Daniël Rovers

DE WITTE RAAF

Editie 195 september-oktober 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Conservatisme(n)

1.

Moeten we niet beginnen met de erkenning dat Edmund Burke een belangrijk punt had? Dat stelde Raymond Williams voor in zijn essaybundel Culture and Society (1967). Williams was het met Burke eens: wanneer we maatschappelijke verandering nastreven, is het goed om de controle te behouden, stapje voor stapje verder te gaan op een ingeslagen pad en niet louter te vertrouwen op het charisma van welbespraakte leiders. Politiek is een zaak van praktische doelmatigheid, wist Burke, niet van grootse, op lucht gebaseerde ideeën. Over zijn tegenstanders, de heethoofdige revolutionairen op het vasteland, merkte hij op: ‘They have nothing of politics but the passions they excite.’ Williams citeerde deze passage, maar suggereerde dat Burke die wijsheid uit Reflections on the Revolution in France (1790) verder had kunnen doordenken, tot aan de ‘passies’ en verlangens die aan zijn eigen opvattingen ten grondslag lagen. Burke richtte zijn pijlen op de nieuwlichters uit Frankrijk, en pleitte voor de merites van de organisch gegroeide Britse natie, maar wilde niet inzien dat Engeland allang opgebroken was onder de verwoestende krachten van de industrialisering en de imperiale expansie – veranderingen die geen enkele ‘spirit of the nation’ kon tegengehouden.

 

2.

Welke passies gaan vooraf aan de behoefte tot behoud? In zijn bekende, niet eerder in het Nederlands vertaalde essay over het conservatisme maakte Karl Mannheim een belangrijk onderscheid tussen enerzijds conservatisme als de menselijke neiging om zich te hechten aan het oude en bekende (wat neerkomt op traditionalisme), en anderzijds het conservatisme als politieke stroming. De eerste vorm komt onder mensen van verschillende politieke gezindten voor, ook onder hen die zich progressief noemen. Het is mogelijk, en waarschijnlijk zelfs wenselijk, zich te hechten aan bijvoorbeeld het ouderlijk huis, een bomenrij, de moedertaal, de parketvloer van een museum, het openbare zwembad, een bloemstilleven van Rachel Ruysch. Het conservatisme als politieke stroming daarentegen heeft behoudsgezindheid tot systeem verheven. Het richt zich aanvankelijk tegen de Franse Revolutie, maar neemt later stelling tegen andere maatschappelijke omwentelingen. Soms probeert het veranderingen uit het verleden teniet te doen – een conservatief kan een socialist van conservatisme beschuldigen, omdat die bestaande sociale voorzieningen verdedigt. Het is onmogelijk om los van tijd en context een theorie van het conservatisme te geven: conservatisme is per definitie meervoudig.

 

3.

In Paren, passanten (1981) schreef Botho Strauss: ‘Hoe weinig bevredigend is het alleen en uitsluitend een eigentijds type te zijn. De hartstocht, het leven zelf heeft regressies nodig, veel meer dan anticipatie, het ontleent zijn krachten aan verzonken rijken, aan een historisch geheugen. […] Niets zou nu nuttiger zijn dan uit de dwangbuis van de tijd te breken en de actualiteit te ontvluchten. […] Het kunstwerk behoedt ons voor de totale dictatuur van de tegenwoordige tijd.’ Het is moeilijk het niet met Strauss eens te zijn. Zijn progressieven en conservatieven dan voor één keer, uitzonderlijk genoeg, dezelfde mening toegedaan? Wie leest er niet om te ontsnappen aan de dwang van de kortademige nieuwscyclus en de roep om luide opinies? Door een beter begrip van het verleden krijgen we een ruimer zicht op de mogelijkheden en alternatieven die het heden in zich herbergt. En de toekomst? Die lijkt gekaapt – gepatenteerd is een beter woord – door de grote technologische bedrijven met hun voortdurende claim op ‘innovatie’. Big Tech vindt steeds vernuftigere manieren om ons te verleiden uren door te brengen in het tijdloze nu voor het scherm – dat ondertussen grootogig surveilleert wat we lezen, kijken, kopen en doen.

