Merijn Oudenampsen

DE WITTE RAAF

Editie 195 september-oktober 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De opmars van het nederconservatisme

1. Het conservatieve moment

In februari 2001 verscheen een al gauw veelbesproken essay in NRC Handelsblad. Daarin werd vol branie gesteld dat het ‘conservatieve moment’ was aangebroken. De auteur van het essay was Joshua Livestro, de toenmalige speechschrijver van Eurocommissaris Frits Bolkestein. Livestro schreef: ‘Er heeft zich in de afgelopen vijfentwintig jaar een ware revolutie voltrokken in het conservatieve denken in de Westerse wereld.’ Het werd tijd dat Nederlandse conservatieven daar de vruchten van zouden gaan plukken. ‘Het ideologisch erfgoed van de jaren zestig’ was uitgemond in ‘een oppervlakkige politieke correctheid, en een dieper gevoelde crisis van oude zekerheden’. De uitbreiding van de verzorgingsstaat sinds de jaren zestig en de daaruit volgende individualisering had ‘in de praktijk geleid tot het ondermijnen van de kerninstituties: het huwelijk, de kerk, de vereniging, de school en de universiteit’.[1]

Twee maanden eerder had Livestro samen met andere conservatieven een conservatieve denktank opgericht: de Edmund Burke Stichting, genoemd naar de grondlegger van het conservatisme, Edmund Burke. Zijn essay kon op bijval rekenen van Paul Cliteur, net als Livestro een teleurgestelde VVD’er en betrokken bij de Burke Stichting. Cliteur pleitte – opnieuw in NRC – voor een heuse conservatieve revolutie. Het progressieve gedachtegoed van de babyboomers had afgedaan, stelde hij vast, en daardoor was een terugkeer naar tijdloze conservatieve waarden als ‘natuurrecht, gezag, orde, law and order, veiligheid, kerk [en] gezin’ aanstaande. Cliteur beschreef de babyboomers als ‘voormalige revolutionairen die in hun revolutie volledig geslaagd zijn’, en stelde dat conservatieven eveneens een revolutie nodig hadden om de babyboomers te onttronen – ditmaal in de andere richting.[2] Het waren slechts openingssalvo’s van een groter conservatief ideeënoffensief.

Bart Jan Spruyt en Michiel Visser – medeoprichters van de Burke Stichting – publiceerden in 2003 het spraakmakende Conservatief manifest. ‘‘Links’ heeft ons land oneindig veel problemen gebracht en nu is het tijd dat ‘Rechts’ zijn wortels herontdekt om de schade te herstellen,’ schreven Spruyt en Visser. Alleen het conservatisme zou daartoe in staat zijn: ‘Het conservatisme is de aartsvijand van het linkse, progressieve denken. Het verwerpt de politieke correctheid, het multi­culturalisme en het waardenrelativisme die de jaren zestig ons hebben gebracht.’[3]

In dezelfde periode vond ook in Vlaanderen een opleving van het conservatisme plaats. In augustus 2003 publiceerde de toen nog relatief onbekende Bart De Wever van de N-VA een lofrede op het conservatieve gedachtegoed van Edmund Burke in De Standaard. In navolging van Burkes kritiek op de Franse Revolutie stelde De Wever dat mei ’68 eenzelfde soort ontsporing van de samenleving teweeg had gebracht, die door een conservatieve tegenbeweging moest worden rechtgezet. Mei ’68 was voor De Wever de ‘verzamelnaam voor de ingrijpende ommekeer die de westerse samenlevingen sinds de jaren zestig hebben gemaakt. Belangrijkste kenmerk daarvan is het steeds sneller wegsmelten van de sociale normering die gebaseerd was op de traditie van het christendom’.[4]

Onderdeel van deze stellingname tegen mei ’68 was scherpe kritiek op de gehele culturele sector, die door conservatieven als bron én als erfdrager werd gezien van de revolte van destijds. Frits Bolkestein ontvouwde een dergelijke analyse in een lezing die hij gaf in de Leidse Pieterskerk , in februari 2002. Puttend uit het werk van Amerikaanse neoconservatieven als Daniel Bell en Irving Kristol stelde Bolkestein dat het romantische, experimentele ethos van kunstenaars was geradicaliseerd in de eerste helft van de twintigste eeuw en zich verspreid had onder steeds grotere delen van de hoogopgeleide middenklasse. De kunstzinnige experimenteerdrift zou zo de inspiratie hebben geleverd voor de maatschappelijke experimenteerdrift van de tegencultuur van de jaren zestig: de hippies, de dropouts, de beatniks, de feministen en de radical chic. En in filosofische zin zou het geleid hebben tot het ontstaan van het postmodernisme. Bolkestein zag hierin een bedreiging van de westerse cultuur: ‘Doordat de tegencultuur in de massacultuur doordrong en het postmodernisme in de filosofie en de kunsten, kwamen de fundamentele waarden van het westerse beschavingsideaal in het nauw.’ Bolkestein riep dan ook op om ‘verdere aanvallen van tegencultuur en postmodernisme’ af te slaan.[5] Dit wantrouwen richting de culturele sector is een constante gebleken in het conservatieve denken.

