Fiep van Bodegem

DE WITTE RAAF

Editie 195 september-oktober 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Sammy Baloji. A Blueprint for Toads and Snakes

Tot 26 augustus was de solotentoonstelling van de Congolese kunstenaar Sammy Baloji bij Framer Framed in Amsterdam te zien. In 2009 werd Baloji’s werk bekroond door het Prins Claus Fonds, maar het was nog niet eerder zo uitgebreid in Nederland te zien. De tentoonstelling valt binnen een meerjarige reeks over het effect van grondstoffenproductie op milieu en cultuur wereldwijd.

Baloji begon zijn kunstenaarsloopbaan als cartoonist en fotograaf en is werkzaam in zijn geboortestad Lubumbashi (DRC) en in Brussel. De tentoonstelling focust op Lubumbashi en de geschiedenis van kolonialisme, migratie en industrie in Katanga, de zuidoostelijke provincie van Congo die ongelofelijk rijk aan grondstoffen is. Lubumbashi, het toenmalige Elisabethville, werd begin twintigste eeuw opgericht als hoofdstad van de koperindustrie, en is nu de tweede grootste stad van Congo. Baloji maakt in zijn recente werk veel gebruik van historisch materiaal uit Katanga.

Prominent in het midden van de tentoonstellingsruimte staat een schaalmodel van een toneel. De coulissen zijn panelen met impressionistische boslandschappen. Op de vloer van het schuin aflopende podium is een oude stadsplanning van Lubumbashi geprint waarop een brede onbebouwde corridor te zien is die dwars doorheen de stad loopt. Deze quarantainezone was ingesteld om ‘hygiënische’ redenen. Allereerst om besmetting door malariamuggen tegen te gaan, maar ook om het Europese en Afrikaanse deel van de bevolking gescheiden te houden. En, onderliggend natuurlijk, om het kleine aantal Europeanen te ‘beschermen’ tegen de Afrikaanse bevolking. Het stadsplan volgt het klassieke rasterpatroon van de van bovenaf geplande stad. Maar zoals doorgaans het geval is, blijkt de werkelijkheid weerbarstiger: het quarantainegebied werd al snel volgebouwd, en de strikte scheiding tussen de bevolkingsgroepen kon nooit absoluut gehandhaafd worden.

Aan de voorkant van het podium staat een speaker waaruit een geluidsopname te horen is van dialogen uit de operette De pad en de slang van de schrijver, en minister van het kortstondig onafhankelijke Katanga, Joseph Kiwele (1912-1961). De oorspronkelijke uitvoering van De pad en de slang was een van de eerste voorstellingen met een Congolese en Europese cast en de uitgave van het toneelstuk is met tekst in Swahili, Frans en Kiyeke. Het werk is gebaseerd op een fabel over een slang die meegaat naar het dorp van zijn vriend, de pad, om palmwijn te drinken. Voor de pad loopt het fataal af; hij wordt doodgebeten door de slang. De boodschap van het verhaal is wellicht dat vriendschap tussen verschillende soorten onmogelijk is, of dat de pad zich niet in slaap had moeten laten sussen door de vriendelijkheid van de giftige slang.

Aan weerszijden van het podium staan wanden met foto’s van schilderijen. In de jaren negentig van de vorige eeuw braken er in Katanga onlusten uit tussen de oorspronkelijke bewoners en groepen die enkele decennia voorheen naar de streek waren geëmigreerd (aangemoedigd door de Belgen, die waar mogelijk een verdeel-en-heerspolitiek voerden) om te werken in de mijnbouw. In hun vlucht uit de stad, verkochten ze al hun huisraad, waaronder de schilderijen te zien op de tentoongestelde foto’s. De schilderijen zijn in opdracht gemaakte portretten, met weinig pretentie en naar foto’s. De geportretteerden zijn anonieme mannen, vrouwen en families, Paus Johannes Paulus II, Lumumba en Mobutu met zijn kenmerkende panterhoedje. De schilderijen werden verzameld door de Universiteit van Lubumbashi en Pater Leon Verbeek, maar Baloji legde op zijn beurt de kwetsbare doeken vast op foto om een begin te maken met de dringende archivering van de postkoloniale geschiedenis van Katanga.

Achter de wand met foto’s speelt de film Tales of the Copper Cross Garden. Episode 1 (2017), die eerder te zien was op Documenta 14. In de film volgt de camera het productieproces van grote platen koper tot steeds fijnere draden. Door de enorme stoffige fabriekshallen met metalen machines zie je de gloeiende, fluorescerend roodoranje staven koper door katrollen, rupsbanden, walsen en spoelen geperst, geduwd en geleid worden. Arbeiders staan stoïcijns naast de machines, als een extensie van de raderen en spoelen, en leiden alles in goede banen. Het geruis van de machines, het ritmische geroffel van de motoren en het gesis van het koelwater op metaal worden afgewisseld met de weemoedige en contemplatieve liederen gezongen door de Chanteurs à la croix de cuivre d’Elisabethville op tekst van diezelfde Joseph Kiwele en opgenomen in 1948. Sporadisch verschijnen op het scherm citaten over de koloniale relaties in Congo. Een van de citaten luidt als volgt: ‘All memory is part of life and of a history in movement and therefore of its omissions./ Far from opposing each other, then, it is clear that ‘African’ memories – ancient and colonial – rather complement each other./ I think I embody them.’ De passage is een treffende aanwijzing voor deze tentoonstelling waarin Baloji een maatschappij toont waarvan alle lagen beïnvloed zijn door de Belgische koloniale periode. Baloji toont ons een rijke regionale cultuur met onuitwisbare sporen van christelijke propaganda, stedenbouwkundige segregatie en economische exploitatie, die altijd al complex en hybride is geweest. Lucide plaatst hij zichzelf in een traditie waarin de koloniale invloed niet uit te wissen valt. Met de focus op een kunstenaar als Joseph Kiwele, die onder meer gevormd is door een christelijke, koloniale opleiding, geeft Baloji een dubbelzinnige commentaar op wat Congolees erfgoed is en op zijn eigen positie als kunstenaar en chroniqueur van een Congolese, postkoloniale setting.

 

• Sammy Baloji. A Blueprint for Toads and Snakes was te zien van 24 juni tot 26 augustus in Framer Framed, IJpromenade 2, 1031 KT Amsterdam.