 

4.

Welke kunstenaar zou ons kunnen behoeden voor de dwang van het opdringerige heden, en aan welk kunstwerk zou Strauss hebben gedacht? In ieder geval niet aan Handsworth Songs van John Akomfrah en de Black Audio Film Collective, want die documentaire werd pas in 1986 voor het eerst vertoond. Afgelopen zomer was ze te zien in Bozar, tijdens een van de vele herdenkingen van mei ’68, een tentoonstelling met als thema verzet (Resist!). Zulke herdenkingen vieren het progressieve potentieel van een historische gebeurtenis, maar lopen het risico op zelfgenoegzaamheid, waarbij het verleden gereduceerd wordt tot het cliché van opstandige studenten in de opgebroken straten van Parijs, of van een ludieke samenscholing op het Amsterdamse Spui. Zou daar niet herinnerd moeten worden aan Pier Paolo Pasolini’s provocerende dichtregels aan het adres van de jonge betogers in Rome, ook in 1968, waarmee hij de studentenopstand duidde als een bezigheid voor rijkeluiskinderen die hun gewelddadige driften hadden botgevierd op de zonen van de armen, de agenten?

 

5.

Handsworth Songs bood een opening uit de koker van het herdenkingsformat. De rellen in de Birminghamse wijk Handsworth in 1985 hebben nooit de aura gekregen van de schermutselingen rond de Sorbonne van twintig jaar eerder. De publieke opinie zag niets anders dan een gewelddadige uitbarsting en plunderingen door zwarte immigranten; er vielen in Handsworth twee doden toen een postkantoor, bemand door twee broers, in brand werd gestoken. De film brengt een symfonie van beelden, stemmen en muziek die een brede blik mogelijk maakt – interviews met verschillende buurtbewoners, een even angstaanjagende als vervreemdende slow motion van politiegeweld, archiefmateriaal over de aankomst van een schip met passagiers uit de gemenebestlanden in de haven van Liverpool. Ook Margaret Thatcher komt aan het woord: ze zegt in een tv-fragment vol empathie dat ze heel goed begrijpt dat mensen bang worden als ‘een minderheid te groot wordt’. Commentaar ontbreekt – de kijkers moeten zelf maar uitmaken wat ze denken. Hoopvol is de stemmige prozatekst waarmee de film afsluit – ‘In time, let them bear witness to the process by which the living transform the dead into partners in struggle.’ De doden in een strijd tot bondgenoten maken: een mooie definitie van de humanistische traditie – een verband tussen het verleden en heden dat productief zou mogen heten, als dat niet zo mechanisch klonk. Regisseur Akomfrah maakte de documentaire in opdracht van de destijds recent opgerichte publieke zender Channel 4; deze film was nooit als museumstuk bedoeld. Handsworth Songs wilde een land behoeden voor de dictatuur van de tegenwoordige tijd.

 

6.

Aan de teksten en essays op de volgende pagina’s – over bewaren, verzamelen, behoudzucht, verandering en de status quo – liggen verschillende passies ten grondslag, en een ervan is zeker de behoefte te ontsnappen aan de dwang van het heden. Toch is er geen ander punt van waaruit we vragen kunnen stellen, en antwoorden kunnen formuleren, dan vanuit het hier en nu. Waarom zou iemand geestdriftig nieuw leven willen blazen in technieken uit het stenen tijdperk? Waarom weet een vooruitstrevende architect op grond van Marx dat de sociale woningbouw passé is verklaard? Gaan maatschappelijke verandering en museale conservatie wel samen? Wat is cultuur, wat is de moeite van het bewaren waard? Welke krachten en overwegingen veranderen een progressief denker in een bevlogen reactionair? Wat valt er te denken als een verzamelaar zijn uitmuntende smaak etaleert? Wat zien we niet als we ons blijven beperken tot concrete zaken, tot alles dat onder handbereik ligt?