De hierboven geschetste conservatieve wederopleving in de Lage Landen noem ik het nederconservatisme. Het is een beweging met een fundamenteel ambivalent karakter; het denken van de nederconservatief kenmerkt zich door een opvallende synthese tussen op het eerste gezicht tegenstrijdige denkbeelden. Er wordt voortdurend afgegeven op de babyboomers en de progressieve erfenis van 1968, die men ziet als bron van normverval en decadentie, maar dat gaat gelijk op met strijdbare oproepen om progressieve verworvenheden als homo- en vrouwenemancipatie te verdedigen ten opzichte van een externe vijand, met name de (conservatieve) islam. Dat betekende dus dat de universele Verlichtingswaarden, waar het conservatisme sinds de tijd van Edmund Burke tegen had gefulmineerd, nu opeens omarmd werden, of beter gezegd: in stelling werden gebracht tégen de islam. Nederconservatieven claimden progressieve verworvenheden namelijk als bewijs voor de superioriteit van de westerse beschaving, en ze stelden in één adem vast dat progressieven door hun cultuurrelativisme niet in staat waren gebleken om dit belangrijke westerse cultuurgoed te verdedigen.

Illustratief voor de idiosyncrasie van het nederconservatieve denken is het werk van Paul Cliteur, die eind jaren tachtig aan de Universiteit Leiden een proefschrift schreef over het conservatieve en neoconservatieve gedachtegoed.[6] Voortbouwend op het denken van Burke en de neoconservatief Leo Strauss formuleerde Cliteur een eigen visie die hij samenvatte met de term cultuurrecht. Edmund Burke had in zijn bekende polemiek tegen de Franse Revolutie en het universalistische Verlichtingsdenken gesteld dat mensenrechten historische verworvenheden zijn, en het product van afzonderlijke nationale culturen. Hij verzette zich tegen de universele rechten van de mens met een beroep op ‘de rechten van de Engelsen’, gebaseerd op hun ‘onvervreemdbaar erfgoed’.[7] Volgens Burke evolueren nationale tradities heel natuurlijk en op spontane wijze, en zijn universele mensenrechten daarentegen gevaarlijke abstracties. Kennis is op impliciete wijze vervat in bestaande gebruiken en daarom is het streven om de samenleving in te richten op grond van rationele beginselen tot mislukken gedoemd.

Het kernidee van Cliteurs proefschrift is dat de evolutionaire ontwikkeling van een cultuur kan leiden tot normen en waarden die superieur zijn aan die van andere culturen. In het Westen heeft die evolutionaire ontwikkeling geleid tot de formulering van de universele rechten van de mens, die vervolgens als maatstaf kunnen dienen om de ontwikkelingsgraad van culturen te beoordelen. Cliteur gebruikte het universalisme van de Verlichting dus op een instrumentele manier, en wel om een particularistisch discours van culturele superioriteit te construeren. Cultuurrelativisme was voor hem de steen des aanstoots:

Voor een cultuurrelativist kan van de superioriteit van één cultuur natuurlijk geen sprake zijn. Maar vanuit het perspectief van de universalist ligt het voor de hand dat die vraag wel degelijk beantwoord kan worden. Immers als er één corpus aan universele waarden kan worden omlijnd, is het niet onmogelijk dat tevens één cultuur kan worden aangewezen waarin die waarden grosso modo het beste worden beschermd. De cultuur waarin dat het geval is, is de beste cultuur. En ‘de beste’, is ‘superieur’.[8]

Cliteur, die in zijn eigen boeken het conservatisme typeert als ‘verzet tegen de Verlichting’, ontpopte zich zo tot prominentste vertolker van Verlichtingswaarden in Nederland, die hij in stelling bracht tegen moslims en progressieve ‘cultuurrelativisten’. Een vergelijkbaar discours vinden we terug bij voormalig VVD-leider Frits Bolkestein, die nauw met Cliteur samenwerkte bij de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD. Bolkestein had in de jaren negentig nog gesteld dat de emancipatiebewegingen van de jaren zestig en zeventig een ongewenst gevolg waren van het verlaten van de Heidelbergse Catechismus, dat wil zeggen de protestantse doctrine van de zondigheid van de mens.[9] Hij had het (klassiek conservatieve) standpunt gehuldigd dat het christendom de fundering was van de westerse cultuur. Nu schaarde hij zich echter achter het universalisme van de Verlichting. In De intellectuele verleiding stelde hij dat met de Verlichting als maatstaf ‘zonder enige twijfel’ kon worden vastgesteld ‘dat de westerse beschaving na eeuwen van gruwelijke wandaden, nu ver voorloopt op de islamitische’.[10] In zijn boek Het kostbare weefsel, genoemd naar een uitspraak van Edmund Burke, ontvouwde Bart De Wever eenzelfde filippica tegen het cultuurrelativisme: ‘We moeten de evidente waarheid durven te zeggen dat een samenleving die uit de universele mensenrechten is geëvolueerd tot een democratische rechtsstaat met gewaarborgde gelijke rechten en vrijheden cultureel superieur is aan samenlevingen die deze evolutie (nog) niet doormaakten.’[11]

In zijn terecht geprezen boek over de moord op Theo van Gogh schreef Ian Buruma uitvoerig over deze contradictoire conservatieve politiek. Waar de conservatieven in het verleden cultuur en traditie verdedigden tegenover het progressieve universalisme, leken de rollen na 9/11 opeens omgekeerd. Nu waren het de (neo)conservatieven die zich beriepen op het universalisme, terwijl links het leek op te nemen voor (andere) culturen en tradities. Zo werd de Verlichting de banier van een conservatieve politiek:

Omdat het secularisme te ver is doorgedrongen om de autoriteit van de kerken terug te brengen, hebben conservatieven en neoconservatieven zich verbonden aan de Verlichting als symbool van onze nationale en culturele identiteit. De Verlichting, in andere woorden, is de naam geworden van een nieuwe conservatieve orde, en haar vijanden zijn de buitenlanders, wiens waarden we niet kunnen delen.[12]

 

