Daniël Rovers

DE WITTE RAAF

Editie 195 september-oktober 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Alex van Warmerdam. L’histoire kaputt

Het middelpunt van Alex van Warmerdams eerste oeuvretentoonstelling L’histoire kaputt is de rij bezoekers die zich halverwege vormt in de gekromde tentoonstellingshal van Eye. Mensen wachten om toegelaten te worden tot de installatie Kamer, een passage getimmerd uit spaanplaat en vurenhout, zo’n twintig ruime stappen lang. Af en toe springt het lampje bij de ingang van rood op groen en verdwijnt er een bezoeker door een onooglijk deurtje in het houten hok. Van Warmerdam had aanvankelijk het idee om de tentoonstelling op te vatten als een levend diorama, waar acteurs in metershoge kijkdozen zouden figureren. Feitelijk wordt dat onhaalbare plan nu alsnog bewaarheid. Alleen zijn het de bezoekers zelf die als onbetaalde figuranten de grote kijkdoos – die deze donkere museumzaal is – bevolken. Grappend en babbelend verbeiden ze de tijd; anderen worden juist ongeduldig, vragen aan de suppoost hoelang de wachttijd bedraagt, houden angstvallig in de gaten of er niemand voordringt. Hier worden de Hollandse banaliteit, de hang naar spektakel, het kuddegedrag tentoongesteld die Van Warmerdam in zijn filmische werk tot kunst heeft omgevormd.

Maar het is geen lukrake scenografische geste, al dat wachten blijkt functioneel. Vanuit de rij heb je uitzicht op het smaldeel van de tentoonstelling, leunend tegen de enorme polyester opslagtank van Het zoekgeraakte meisje. In die tank ligt een platgeslagen meisjespop, met als hoofd een opengeslagen schetsboek waarop het geschilderde hoofd van een jonge vrouw te zien valt – de bladzijden slaan vanzelf om, waardoor het knappe gezicht tot leven wordt gewekt. De onheilspellende soundtrack van dit inkijkje nodigt de toeschouwer uit om te bedenken hoe dit verhaal zal aflopen – of hoe het ooit begonnen is.

Verderop in de ruimte hangt een scherm waar een achttien minuten durende samenvatting van De Noordelingen (1992) wordt getoond, door velen, inclusief de maker zelf, beschouwd als zijn beste film. Op het scherm zie je slager Merkelbach in 1958 in de woestenij van een onaffe nieuwbouwwijk staan, terwijl hij zijn als ‘Lumumba’ uitgedoste zoon uitzwaait; in de dwarrelwind wappert het witte slagersschort lusteloos voor zijn gezicht. Dat opwaaiende schort is een beeldmotief – het komt terug in de opwaaiende stropdas op het titelloze schilderij (2017) in grijstinten aan de wand naast Het zoekgeraakte meisje: twee mannen en een archiefdoos staan op een vlot op volle zee, van elke functie ontdaan – de eerste associatie is er een met de bankiers van de Lehman Brothers in september 2008; die wapperende, impotente das is het beeld voor de symbolische castratie die de mannen na hun grote failliet hebben ondergaan.

Links van de rij wordt de ultrakorte film Het zwarte ding (2018) geprojecteerd. Een man met opnieuw een stropdas, gespeeld door acteur René van ’t Hof, legt in zijn kleine vrijgezellenkamer een gitzwarte sculptuur – een kruising van wat Kubrick en Magritte onder een doodskist zouden hebben verstaan – op zijn eenpersoonsbed. Eerst wast hij zijn handen onder een roestige kraan; het dreigende geluid van de waterstraal laat de wachtenden in de rij van Kamer elke vier minuten weer even schrikken. De man gaat op het zwarte ding liggen, heft zijn middel omhoog om de juiste houding te vinden, sluit zijn ogen en opent ze dan weer. Bij De Noorderlingen, op het scherm rechts, verschijnt ondertussen toevallig een boswachter in beeld die een halfnaakte levenloze vrouw op een gitzwart houtblok bindt in een poging haar onder de waterspiegel van een bosven te doen verdwijnen. Er dienen zich verbanden aan. Lukt het Van Warmerdams antihelden alleen intiem contact te leggen als de ander een levenloos ding, een doek, een sculptuur geworden is?

