Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 195 september-oktober 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

The Image Revisited. Luc Tuymans in conversation with Gottfried Boehm, T.J. Clark & Hans M. De Wolf

Volgens de achterflap bevat dit boek gesprekken tussen Luc Tuymans en drie kunsthistorici, en biedt het ‘inzicht in Tuymans’ eigen creatieve proces en in de manier waarop grote kunst uit het verleden hem inspireerde en motiveerde’. De inleiding van Hans M. De Wolf is getiteld ‘How to Secure the Value of an IMAGE as an IMAGE in Times of Political Turmoil?’, een vraag die begrijpelijkerwijze onbeantwoord blijft. De gesprekken zijn georganiseerd in 2008 en 2011, onder meer in het Szépművészeti Múzeum in Budapest en in Bozar, waar tentoonstellingen van Tuymans te zien waren. De gedachtewisselingen worden in de inleiding gepresenteerd als een antigif voor de Bolognaverklaring en voor de ‘academisering’ en ‘verwetenschappelijking’ van het kunstonderwijs (en het genre van het doctoraat-in-de-kunsten) – een evolutie die zes jaar geleden door De Wolf ook in De Witte Raaf is aangeklaagd (nr. 159, 2012).

De veronderstelling is dat kunstbeschouwing en kunst met elkaar geconfronteerd worden tijdens ontmoetingen tussen een academicus (Boehm) en een kunstenaar (Tuymans) die zich afspelen ‘in een hernieuwde atmosfeer van respect en affectie voor elkaars kennisgebied zonder de kernprincipes van hun respectievelijke bezigheden te veranderen’. De Wolf geeft in de inleiding toe dat het niet zo eenvoudig is, want Tuymans is niet zomaar een kunstenaar: ‘De combinatie van deze twee posities werkte als een uitdrukking van absolute AUTORITEIT die tot weinig tegenreactie uitnodigde en die gedreven werd door een dialectiek van verbreking – Luc komt over als iemand die het grootste deel van de buitenwereld afwijst als vijandig en onwetend totdat het tegendeel duidelijk is bewezen.’ Zo iemand lijkt geen aantrekkelijke gesprekspartner, en inderdaad is het opvallend dat Tuymans niet alleen driekwart van de tijd aan het woord is, maar ook zijn scepsis tegenover kunstbeschouwing niet verbergt. Dat is zijn volste recht, maar het maakt deze conversaties niet meteen tot een pleidooi voor de autonomie van kunst enerzijds en kunstwetenschap anderzijds. Het is haast bovenmenselijk met wat voor een kennis van zaken – en met wat voor een energie en zelfvertrouwen! – Tuymans in dit boek over allerlei kunsthistorische en theoretische problemen praat, Boehm en De Wolf reducerend tot devote luisteraars, als een Goethe die aan één Eckermann niet genoeg heeft. Na een lange uiteenzetting over Bruegel, Filips II van Spanje, El Greco, surrealisme en Zurbarán, stelt De Wolf één korte vraag: ‘Zou het kunnen dat Bruegel een nieuw soort menselijkheid tot uitdrukking bracht?’ Tuymans antwoordt: ‘Dat wordt beweerd, maar het is lang niet zeker of dat echt het geval is’ – waarna een nieuwe uiteenzetting volgt over het Italiaanse landschap, de Renaissance en Bosch. Over Zurbarán klinkt het (of galmt het, eerder): ‘Of Zurbarán een goede kunstenaar was is de vraag niet. Bij hem krijg je een andere stilering van de wereld. Stilering impliceert een soort van ‘abnormaliteit’, en toch gaat het uiteindelijk over normaliteit. De realiteit lijkt statisch en versteend, zodat het standpunt extreem onbuigzaam wordt. Vereenvoudiging bewerkstelligt een ander soort van piëtistische kwaliteit.’

Natuurlijk is Tuymans geregeld in staat tot intelligente observaties, maar waar het om draait is dat hij andermans kunstbeschouwing in de hoek drukt. In het boek, geredigeerd door Michele Robecchi, blijkt dat ook uit de index, die enkel uit kunstenaarsnamen bestaat. Namen van curatoren, critici, historici of theoretici zijn van geen tel. Ze komen nochtans aan bod, zij het om ze af te serveren. Over Ulrich Loock, door wie Tuymans in 1992 naar Kunsthalle Bern werd gehaald voor een tentoonstelling die van primordiaal belang was voor de carrière van de kunstenaar, klinkt het: ‘De Frankfurter Schule, zeker mensen zoals Ulrich Loock, probeerden de huid van de schilderkunst te penetreren om er een volledig discours rond te creëren.’ Over Hal Foster vertelt Tuymans dat hij hem in 2007 uitgebreid terecht heeft gewezen tijdens een panelgesprek in de Hayward Gallery (‘ik was de enige kunstenaar tussen academici’): ‘Mensen als hij hebben zich teruggetrokken in een geïnstitutionaliseerde kunsttheorie.’ Waarop Boehm toegeeft: ‘Er is sprake van een latent iconoclasme bij theoretici en kunsthistorici.’ Niet veel later zegt Tuymans dat het precies deze beroepscategorie is die hem blijft vragen waarom hij nog schildert. ‘Stan Douglas, John Baldessari of Mike Kelley hebben mij dat nooit gevraagd.’

Als er iemand theoretische categorieën ontwikkelt in deze gesprekken, dan is het paradoxaal genoeg wel Tuymans. Pornografie is het concept waarmee hij niet alleen zijn werk, maar ook de historische schilderkunst en zelfs onze huidige maatschappij probeert te verklaren. Over Berthe Morisot à l’éventail van Edouard Manet uit 1872, zegt hij: ‘We zijn geneigd dit te vergeten, maar ik vind dat – het begint bij Caravaggio – het idee van de pornografie zich doet gelden in de schilderkunst, in de burgerlijke conditie en in alles dat nieuw was, en het loopt door tot bij Manet.’ Het is ook toepasbaar op Duchamp: ‘De inhoud is extreem pornografisch.’ In het gesprek in Brussel zegt Tuymans over zijn eigen werk Body uit 1990: ‘Dit is de interessante kant van pornografie – het is een plek waar een meta-beeld ontstaat, en dat is een tijdloos concept.’ Het is vervolgens T.J. Clark, die enkel bij dit laatste gesprek aanwezig was, die Tuymans niet zomaar laat orakelen maar zijn woorden ook begrijpelijk probeert te maken, en het werk van de schilder interpreteert: ‘Ik worstel om jouw notie van de pornografie te begrijpen, maar ik denk dat ik er bijna ben. Het heeft iets te maken met een beeld-leven, waarin het beeld voortdurend wordt aangeboden en gepresenteerd, zodat er een verslavende fascinatie ontstaat, die zowel plezier als een soort passiviteit oplevert.’ Het zijn heldere ideeën die al te zeldzaam zijn in dit boek, en die uiteindelijk tonen dat kunstenaars en theoretici nog steeds een eigen rol te spelen hebben, wat Tuymans of de Bolognaverklaring daarover ook mogen beweren.

 

• The Image Revisited. Luc Tuymans in conversation with Gottfried Boehm, T.J. Clark & Hans M. De Wolf verscheen in 2018 bij Ludion, ISBN: 9789491819797.