2. Situationeel conservatisme

Het is vervolgens de vraag of een dergelijk eclectische politiek nog voor conservatisme kan doorgaan. Er is een prominente interpretatie van het conservatisme waarin deze vraag juist een bewijsplaats wordt. Deze ‘situationele’ benadering van het conservatisme stelt dat een dergelijke hybride politiek niet de uitzondering is binnen de conservatieve traditie, maar eerder de regel. We vinden die benadering terug in het werk van zeer verschillende denkers en historici als Samuel Huntington, Corey Robin, Hermann von der Dunk en Ernst Kossmann. De grondhouding van de conservatieve politiek, bezien vanuit dit perspectief, kenmerkt zich niet door starre behoudzucht, maar juist door een tactische, vernieuwende politiek waarbij regelmatig ideeën van de progressieve tegenstander worden toegeëigend om de eigen slagkracht te versterken. Met gevoel voor dialectiek eigen aan een Duitse emigré, beschrijft Von der Dunk dit als ‘het dubbelaspect van elke geestelijke stroming, die altijd tegelijkertijd voortzetting én negatie is van de stroming waar ze zich tegen richt’.[13]

De locus classicus van dat argument is Karl Mannheims essay over het conservatieve denken, oorspronkelijk gepubliceerd in 1927. Mannheim beschreef het Duitse romantische conservatisme als een intellectuele contrarevolutie, een reactie op het radicale Verlichtingsdenken van de Franse Revolutie. Hij maakte daarbij het nuttige onderscheid tussen traditionalisme en conservatisme. Traditionalisme is de inherent menselijke neiging om te willen behouden wat men in bezit heeft en waar men bekend mee is. Dit leidt tot weerstand tegen mogelijke veranderingen. Conservatisme is het resultaat van een politisering van traditionalisme, en komt voort uit een specifieke historische situatie. Op het moment dat traditionele levenswijzen naar eigen invoelen worden bedreigd, op het moment dat een radicale hervorming of zelfs een revolutie ophanden is, staan er groepen op die het traditionalisme van een bepaalde periode uitwerken tot een doctrine en een politieke beweging.

In de achttiende eeuw nam die bedreiging de vorm aan van het progressieve, rationalistische denken van de Franse Revolutie én het opkomende burgerlijke kapitalisme. Oude tradities die onder de aristocratie, de boerenstand en de middenstand tot bloei waren gekomen, werden nu geprezen en geschaard onder het banier van de contrarevolutionaire beweging. Het was een strijd, in de bewoordingen van de conservatieven, van gemeenschap versus samenleving, familie versus contract, intuïtie versus ratio, het spirituele versus het materiële. Een grotendeels gevoelsmatige en onuitgesproken visie werd uitgewerkt tot een bewust uitgewerkt stelsel van ideeën – en vervolgens in woord en daad bevochten.[14]

Door het karakter van het conservatisme als een ‘intellectuele contrarevolutie’ tegen de Verlichting heeft het een aantal belangrijke filosofische argumenten meegekregen die conservatieven door de eeuwen zijn blijven herhalen. Verlichtingsdenkers stelden dat de mens verbeterd kon worden door een combinatie van wetenschappelijke ontdekkingen, beter en breed toegankelijk onderwijs en sociale hervormingen. De mens moest voor zichzelf gaan denken en daardoor emanciperen, bevrijd van bijgeloof, irrationalisme en religieuze dogma’s. In reactie hierop formuleerde het conservatisme een in wezen pessimistisch mensbeeld, door de Amerikaanse conservatief Viereck beschreven als een ‘politieke secularisatie van de erfzonde’.[15] De mens zou inherent tot het kwade geneigd zijn. Dit is de reden dat traditionele gezagsverhoudingen cruciaal zijn voor conservatieven, zowel in het publieke domein als in het privédomein. Dit sceptische mensbeeld is het terugkerende argument bij het conservatieve pleidooi voor law and order en vormde, hoe contradictorisch op het eerste gezicht ook, de basis voor het conservatieve streven naar meer marktwerking en concurrentie, met een beroep op Mandevilles dictum ‘publieke deugd, private zonde’. Voor sommige conservatieven, zoals Strauss en de vroege Fukuyama, leidde een dergelijke visie zelfs tot pleidooien voor de weldadige effecten van oorlog, die nobele instincten als opofferingsgezindheid in de mens zouden oproepen.[16]

De Verlichting kende een eigen kennisleer. Verlichtingsdenkers stelden dat op basis van de rede universele principes geformuleerd konden worden, waarmee de samenleving op een logische, efficiënte en rechtvaardige wijze te organiseren viel. Zij namen daarbij expliciet stelling tegen het oude, repressieve systeem dat uit de feodale tijd stamde. Het conservatisme stelde hier een eigen sceptische epistemologie tegenover: kennis was altijd impliciet vervat in tradities, in de ervaring en intuïtie, waardoor de mens slechts beperkt toegang heeft tot (feilbare) kennis. Daarnaast werd het universalisme van de Verlichting tegengesproken omdat conservatieven de nadruk legden op de uniciteit van individuen en nationale culturen. De samenleving was immers een complex organisme, het resultaat van geleidelijke evolutie, en kon niet gevangen worden in eender welke rationele mal. Zij bestond bij de gratie van een delicate balans, die onherstelbaar beschadigd zou worden door grootschalige verandering.

Mannheim legt de nadruk op de tactische aard van deze overtuigingen; het zijn veeleer positioneringen. Volgens zijn situationele benadering is het conservatisme een zeer flexibele ideologie, die zich veel duidelijker uitspreekt over waar het zich tegen keert dan waar het (in positieve zin) voor staat. De politieke filosofie van Burke bijvoorbeeld, stelt E.H. Kossmann in Over Conservatisme (1981), is een zoektocht naar de vraag ‘in wat voor stijl en met wat voor argumenten zij [de Franse Revolutie] het beste bestreden kon worden’.[17] Deze grote plooibaarheid maakt een breed scala aan reacties mogelijk op allerhande politieke bedreigingen, gaande van gematigde hervormingen tot contrarevolutionaire agitatie.

