vervoordt vinden los van commerciële druk, wars van massaproductie.

Met wabi maakte Vervoordt kennis op een van zijn vele reizen. Weer een paradox. Ondanks zijn nadruk op het ecologische, mag bekend verondersteld worden dat het milieu aangetast raakt door vliegverkeer, ook wanneer dat als doel heeft om Oost en West te verzoenen. Of om huizen te bewonen, waarbij Vervoordt eveneens kan kiezen. Voor de winter beschikt hij over een chalet in de Alpen, ‘een originele, pretentieloze familiewoning, geïnspireerd op de lokale Zwitserse tradities van Wallis’. Deze stek hadden de Vervoordts zelf gevonden, omdat de makelaardij niet kon voldoen aan hun voorwaarden: zuidoost georiënteerd, een bergstroompje in de tuin, geen mast of paal te zien, gelegen in een mooi skigebied. Eveneens moest het chalet dicht bij een vliegveld liggen. Nog een paradox is het gebruik van oude materialen uit de omgeving, dankzij ‘plaatselijke vaklui’, in combinatie met een grote parkeergarage die Vervoordt onder het huisje uit de rotsen liet hakken, desgewenst ook voor het wagenpark van buren. Pas door dat opgeschoond uitzicht kon de familie tot rust komen. Want ‘waar kan dat beter dan in een eenvoudige berghut waar het fascinerende panorama de geest laat vliegen als een adelaar?’[18]

Vervoordts diagnoses en oplossingen zijn zo raak dat ze te denken geven. Volgens hem staat de eenentwintigste eeuw in het teken van recuperatie. We komen ruimte tekort doordat we dingen weggooien, zegt hij. Het kost steeds meer tijd en energie ze in hun natuurlijke staat te herstellen. Hij ziet daarom de noodzaak van hergebruik, waardoor materiaal kan worden omgeturnd tot kunst. Vanuit dat oogpunt richtte Vervoordt het M KHA opnieuw in, op verzoek van het Antwerpse museum zelf. Zijns inziens was het ‘niet bijster ontvankelijk’.[19] Met elementaire geometrische vormen bracht hij nieuwe energie en intimiteit in de modernistische zalen. De vroegere chaos betoonde misschien meer respect voor het heilige kunstenaarsgenie dan voor de gelovigen die het publiek zijn. Indien het museum een tempel is, dan ontwijdde Vervoordt het. Cruciaal voor hem was een thuisgevoel te scheppen, bijvoorbeeld door een wabi cube en een gratis toegankelijke leesruimte, als ‘ontmoetings- en reflectieplaats’.[20] Dit museum voor moderne kunst moest laagdrempelig worden. En doordat Vervoordt recuperatie-hout inzette gaf hij, ondernemer pur sang, aan de stad waarlijk een cadeau: ‘Er wordt al genoeg verspild bij overheidsopdrachten.’[21]

 

Een bitter morsig afvalding

Bij het respect dat Vervoordt voor anderen eist, is eerlijkheid jegens zichzelf inbegrepen. De verleiding is groot om rond die eigenschappen aanhalingstekens te zetten, omdat deze filantropie zich onmogelijk kan bevrijden van economie. Het zijn competenties. In de niet-ideologische ideologie worden ze meteen sleutelbegrippen, waarvan er al meer de revue zijn gepasseerd. Al deze woorden herbergen paradoxen. Over een lange periode verkondigt Vervoordt opvattingen die misschien niet consequent zijn maar wel consistent.

De vraag is wat er wordt geschapen en ervaren. In opdracht van een echtpaar met verschillende Europese huizen ontwierpen de Vervoordts het interieur van een pand aan een stuk van de Côte d’Azur dat ‘niets veranderd lijkt sinds de tijd dat Scott en Zelda Fitzgerald er verbleven. Het lawaai van het massatoerisme is op dit bevoorrechte plekje niet te horen. De zee is alleen bereikbaar via privépontons en er loopt maar één pad langs de zee: het pad van de douaniers.’ Het zijn frasen uit een catalogus, die door Vervoordt is geautoriseerd. Zo voelt het minder bezwaarlijk aan om verder te citeren dat de eigenaars ‘een sfeer [wilden] creëren van een oud familiehuis en de Vervoordts zijn er volledig in geslaagd die illusie te scheppen’.[22]

Mocht zo de suggestie rijzen dat hedonisme begin en eind is, dan klopt dat niet. Genot-om-het-genot heeft Vervoordt altijd afgewezen. Levensgeluk stoelt bij hem op een dermate grote vertrouwdheid met de omgeving dat men ermee samenvalt en zich kan verliezen. Met onthechting als doel lijkt er wel weinig tot geen ruimte voor lichamelijkheid, laat staan voor seksualiteit. Toch bezigt Vervoordt het woord ‘sensueel’, met een poëticale betekenis. Het verwijst dan naar het appel dat een kunstwerk zou doen aan primaire emoties, in plaats van aan cerebraliteit.[23] Nog meer draagvlak voor ‘de emotionele waarheid’. Wel vervallen op die manier intersubjectieve argumenten om het ene te verkiezen boven het andere.

