Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 195 september-oktober 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Harald Szeemann. Museum of Obsessions

‘Kunst is een activiteit ongeschikt voor de enorme schaal van jouw ambitie,’ schrijft Carl Andre op 29 augustus 1973 in een brief aan Harald Szeemann. De bijna perfecte archieftentoonstelling Museum of Obsessions, afgelopen zomer in Bern of deze herfst in Düsseldorf, toont het gelijk van Andre aan. Het is onwaarschijnlijk wat Szeemann heeft aangericht met andermans werk, vaak met een chaos aan betekenissen, referenties en impressies tot gevolg. Hij werd geboren in Bern in 1933 en stierf in Lugano in 2005, en hij wordt de allereerste stercurator genoemd. Onlangs nog, tijdens een publiek gesprek in de Herbert Foundation in Gent, stelde Daniel Buren hem aan het begin van een traditie van curatoren die zichzelf belangrijker vinden dan de kunstenaars of de kunst die ze tentoonstellen. De vraag is of die opvatting niet van eerlijkheid getuigt: we bezoeken immers nooit een kunstwerk, we bezoeken een tentoonstelling ervan. Kan kunst neutraal tentoongesteld worden, zonder curator? Is het dan niet de kunstenaar die een tentoonstelling maakt? Gevolg: ofwel wordt de curator kunstenaar, ofwel de kunstenaar curator. Die paradoxen zijn zo oud als de naoorlogse kunst, en op een wat klinische manier lichten ze op in Museum of Obsessions, samengesteld door The Getty Research Institute in Los Angeles dat de archieven bewaart van de Zwitserse curator – meer dan een halve kilometer materiaal.

In de eerste zalen in de klassiek symmetrische Kunsthalle Bern worden documenten verzameld uit de achtenhalf jaar waarin Szeemann aangesteld was, sinds 1961. Het is geen overdrijving om te stellen dat hij een revolutie ontketende in dit brave instituut, voornamelijk door jonge buitenlandse kunstenaars uit te nodigen. In 1968 was hij de allereerste curator die Christo en Jeanne-Claude vroeg een gebouw in te pakken, naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de Kunsthalle. In hetzelfde jaar werd Szeemann gecontacteerd door Philip Morris, met de vraag een tentoonstelling te organiseren op kosten van de tabaksproducent. Het resultaat was Live in Your Head. When Attitudes Become Form, een tentoonstelling die op 23 maart 1969 in Bern opende, vervolgens naar Krefeld en Londen reisde, en waaraan trouwens zowel Andre als Buren deelnamen. De Kunsthalle werd bijna onherstelbaar beschadigd: Richard Serra goot 200 kilogram lood op de vloer; Joseph Beuys smeerde vet tussen hoeken en kieren; Lawrence Weiner verwijderde een stuk muur; Michael Heizer vernielde met een sloopkogel het museumpleintje. De vrijheid waarop deze generatie kunstenaars zich kon beroepen, onder meer in de hoop de grenzen van de naoorlogse kunst ruimtelijk expliciet te maken of te verleggen, was schijnbaar onbeperkt, en het was om die vrijheid op de spits te drijven dat Szeemann hen had uitgenodigd. De conflictstof binnen zijn carrière was echter al aanwezig. Als een curator kunstenaars laat bijdragen tot één grote tentoonstelling-als-ambiance, die als gesamtkunstwerk kan worden ervaren (en zo wordt gemediatiseerd), is hij dan niet onvermijdelijk de grote auteur die iedereen in de schaduw stelt?

Na Live in Your Head nam Szeemann ontslag in Bern, omdat er kritiek bleef komen op de tentoonstelling, maar waarschijnlijk ook omdat hij besefte dat in de Kunsthalle de limiet van zijn aanpak was bereikt. Zo werd hij de eerste freelancecurator. In Keulen organiseerde hij de tentoonstelling Happening & Fluxus, en daarna werd hij Künstlerische Leiter van Documenta 5 in 1972, een editie met een veel grotere schaal dan voorheen, die toonaangevend blijft voor internationale overzichtstentoonstellingen en biënnales omdat de spanning tussen het samenvatten van de ‘kunst vandaag’ en de noodzaak van een coherent thema er meteen door duidelijk werd. Zoals Frank de Veire schreef over Documenta in De Witte Raaf nr. 37: ‘Het is paradoxaal een panoramisch overzicht te willen geven van wat nu juist alle overzichtelijke kaders te buiten wil gaan.’ Documenten op Museum of Obsessions tonen hoe sommige kunstenaars genoeg hadden van Szeemanns aanpak: Carl Andre stuurde een postkaart met een weigering; Buren nam deel aan Documenta 5 maar schreef een tekst waarin hij de kunstenaars ‘borstelstreken’ noemde ‘in een schilderij van Szeemann’ – een tekst die de curator met de glimlach publiceerde in de catalogus, wat de soepelheid of, negatiever uitgedrukt, de willekeur van zijn concepten aangeeft.

In de jaren zeventig en tachtig maakte Szeemann vooral thematische tentoonstellingen, bestaande uit een vreemde mix van historische artefacten, fotomateriaal, enkele kunstwerken en zelfgefabriceerde objecten. In 1975 organiseerde hij de expositie Les machines célibataires, die ook in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel te zien was. Op basis van een schets van Michael Carrouges (die in 1954 een boek had gepubliceerd over de ‘jonggezellenmachines’) durfde Szeemann het aan om niet alleen plannen te maken van de executiemachine uit Kafka’s kortverhaal In de strafkolonie, maar om die machine vervolgens ook te laten bouwen. Het resultaat – te zien in Museum of Obsessions – is een beetje griezelig maar vooral knullig, zoals meestal wanneer een fantastisch verhaal van Kafka ‘realistisch’ wordt vertaald, en het geeft opnieuw aan over hoeveel durf Szeemann beschikte, of over hoe weinig reserve en zelfbewustzijn.

Het laatste deel van de tentoonstelling is het minst overtuigend, vooral omdat van de projecten van Szeemann in de laatste decennia van zijn leven telkens maar een paar documenten of objecten te zien zijn. Die projecten waren dan ook bedenkelijk. Het lijkt alsof hij, in de geglobaliseerde en exponentieel gegroeide wereld van de hedendaagse kunst voor en na de eeuwwisseling – een wereld die hij eind jaren zestig mee in de steigers had gezet – moest terugvallen op regressieve categorieën zoals nationale identiteiten om in zijn ogen nog originele projecten te kunnen bedenken. Szeemann maakte enkele regionale tentoonstellingen in landen, zo zei hij zelf, ‘wiens cultuur, in een magnetisch veld van associaties, een poëtische en ahistorische wereld kan oproepen’. Het ging, met andere woorden, om een vorm van escapisme. De allerlaatste tentoonstelling van Szeemann, die hij niet zelf heeft voltooid, was Visionair België in Bozar in 2005, uitgebreid besproken door Koen Brams en Dirk Pültau in De Witte Raaf nr. 115: ‘Kunstwerken in Visionair Belgïe blijken zetstukken op een nonsensicaal schaakbord.’

 

• Harald Szeemann: Museum of Obsessions liep van 9 juni tot 2 september in Kunsthalle Bern, Helvetiaplatz 1, CH–3005 Bern. De tentoonstelling zal in nieuwe versies worden getoond in Kunsthalle Düsseldorf van 12 oktober tot 20 januari 2019 en in Castello di Rivoli Museo d'Arte Contemporanea van 26 februari tot 26 mei 2019.