 

3. Het conservatieve temperament

De historicus Klaus Epstein beschreef in zijn bekende studie over het Duitse conservatisme een drietal conservatieve temperamenten.[18] Allereerst is er de hervormingsconservatief, die revolutionaire verandering en radicale breuken met het verleden wenst te voorkomen door tijdige en gematigde hervormingen door te voeren. De hervormingsconservatief benadrukt continuïteit en tracht de progressieve politieke stellingnames in te passen in het raamwerk van bestaande tradities en instituties. Edmund Burke wordt over het algemeen gerekend tot deze hervormingsgezinde stroming, daarom ook wel burkiaans conservatisme genoemd. De hervormingsconservatief is niet gekant tegen verandering als zodanig, zolang die maar geleidelijk verloopt, volgens het motto: ‘Een staat zonder het vermogen om enigszins te veranderen heeft evenmin het vermogen om te behouden.’[19]

Ten tweede is er de reactionaire of de herstelconservatief, die een maatschappelijke orde uit het verleden als ideaal en natuurlijk beschouwt en dat verleden wenst terug te halen naar het heden. Burkiaans conservatisme was een antwoord dat geformuleerd werd vanuit de specifieke, Britse in de late achttiende eeuw, in een land dat afstand wist te bewaren tot het revolutionaire gewoel op het continent. In het postrevolutionaire Frankrijk echter was een burkiaanse oproep tot gematigdheid onzinnig. Daar ontwikkelde zich eerder een reactionair conservatisme, voornamelijk geassocieerd met de royalistische aristocraat Joseph de Maistre, die het revolutionaire regime wilde omverwerpen en de veranderingen wilde terugdraaien. Deze stroming van reactionair conservatisme loopt door in het werk van Maurice Barrès en Charles Maurras, waar het zich in het begin van de twintigste eeuw op de drempel van het fascisme begeeft.

Als derde identificeert Epstein de status-quoconservatief, die de bestaande orde accepteert maar geen verdergaande verandering wenst – een sceptisch conservatisme dus. Het Duitse, romantische conservatisme, gearticuleerd door Adam Müller en Friedrich Gentz, kan tot deze categorie gerekend worden. Het was nostalgischer van aard dan de burkiaanse stroming, vanwege een principieel verzet tegen de moderniteit, en een romantisch verlangen naar een (eroderende) hiërarchische orde. Dit conservatisme kwam op vanuit een machtspositie, het werd de ideologie van de aristocratische klasse van Junkers, en had niet het militante contrarevolutionaire karakter van de Franse tegenhanger.

Het conservatieve temperament, kunnen we concluderen met Epstein, wordt bepaald door twee fundamentele karaktereigenschappen. Allereerst is er de houding ten opzichte van de tijd: de wens om een geïdealiseerde samenleving uit het verleden te herstellen of om de bestaande orde te hervormen. Ten tweede de houding ten opzichte van politieke actie en dus van bestaande instituties: de prudente conservatief verdedigt passief de status quo of beklaagt het verval van de instituties. De militante conservatief gelooft daarentegen dat radicale actie noodzakelijk is om de bestaande instituties te hervormen of in oude glorie te herstellen.

Zo bezien is er nog een vierde ideaaltype, ter aanvulling op de driedeling van Epstein, namelijk het conservatisme dat uitgaat van de radicale hervorming van bestaande instituties. Jerry Muller noemt dit radicaal conservatisme en beschrijft het als ‘een revolte tegen de gevestigde instituties met een beroep op de noodzaak van [herstel van] gezag’. Dit conservatisme komt op – net als de reactionaire variant – wanneer instituties decadent of gecorrumpeerd zijn, of overgenomen zijn door de progressieve tegenstander. Waar de reactionair ernaar neigt om het ancien régime waar mogelijk te herstellen, daar beschouwt de radicale conservatief dat als een verloren zaak. Radicale conservatieven, zo stelt Jerry Muller, streven naar de ‘versterking van collectieve identiteit (van de natie, het Volk, het ras, of de religieuze gemeenschap) ten opzichte van een tweeledige bedreiging’. Er is een interne bedreiging, wanneer bestaande progressieve elites de collectieve identiteit ondermijnen, en niet meer in staat zijn het collectief nastrevenswaardige doelen te bieden. En er is een externe bedreiging: de bedreiging door buitenlandse actoren en ideeën.

Omdat dit type conservatisme zich tegen de bestaande instituties keert en een radicale hervorming wil doorvoeren, worden vele klassieke conservatieve principes, argumenten en thema’s overboord gegooid, of in radicaal andere banen geleid.[20] Voor Muller is het voorbeeld van dit ideaaltype de Konservative Revolution: de Duitse conservatieve stroming die zich tegen de liberale Weimarrepubliek keerde. Het Amerikaanse (neo)conservatisme heeft echter ook veel raakvlakken met een dergelijk radicaal conservatisme.