Wanneer Vervoordt meer kunstwerken selecteert en laat bijeenkomen, zet hij ze naast elkaar zonder evaluerende signalen, maar met de goedkeuring van zijn smaak. Eventuele detailuitleg heeft hij uitbesteed aan specialisten. Doordat de voorwerpen deel uitmaken van een nieuwe omgeving gaan ze ‘goddelijke huwelijken’ aan. Kunstenaar-schrijver Travis Jeppesen rept van een ‘sacred orgy, in which hundreds of works copulate gracefully’.[24] Dát al die objecten voor instituties bijeengebracht kunnen worden door één man, Axel Vervoordt, bewijst dat ook de kunstensector geprivatiseerd is. En natuurlijk dat hij incontournable is geworden. De Japanse kunstenaar-vriend had gelijk, dat Vervoordt de gave van tariki hongan deelachtig is. De kunsthandelaar legde zijn lot in handen van vele anderen, met uiteenlopende expertises, en deze mensen hebben zijn vertrouwen niet beschaamd.

Vervoordts onderneming, met inmiddels een galerie in Hongkong, vormt het tegendeel van de winkelketen Action. Voor maximaal drie euro zijn daar in plastic verpakte nepsnuisterijen te koop uit ‘het verre Oosten’. Maar hoe verhouden zich Vervoordts activiteiten tot die van scharrelaars? Aan hen wijdde Elma van Haren in 2017 haar debuutroman Mevrouw OVO. Die afkorting staat voor Officiële Vuilnis Observant. De mevrouw struint haar buurt af op bruikbaar afval en nutteloze gevonden voorwerpen. Haar onderhuurappartement groeit daardoor in snel tempo dicht, zodat Vervoordts essentie er onvindbaar zou raken. Mevrouw OVO, oorspronkelijk Emilia, wordt verliefd op een getrouwde man uit het flatgebouw, aan wie ze een buiten aangetroffen blauwe bank wil schenken. Tijdens zijn afwezigheid laat ze jongeren het ding binnenbrengen en zijn clean witte ‘moderne’ bank verwijderen. Maar ze smijten veel meer weg uit de huiskamer, een eliminatie die ze legitimeert met de uitspraak dat hij van ‘bezielde spullen’ zou houden. Dit patina-argument herhaalt ze tegenover de verbijsterde man zelf. Bezieling is volgens haar de essentie, die zorgt voor ‘warmte, beschutting, een vredige omgeving’. Zeker harde werkers, redeneert mevrouw OVO, willen hun hoofd leeg kunnen maken op een ‘eigen veilige plek’. En, beweert ze tegen haar verhoopte lief: ‘ik wist gewoon dat die blauwe bank helemaal jou was’.

Natuurlijk schrijft Elma van Haren niet over Vervoordts gedachtegoed, maar haar groteske roman verheldert het wel. Mevrouw OVO’s huisvredebreukverklaring wordt niet geloofd. Ze vlucht in een bus en stapt uit bij een immens blauw gebouw, met grote gele letters. Eindelijk komt ze thuis, want herkent de diepe kleur van de bank. De naam blijft ongenoemd, maar ze valt voor de Ikea. In die multinational van de gelijkschakeling begint ze een nieuw illegaal leven als MWW (MeubelWegWijzer): ‘’s-Nachts vertel ik de meubels en voorwerpen verhalen hoe ze behandeld zullen worden als ze eenmaal gekocht zijn. Hondenharen, jamhanden van kinderen, koffie- en wijnvlekken, modderige voetafdrukken op de tapijten, omgevallen borden spaghetti op witte en gele bekledingen, bloedvlekken op het beddengoed. De onvermijdelijke slijtage. Als troost zeg ik erbij, dat ze karakter zullen krijgen door de jaren heen, dat het aan de oppervlakte zal komen wie een hart van goud heeft en wie een bitter morsig afvalding zal worden’. Het patinabegrip krijgt een nuance.