Aan de rechterzijde is een samenvatting van de bioscoopfilm De jurk (1996) te zien. Een meisje moet zich op bevel van een door Van Warmerdam gespeelde psychopaat uitkleden, nadat hij haar eerst gedwongen heeft hem vriendelijk uit te nodigen haar kamer binnen te komen: ‘Níét angstig. Je vraag het angstig, dat wil ik niet.’

Was dit ooit grappig bedoeld? Betekende deze film een keerpunt in Van Warmerdams loopbaan als eigengereid regisseur? De vervreemdende en perfect gestileerde scènes van De Noorderlingen en Kleine Teun (1998) moesten wijken voor de vaart van dit even kluchtig-ironische als sadistische verhaal. Wat van De Jurk overblijft: een herinnering aan de ironische arthousemisogynie van de jaren negentig. In de verte wordt in de tentoonstellingszaal nog een samenvatting van Schneider vs. Bax (2015) geprojecteerd: knap maakwerk op een mooie locatie, maar ook gestroomlijnd, weinig origineel, leeg.  

In een interview heeft Van Warmerdam gezegd dat hij nooit de angst heeft gekend die veel kunstenaars parten speelt, namelijk om ontmaskerd te worden. Bij hem werkte het juist andersom: ‘Ik hoop dat ze erin trappen!’ Dat is de instelling van een kermisexploitant, een houding die hij in deze fantastische oeuvretentoonstelling tot grote hoogten voert. De opstelling – misschien moet je eerder spreken van enscenering – is die van een ouderwets lunapark. De installatie Vloer (net als Kamer gemaakt in samenwerking met Atelier Geert Paredis) draagt daar zeker aan bij. Uit een afgesleten stuk spaanplaatvloer zijn zes vormen gezaagd, die om beurten, automatisch aangedreven door een elektromotortje, rechtop komen te staan. Zo worden zes schilderijtjes zichtbaar, uitgevoerd in grijze acrylverf: een man en een vrouw, een zwart en een wit meisje, een herenschoen en een kopieerapparaat. Het heeft veel weg van een schiettent. Aan de kijker de taak snel en gericht te kijken en dan de trekker over te halen: welk verhaal verbindt deze mensen, de schoen en het apparaat? Gelukkig krijg je in de rij staand voor Kamer telkens weer een herkansing.

Van Warmerdam, van opleiding een schilder en graficus, is voortdurend bezig zijn beelden te animeren. Heel expliciet gebeurt dat in de projectie van schilderwerk getiteld L’histoire kaputt, waaraan de tentoonstelling haar naam ontleent. Het ene schilderij gaat op het scherm voortdurend in het andere over. Een vrouw verandert door een paar extra toetsen in een andere vrouw, of een man, of een beest. Een stoel wordt een kamer en die kamer verandert in een andere kamer waar een vlek binnendringt, die weer plaatsmaakt voor een abstract patroon van vierkanten. De digitale projectie blijft maar doorgaan, en zo worden duizenden schilderuren teruggebracht tot een kwartier durende metamorfose. Samen zouden die beelden graag een verhaal vormen, maar een scenario ontbreekt. De verhalengenerator is kapot. Wat je ziet is de aanzet, de wil om het doek te bezielen, de vlucht van het ene medium naar het andere in een poging de dode materie te slim af te zijn.

Na onder meer knappe tentoonstellingen over het oeuvre van Robby Müller en Béla Tarr, en de originele opstelling waarin werk van Hito Steyerl, Ben Rivers en Wang Bing (winnaars van de Eye Art & Film Prize) werd getoond, is dit opnieuw een zeer geslaagde expositie in Eye. Conservator Jaap Guldemond, die vroeger in het Van Abbe en in Boijmans Van Beuningen al liet zien dat film en beeldende kunst niet los van elkaar te beschouwen zijn, schonk Van Warmerdam alle ruimte. Dat initiatief leverde een uitbarsting van ideeën op. Afgezien van de films is het meeste werk speciaal voor deze gelegenheid gemaakt. Dat geldt ook voor Kamer. Na drie kwartier wachten springt eindelijk het licht op groen. Wat bevindt zich in hemelsnaam achter dat ene deurtje?

 

• Alex van Warmerdam. L’histoire kaputt liep van 10 juni tot 2 september in Eye Filmmuseum, IJpromenade 1, 1031 KT Amsterdam.