 

4. Het Amerikaanse (neo)conservatisme

In 1957 publiceerde Samuel Huntington ‘Conservatism as an Ideology’. Het essay verscheen in een tijd dat de progressief-liberale politiek van Roosevelts New Deal in de Verenigde Staten als een duurzame norm gezien werd, en de conservatieve beweging zich veroordeeld zag tot de marges van het politieke landschap. Het pragmatische leiderschap van de Republikeinse Partij was in die tijd nauwelijks conservatief te noemen. Huntington was op zoek naar een nieuw conservatief elan. Zich baserend op Karl Mannheim definieerde hij het conservatisme als ‘de ideologie die voortkomt uit een specifieke maar zich herhalende historische situatie waarin bestaande instituties geconfronteerd worden met een ernstige bedreiging, waarbij de verdedigers van die instituties de conservatieve ideologie hanteren om zich tegen die dreiging te wapenen’.[21] De auteur maakte niet enkel een academisch punt. Het essay bevatte een kritiek op een destijds nieuwe Amerikaanse conservatieve beweging – New Conservatism geheten – die volgens Huntington juist te ouderwets zou zijn en te ver zou afstaan van de moderne Amerikaanse samenleving. ‘Door hun principiële verwerping van het Amerikaanse politieke en sociale systeem is het voor hen onmogelijk om conservatief te zijn in de ware zin van het woord,’ stelde Huntington. Volgens hem ging het hier slechts om sceptische conservatieven, die een traditioneel elitisme en een afkeer van de moderniteit beleden, en die politiek gezien niet meer dan een historisch anachronisme waren.

Door de veelomvattende politieke consensus van de jaren vijftig was het echter moeilijk om in de progressieven (de ‘liberals’) een fundamentele bedreiging te zien die aanleiding zou kunnen geven tot een conservatieve levée en masse. Huntington was ervan overtuigd dat het zinloos zou zijn voor conservatieven om een bepaald segment van de Amerikaanse samenleving uit te spelen (te ‘verdedigen’) tegenover een ander segment. Alleen een externe dreiging kon de voedingsbodem verschaffen voor een conservatief reveil. Huntington concludeerde: ‘De enige dreiging die groot genoeg is om een conservatieve reactie op te kunnen roepen, is het gevaar dat uitgaat van het communisme en de Sovjet-Unie voor de Amerikaanse samenleving als geheel.’[22] Door het benoemen, onderstrepen en overdrijven van deze bedreiging zouden conservatieven uit kunnen groeien tot verdedigers en woordvoerders van de Amerikaanse samenleving.

Daarvoor was het wel noodzakelijk om sommige progressieve waarden over te nemen en actief te verdedigen. Huntington schreef dat Amerika, ‘een oase van overvloed en vrijheid’, het nodige te verdedigen had in een vijandige wereld. Het ging met name om de verdediging van Amerikaanse instituties, die van oudsher progressief, volks en democratisch waren. Ze konden, vervolgde hij, het beste verdedigd worden door degenen die het liberalisme, de volkssoevereiniteit en democratische besluitvorming hoog in het vaandel voerden. Huntington schreef provocerend: ‘In het Pruisen van 1820 waren de aristocraten de conservatieven, in het [Amerikaanse] Zuiden van 1850 waren de slaveneigenaren de conservatieven. Vandaag de dag is het de beurt aan de liberals om conservatief te zijn.’[23]

Huntington bepleitte met andere woorden een conservatieve verdediging van progressieve instituties. Dit betekende dat liberals hun progressieve agenda stop moesten zetten en het conservatisme moesten omarmen: ‘Deze verdediging vereist van Amerikaanse liberals dat zij hun progressieve ideologie terzijde schuiven en de waarden van het conservatisme accepteren zolang de dreiging duurt. […] Doorgaan met het uitdragen van het progressieve gedachtegoed geeft de vijand simpelweg een wapen waarmee het de liberale samenleving ten gronde kan richten.’[24] Huntington eindigde zijn essay door te stellen dat ‘hedendaags conflict, in plaats van eeuwenoude dogma’s, een nieuw conservatisme in het leven zal roepen dat werkelijk conservatief is’.

Het essay van Huntington is een krachtige illustratie van het radicale en innovatieve karakter van het Amerikaanse conservatisme. In het decennium dat volgde kwamen de burgerrechtenbeweging, het feminisme, the new left en de tegencultuur op, die door conservatieven gezien werden als een ‘interne’ bedreiging in aanvulling op de ‘externe bedreiging’ van het communisme. In de jaren zestig en zeventig zou een radicaal conservatisme ontstaan, dat de Amerikaanse samenleving volledig op de schop wilde nemen. Na de mislukte Republikeinse campagne van Goldwater in 1964 wist de beweging door te breken met Ronald Reagan als voorman. Huntington zou als neoconservatief denker een (bescheiden) deel van deze machtige beweging vormen.

Irving Kristol, vaak getypeerd als de ‘peetvader’ van het neoconservatisme, beschreef de neoconservatieven in de jaren tachtig als liberals mugged by reality. Het zijn dus, net als bij Huntington, progressieven die hun progressieve gedachtegoed terzijde hebben geschoven om conservatief te worden. In Kristols ogen was het neoconservatisme een intellectuele politieke onderstroom die sporadisch, als de tijd daarom vraagt, aan de oppervlakte komt. Het is geen ideologisch consistente beweging, maar eerder een conjuncturele reactie op een specifieke historische situatie. In een terugblikkend essay uit 2003, getiteld ‘The Neoconservative Persuasion’, sprak Kristol over een ‘historische opdracht’ van het neoconservatisme, namelijk de ‘bekering’ van de Republikeinse Partij en het Amerikaanse conservatisme in de bredere zin van dat woord tot een nieuwe vorm van conservatieve politiek die ‘geschikt is om een moderne democratie te besturen’. Dit nieuwe conservatisme, zo stelt Kristol, was geheel ‘in the American grain’: ‘Hoopvol, niet mistroostig, vooruitblikkend, niet nostalgisch; de algemene toon is opgewekt, niet verontrustend of chagrijnig.’ Kristol voegde daaraan toe dat er in Europa niet zoiets zoals het neoconservatisme bestaat, en dat Europeanen sowieso van mening zijn dat het ‘absurd is om naar de Verenigde Staten te kijken om iets op te steken over politieke vernieuwing’.[25]

Wat deze laatste twee punten betreft had Kristol het bij het verkeerde eind.