Anders dan Vervoordts moeder aanbeval kan mevrouw OVO alias Emilia niet kiezen. Ze blijkt een outcast die van haar therapeut heeft geleerd in zichzelf te geloven. Bij die professional belandde ze, blijkt ten langen leste, na het plegen van een dubbele moord. Gevoelsversperring mag daarvan de oorzaak geweest zijn, al haar woorden over haar huisvredebreuk wegens de blauwe bank raken door die ontdekking definitief futiel. Waarom is ze geworden wat ze is? Verdient ze, net als haar objecten en conform Vervoordts principe, een tweede kans?

Toen Emilia jong was, overleed haar vader. Ze groeide op met haar moeder, aan wie genoeg geld was nagelaten om te kunnen leven zonder baan en met dienstmeisje. De moeder degradeerde haar kind tot een project en wilde er een soort adel van maken, door en door beschaafd. Dat lukte niet, en snel viel Emilia veel straf ten deel. Het kind verzette zich, de strijd werd heftiger en ze belandde in jeugdinstellingen. Afgaand op psychologen als Paul Verhaeghe en Dirk De Wachter is de grillige mevrouw OVO niet uniek. Zelfredzaamheid blijkt geen product. Bij een groeiende ongelijkheid en de druk om te slagen, weten velen hun bestaan niet te grondvesten op persoonlijke verantwoordelijkheid. Ze raken depressief en voelen zich schuldig, mede door de aanblik van anderen bij wie the sky the limit lijkt. Die anderen bepalen de gemeenschap waaruit de mevrouw OVO’s zich voelen wegglijden.

Het is mooi dat Vervoordt ontdekt net als zijn moeder trots boven medelijden te prefereren, maar succes – dat eenvoudiger dan een fiasco trots kan baren – heeft niet iedereen in eigen hand. Feitelijk heeft hij dat, getuige Verhalen en reflecties, zelf ooit ondervonden. Toen Vervoordt, op zoek naar ‘een weekendverblijf’, op een kavel van een landgoed een vervallen orangerie kon huren en restaureren, mocht hij niets bijmaken buiten dat domein-in-een-domein. De landeigenaar herinnerde hem en zijn bouwlustige zoontje later aan die verordening en Vervoordt kookte van woede: ‘Ik vertelde May dat we nooit meer een huis zouden huren. Ik wilde niet dat een huisbaas mij nog de les spelde en wreed was tegen mijn zoon.’

 

Verhalen en reflecties van Axel Vervoordt en Michael James Gardner verscheen december 2017 bij Lannoo in een vertaling van Hilde Pauwels. De oorspronkelijke Engelse en Franstalige edities werden gepubliceerd door de Parijse uitgeverij Flammarion.

 

Noten

1 Meredith Etherington-Smith, Axel Vervoordt. Het Verhaal van een Stijl, Parijs, Assouline, 2001, p. 176; Paul Depondt, ‘Embellir sa demeure: L’art selon Axel Vervoordt’, Septentrion, nr. 1, 2009, pp. 67-69.

2 Ook binnen zijn publicaties zoekt Vervoordt evenwicht. Als boek over schaduw is In het spoor van wabi uit 2010, zei hij aan Residence (november 2013), de tegenhanger van Axel Vervoordt. Licht en Ruimte uit 2013.

3 Het Verhaal van een Stijl, p. 9.

4 Op de veiling van deze zogeheten Hatcher-collectie bij Christie’s in Amsterdam kocht Vervoordt samen met antiquair Betty Gertz (East & Orient Company, Dallas) de overgrote meerderheid van het porselein. Het is dan 1984 en Vervoordt haalt meer dan 7500 stukken binnen. Daarbij kreeg hij kramp in zijn rechterarm, ‘dus gebruikte ik mijn linkerarm om hem te ondersteunen, zodat ik kon blijven bieden’ (Verhalen en reflecties, p. 118). Mozes had voor zulke klussen Aäron en Hur.

5 In de Verboden Stad in China leken de oude deuren, vóór restauratie, volgens hem op schilderijen van Rothko (Het Verhaal van een Stijl, p. 42).

6 Ook interviews draaien uit op reportages van Vervoordts woonverblijven, waarbij tekst en foto’s stuivertje wisselen en journalisten en fotografen evenwaardig zijn. Zie bijvoorbeeld een zes pagina’s groot ‘Salutary Refinement’ in de bijlage ‘How to spend it’ van Financial Times, 3 december 2011.