 

5. De botsing der beschavingen

Neoconservatieve bronnen vormden de basis van een vergelijkbare strategie in de Lage Landen in de jaren negentig en tweeduizend, zij het gericht op een andere dreiging dan het communisme. De val van de Berlijnse Muur in 1989 was een belangrijk omslagpunt. De implosie van het communisme, de aartsvijand waar de neoconservatieven zo eloquent tegen tekeer waren gegaan, leidde tot een verreikende intellectuele zoektocht naar een nieuw groot verhaal. Fukuyama’s these van het einde van de geschiedenis, uit 1992, was een poging tot het construeren van een dergelijk narratief. Een Pax Americana lag in het verschiet waardoor de wereldwijde ideologische strijd voorgoed ten einde zou komen en de mens een banaal bestaan zou moeten accepteren als decadente consument. Fukuyama zou echter snel overtroefd worden door de voormalige begeleider van zijn proefschrift, Samuel Huntington. In 1993 publiceerde Huntington het essay ‘The Clash of Civilizations?’, waarin hij de islam aanwees als nieuwe antagonist van het Westen.[26] De retoriek van de botsing der beschavingen hernam het oude vijandbeeld uit de Koude Oorlog – dat van een gecentraliseerde ideologische rivaal (de Sovjet-Unie) – en plakte dat op een diffuse wereldreligie die intern sterk verdeeld was. Zoals de vooraanstaande Franse islamdeskundige Gilles Kepel droogjes opmerkte, was de ‘islamitische beschaving’ meer met zichzelf in oorlog dan met het Westen.[27]

De these van de botsing der beschavingen werd het centrale referentiepunt vanaf de jaren negentig voor de ontwikkeling van het nederconservatisme. Pim Fortuyn speelde een niet te onderschatten rol daarin. Zijn wereldbeeld was sterk door zijn lectuur van Amerikaanse neoconservatieven bepaald. Toen hij zich in het jaar van zijn politieke doorbraak en moord voorstelde aan een groepje Amerikaanse journalisten, noemde hij zich ‘de Samuel Huntington van de Nederlandse politiek’.[28] Zijn neoconservatieve politieke visie had hij al veel eerder uitgewerkt, namelijk in zijn boek Tegen de islamisering van onze cultuur (1997). Zelfs in zijn formuleringen klonk Huntington door:

Het wegvallen van de vijand, het staatssocialisme, laat ons echter achter als een keizer zonder kleren. Onze eigen energie, positieve instelling en identiteit waren te veel verward geraakt met het beeld dat wij ons van het land hadden gevormd. Wij waren alles wat zij niet waren. Het blijkt moeilijk om, als dat beeld wegvalt, een beeld van onszelf op te bouwen, waarin wij in positieve en negatieve termen zeggen wie we zijn, wat we willen, wat ons drijft en waar we vandaan komen.[29]

Het probleem waar Fortuyn zijn boek mee opende, was niet de islam; het was de identiteitscrisis waar het Westen mee worstelde. Hierin valt dan weer Fukuyama’s sombere analyse uit The End of History te herkennen: na de Koude Oorlog zijn de bewoners van het Westen veroordeeld tot een zinledig leven, gedoemd tot een bestaan als Nietzsches laatste mens. Fukuyama stelde dat ‘de wereldwijde ideologische strijd lef, moed, verbeelding en idealisme had voortgebracht’. Na het einde van de geschiedenis zou dit vervangen worden door ‘economische berekening, het eindeloos oplossen van technische en milieuproblemen en de bevrediging van geavanceerde consumentenbehoeften’.[30]

Op vergelijkbare wijze portretteerde Fortuyn de wereld van het kapitalisme na de implosie van het communisme, namelijk als ‘als een groot feest, zonder verdriet, contemplatie en idealen, die het persoonlijke welbevinden ontstijgen’.[31] De emancipatie van het volk en het gebrek aan een ideologische opponent hadden geleid tot een immoreel individualisme. Er waren geen grote emancipatiebewegingen of grote verhalen meer om in te geloven. Het ontbreken van een collectief verband en een gedeeld kader van normen en waarden had het Westen ernstig verzwakt. Door nu het communisme als vijandbeeld te vervangen door de islam, zou het Westen erin slagen haar identiteit en haar doel opnieuw te definiëren. Fortuyn prees Reagans benaming van de Sovjet-Unie als ‘het rijk van de duivel’. Hij noemde dit een ‘zeer succesvolle strategie die beslist voor herhaling vatbaar is’, daar waar het de islam betrof.[32] Fortuyn eindigde het boek met een oproep tot een ideologische campagne tegen de islam, die ‘onverenigbare’ verschillen zou kennen met het Westen.

Hendrik Jan Schoo, de hoofdredacteur van Elsevier die een belangrijke invloed had op Fortuyns neoconservatieve wending in de jaren negentig (Fortuyn was columnist van het blad), zou later goedkeurend vaststellen dat de Fortuyn-revolte vergeleken kon worden met het Amerikaanse neoconservatisme.[33] In zowel de Amerikaanse als de Nederlandse politieke context zag Schoo een gemoderniseerd, aangepast conservatisme, dat zich tegen de idealen van de jaren zestig gekeerd had en het vermogen van mensen benadrukte om hun eigen lot te bepalen zonder de verzorgingsstaat, wat zou leiden tot een nieuw moreel kader van de samenleving.    

 

6. De nedercons

In de jaren rond de Fortuyn-revolte verscheen een nieuwe vorm van conservatisme op het Nederlandse toneel, die beantwoordde aan Mullers karakterisering van radicaal conservatisme als een ‘versterking van collectieve identiteit’ ten opzichte van een tweeledige bedreiging. Zoals Bart Jan Spruyt stelde: ‘Er is de dreiging van buiten van de antiwesterse ideologie van de islam in zijn politiek-theologische uitwerking. Er is het verlammende relativisme dat ons van binnenuit bedreigt, en dat altijd uitmondt in containment en appeasement.’[34]

Bart Jan Spruyt citeerde het pleidooi van de neoconservatief Hillel Fradkin voor een ‘nieuwer en sterker liberalism’, dat in staat is om de liberale samenleving te verdedigen tegen de vijanden en gevaren die haar bedreigen. Het liberalisme was niet in staat om een moreel raamwerk te genereren om zich te verdedigen. De ‘premoderne’ bijdrage van het conservatisme was noodzakelijk ‘om het liberalisme voor zelfmoord te behoeden’.[35] Spruyt beschreef het als zijn missie om een neoconservatieve beweging te ontwikkelen in Nederland, bestaande uit een alliantie tussen de restanten van ‘de christelijk-conservatieve traditie en de tot de werkelijkheid bekeerde liberalen’.[36] Toen Geert Wilders zich in 2003 afsplitste van de VVD, werd Bart Jan Spruyt zijn voornaamste politiek adviseur. Spruyt zou Wilders in januari 2004 vergezellen tijdens een bezoek aan neoconservatieve denktanks in de VS. Vervolgens werd hij de huisideoloog van de PVV en schreef de eerste programma’s en manifesten van de partij.

Paul Cliteur huldigde een soortgelijke opvatting toen hij stelde dat in de Nederlandse ‘post-revolutionaire’ context, waar progressieve waarden domineren, een traditioneel burkiaans conservatisme niet voor de hand ligt en het neoconservatisme overtuigender is:

Burkiaans gedachtegoed is het meest overtuigend wanneer men naderend onheil nog kan áfwenden. Dat ligt heel anders wanneer men schrijft en denkt in een postrevolutionaire fase waarbij de revolutie dingen heeft gebracht die niet als een verbetering zijn te beschouwen. […] Wij, hier in Europa, net als in de Verenigde Staten, leven ook in een post-revolutionaire fase. Mei ’68 zit op het pluche. […] Dat is de context waarin Amerikaanse neoconservatives als Irving Kristol, Norman Podhoretz, maar ook de Nederlandse Burke Stichting heeft te opereren.[37]

Ook de conservatieve sociaaldemocraat Jos de Beus sprak zich uit voor een vernieuwing van het conservatisme in Nederland, geënt op het Amerikaanse neoconservatisme. De Beus bekritiseerde de leden van de Edmund Burke Stichting omdat zij niet Amerikaans genoeg zouden zijn: ze dachten namelijk nog te traditioneel en waren met hun conservatief-morele opvattingen te ver verwijderd van de dominante Nederlandse normen en waarden om zich op te werpen als beschermers daarvan. Hun autoritaire conservatisme, schreef De Beus, met haar ‘sombere mensbeeld, tragische geschiedenisfilosofie, sceptische benadering van de politiek en de menselijke rede’ zou nooit kunnen aanslaan in Nederland. De lichtheid van het Amerikaanse conservatisme met haar optimisme, haar commercie, en ‘zelfs democratische participatie’ waren noodzakelijk om aan populariteit te winnen. De Beus erkende dat er grenzen waren aan ‘deze hele [Amerikaanse] vernieuwing van het conservatisme’, maar desalniettemin stelde hij vast dat het conservatisme in Nederland ‘enkel van de grond komt als zij bepaalde elementen van het oude Europese conservatisme afleert en bepaalde elementen van het Amerikaanse neoconservatisme overneemt’.[38]

Net als het neoconservatisme is het nederconservatisme een gemoderniseerd conservatisme, een radicaal conservatisme, dat zich aangepast heeft aan de dominante normen en waarden van de samenleving die het zegt te verdedigen. Zo omarmde Fortuyn delen van de erfenis van de jaren zestig en zeventig, in het bijzonder vrouwenrechten, homorechten en het individualisme. Op andere terreinen, in het bijzonder dat van law and order, de vakbonden en de verzorgingsstaat, bestreed hij juist de progressieve agenda. Na de doorbraak van Fortuyn zouden nederconservatieven de Verlichting en de emancipatie van vrouwen en homo’s claimen als blijk van de superioriteit van de westerse beschaving.

In Vlaanderen introduceerde Bart De Wever een vergelijkbare retoriek:

Vooral de Verlichting is belangrijk voor onze individuele rechten en vrijheden. [...] Het is zoals Ronald Reagan zei in zijn beroemde speech ‘A Time for Choosing’ in 1964. Als je communisme vervangt door moslimextremisme, dan is die speech nog zeer actueel. Hij stelt een scherpe keuze. Ofwel verdedigen we de laatste hoop van de mens op aarde, ofwel veroordelen we onze kinderen tot duizend jaar duisternis.[39]

De conservatieven hebben op hun eigen wijze de Verlichting omarmd, de oude erfvijand. Die plooibaarheid en innovatiedrang is, zoals gezegd, kenmerkend te noemen, en werd nergens zo mooi verwoord als door Hermann von der Dunk in zijn boek Conservatisme: ‘Zoals tot diep in de achttiende eeuw revolutionaire denkbeelden een conservatieve verpakking meekregen, zo geeft men vandaag eventuele conservatieve denkbeelden graag een progressieve verpakking mee. […] De scheidslijnen lopen al lang dwars door de partijen heen; het sterkste bewijs dat conservatisme continu werkzaam is, in telkens andere maskers en costumeringen ongetwijfeld, maar hoe dan ook present.’[40]