7 Via Verheyen kocht Vervoordt bovendien op 26-jarige leeftijd zijn eerste Fontana aan. Door diens kerven in doek kreeg hij oog voor ‘een derde dimensie waaruit alles herboren zou worden. Noem het een soort kosmisch minimalisme’. (In het spoor van wabi, Tielt, Lannoo 2010, p. 8)

8 ‘Voor mij betekent het: ‘de volheid van de leegte’. Ik vul de lege ruimte van de toekomst met het volle van de stijl van het verleden. Ik behoud het beste en ik verwijder al het andere. Alleen het essentiële blijft bestaan.’ (Het Verhaal van een Stijl, p. 168)

9 Leap into the Void, Antwerpen, Axel Vervoordt Gallery, 2014, p. 7.

10 In Het Verhaal van een Stijl (p. 9) vertelt hij dit ‘prachtig schilderij’ te hebben gekocht voor 75.000 BF, tot afgrijzen van zijn vader die het ‘haatte’ en ‘vond dat ik er te veel geld voor had betaald. Uiteindelijk had ik het schilderij zo vaak bestudeerd, dat ik het ergens op de grond neerlegde in mijn kamer, ik kon er niet meer naar kijken.’ Een van vaders vrienden betaalde er vervolgens 375.000 BF voor. ‘Ik wou eigenlijk dat ik het niet had gedaan. Het is nu vele tientallen miljoenen frank waard.’

11 Armelle Baron: ‘Voor Axel betekent ‘restaureren’ niet ‘in de oorspronkelijke staat terugbrengen’, maar veeleer ‘opnieuw tot leven brengen’ met behoud van de sporen die de tijd heeft aangebracht.’ (Axel Vervoordt. Tijdloze Interieurs, Tielt, Lannoo, 2007, p. 39)

12 In het spoor van wabi, p. 11.

13 Axel Vervoordt, ‘Passages, Pilgrimages & Perspectives’, in: TRA. Edge of Becoming, Gent, MER Paper Kunsthalle, 2011, p. 4.

14 Volgens Marc Roosevelt is bij het echtpaar Vervoordt de grens tussen privé- en professioneel leven poreus, wat van het kasteel als geheel een ‘gesofistikeerde showroom’ zou maken (‘Antiek is meer dan chic. Over Axel Vervoordt’, Kunst & Cultuur, februari 1988, p. 9).

15 In Volkskrant Magazine (3 mei 2014) verdedigde Vervoordt zijn klant Kanye West op grond van diens ‘primitieve kracht’ om eerlijk te zijn.

16 In TRA heet May ‘important for creating the beauty of the ephemeral, necessary for a life of balance and harmony’. Komt het door zulke standpunten dat Axel door Mark Godfrey werd bestempeld als ‘one of Europe’s most catholic collectors and dealers’ in antiek en kunst (‘Out of the Past’, Artforum, september 2007, p. 398)?

17 Te gast bij May, Lannoo, Tielt, 2012, p. 136. Het boek begint met een inleiding door Axel, gevolgd door een voorwoord van May.

18 In het spoor van wabi, 231. Andere Zwitserland-gegevens in Tijdloze Interieurs, pp. 171-178. Vergelijk zijn credo: ‘Ik geloof in ruimte. Echte ruimte is heel belangrijk in de eenentwintigste eeuw. De wereld is zo klein geworden en ruimte zo schaars: je moet ze weten te creëren zonder grenzen, binnen een begrensd gegeven.’ (Het Verhaal van een Stijl, p. 124)

19 Knack Weekend, 16 april 2017. Burgemeester De Wever karakteriseerde het museum als ‘een massieve muur die vraagt om hier vooral niet binnen te komen’ (De Morgen, 23 februari 2018). Net als Vervoordts Kanaal was het M KHA-gebouw oorspronkelijk een silo; binnen een paar jaar verhuist het museum naar een nieuwe locatie in de buurt.

20 In INTUITION (Gent, MER Paper Kunsthalle, 2017) stelde Vervoordt dat kunst gaat over verbindingen (connections) tussen kunstenaar en werk, en tussen werk en publiek. In deze zesde en laatste tentoonstelling bij de Biënnale van Venetië expliciteerde hij zijn verlangen om de fundamenten voor een nieuwe beschaving te leggen, gebaseerd op traditie en ervaring.

21 Volgens Dirk Pültau was het transformatieproject echter ‘de duurste reclamecampagne ooit uit de geschiedenis van de Vlaamse kunstwereld’ (De Witte Raaf, nr. 189, 2017). Vervoordt is eveneens aangezocht om voor het nieuwe Antwerpse diamantmuseum een wonderkabinet in te richten.

22 Tijdloze Interieurs, pp. 77-78.

23 Geert Van der Speeten, ‘Alles van waarde is tijdloos. Venetië valt voor Axel Vervoordt’, De Standaard, 26 mei 2007.

24 Michael Paul, ‘Eeuwige schoonheid’, More Than Classic, maart 2013; Travis Jeppesen, ‘Intuition’, www.artforum.com/picks/intuition-72117.