 

Noten

1 Joshua Livestro, ‘Het conservatieve moment is gekomen’, NRC Handelsblad, 3 februari 2001.

2 Paul Cliteur, ‘Conservatieven hebben een revolutie nodig’, NRC Handelsblad, 5 mei 2001.

3 Bart Jan Spruyt en Michiel Visser, ‘Conservatief Manifest’, Trouw, 18 oktober 2003.

4 Bart De Wever, geciteerd in: Ico Maly, N-VA: Analyse van een politieke ideologie, Berchem, EPO, 2012, p. 205.

5 Frits Bolkestein, Verzwelgt de massacultuur de liberale democratie?, Den Haag, Teldersstichting, 2002, p. 3.

6 Paul Cliteur, Conservatisme en cultuurrecht. Over de fundering van recht in rechtsbeginselen (dissertatie), Amsterdam, Drukkerij Cliteur, 1989.

7 Zeev Sternhell noemt Burke om deze reden een onderbelichte grondlegger van het organisch nationalisme. Zie: Zeev Sternhell , The anti-Enlightenment tradition, New Haven, Yale University Press, 2009, pp. 422-425.

8 Paul Cliteur, Moderne Papoea’s. Dilemma’s van een multiculturele samenleving, Amsterdam, Arbeiderspers, 2002 , p. 29.

9 Hans Goslinga en Marcel ten Hooven, 'Waarom moet het altijd over mij gaan?’, Trouw, 1 juli 1995.

10 Frits Bolkestein, De intellectuele verleiding. Gevaarlijke ideeën in de politiek, Amsterdam, Prometheus, 2011.

11 Bart De Wever, Het kostbare weefsel. Vijf jaar maatschappijkritiek, Kapellen, Pelckmans, 2008, pp. 166-168.

12 Ian Buruma, Moord in Amsterdam, Amsterdam, Olympus, 2006.

13 Hermann von der Dunk, Conservatisme, Bussum, Unieboek, 1976, p. 89.

14 Karl Mannheim, ‘Conservative Thought’, in: red. Kurt H. Wolff, From Karl Mannheim, , New York, Oxford University Press, 1971, pp. 132-222. Over de contraverlichting, zie ook: Isaiah Berlin, Against the Current: Essays in the History of Ideas, Princeton, Princeton University Press, 1979.

15 Peter Viereck, ‘The Philosophical New Conservatism’, in: Daniel Bell (red.), The Radical Right. The New American Right, Expanded and Updated, New York, Double Day, 1962, p. 167.

16 Francis Fukuyama, The End of History and the Last Man, New York, The Free Press, 1992.

17 Ernst Kossmann, Politieke theorie en geschiedenis. Verspreide opstellen en voordrachten, Amsterdam, Bert Bakker, 1987, p. 16.

18 Klaus Epstein, The Genesis of German Conservatism, Princeton, Princeton University Press, 1966.

19 Edmund Burke, Reflections on the Revolution in France, Londen, Penguin, 2004 [1790], p. 106.

20 Jerry Muller, Conservatism. An Anthology of Social and Political Thought from David Hume to the Present, New Jersey, Princeton University Press, 1997, pp. 28-29.

21 Samuel Huntington, ‘Conservatism as an Ideology’, The American Political Science Review, nr. 2, 1957, pp. 454-473, aldaar: p. 455.

22 Ibid., pp. 471-472.

23 Ibid.

24 Ibid.

25 Irving Kristol, ‘The Neoconservative Persuasion’, The Weekly Standard, 23 augustus 2003.

26 Samuel Huntington, ‘The Clash of Civilizations?’, Foreign Affairs, nr. 3, 1993, pp. 22-49.

27 Gilles Kepel, The War for Muslim Minds: Islam and the West, Cambridge, MA., Harvard University Press, 2004.

28 Matthew Kaminski, ‘Pim’s Misfortune’, The Wall Street Journal, 7 mei 2002.

29 Pim Fortuyn, Tegen de islamisering van onze cultuur. Nederlandse identiteit als fundament, Utrecht, Bruna, p. 10.

30 Francis Fukuyama, ‘The End of History?’, The National Interest, nr. 16, 1989, p. 18.

31 Op. cit. (noot 29), p. 12.

32 Ibid., p. 37.

33 Hendrik Jan Schoo, Republiek van vrije burgers. Het onbehagen in de democratie, Amsterdam, Bert Bakker, 2008, p. 264.

34 Bart Jan Spruyt, ‘De verdediging van het Westen: Leo Strauss, Amerikaans neoconservatisme en de kansen in Nederland’, in: Huib Pelikaan en Sebastiaan van der Lubben (red.), Ruimte op rechts? Conservatieve onderstroom in de lage landen, Utrecht, Spectrum, 2006, pp. 278-298, aldaar: p. 294.

35 Bart Jan Spruyt, De toekomst van de stad. Over geschiedenis en politiek, Zoetermeer, Uitgeverij Zoetermeer, p. 65.

36 Bart Jan Spruyt, op. cit. (noot 34), p. 295.

37 Paul Cliteur in: Marcel ten Hooven (red.), De conservatieve uitdaging: De scepsis van J.L. Heldring, Amsterdam, Prometheus, 2003, p. 46.

38 Jos de Beus, ‘Een derde eeuw van Nederlands conservatisme’, in: Huib Pellikaan en Sebastian van der Lubben (red.), Ruimte op rechts, pp. 221-237, aldaar: p. 236.

39 Bart De Wever, ‘Net als Churchill staan we voor de keuze: plooien of onze waarden verdedigen’, Het Nieuwsblad, 9 april 2016.

40 Op. cit. (noot 13), p. 37.