Geert Bekaert

DE WITTE RAAF

Editie 196 november-december 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Verantwoording.

In een of ander huis. Verhandeling tot het bekomen van het licentiaat in de oudheidkunde en kunstgeschiedenis, september 1969, Katholieke Universiteit Leuven

Het is ongebruikelijk een boek als verhandeling voor het bekomen van een licentiaat voor te stellen. Mijn oprechte dank gaat dan ook uit naar de Academische Overheid en de Raad van het Hoger Instituut voor Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis die welwillend over dit bezwaar hebben willen heenstappen. Er is echter een ander, intrinsieker, bezwaar, gelegen in de aard van het boek zelf, dat zich niet als een wetenschappelijk betoog, maar als een essayistische studie aandient. Voor dit laatste is er een verantwoording verschuldigd.

Het is de bedoeling van een licentiaatsverhandeling een proeve van wetenschappelijke studie te leveren en een essay lijkt wel het tegendeel ervan te zijn. Deze tegenstelling is echter niet zo scherp als het gangbare woordgebruik suggereert. Het verloop van onderhavige studie heeft me leren inzien dat er een soort van wetenschappelijke communicatie bestaat die zo niet uitsluitend, dan toch het best in de vorm van een essay kan gesteld worden. De aard van deze verhandeling, die ik aan de jury durf voorleggen, vloeit met andere woorden niet voort uit de eis van toegankelijkheid voor een ruim publiek, maar is mijns inziens inherent aan de bepaalde methodologische aanpak, waarvan ik de wetenschappelijkheid zou willen bepleiten.

Negatief beschouwd, kan men reeds stellen dat het praktisch onmogelijk zou zijn een studie van die aard binnen de gebruikelijke normen van een wetenschappelijk betoog te verantwoorden. Volgens deze normen immers zou haast elke paragraaf, haast elke zin zulk een uitgebreide kritische studie en verantwoording vergen dat deze de omvang zelf van de hele studie waarom het te doen is zouden overtreffen. Volgende zin uit de inleiding bijvoorbeeld ‘dat het kerkgebouw uit de evolutie van de algemene geschiedenis treedt’, zou op zich het onderwerp van een apart onderzoek kunnen uitmaken.

De hier aangeduide moeilijkheid hangt gedeeltelijk samen met het feit dat onze studie meer het voorstel van een interpretatie van bekende feiten is, dan een onderzoek naar die feiten zelf. Daardoor alleen al, door het gekozen standpunt, is het voor de meeste in het boek voorkomende affirmaties niet mogelijk direct naar een voorstudie te verwijzen. De belangrijke voorstudies, die in de bibliografie zijn vermeld, doen wel gegevens en conclusies aan de hand, maar plaatsen die meestal niet in het verband waarin ze in onze studie voorkomen.

Er is ten slotte het beroep op heel uiteenlopende disciplines, waarvan de resultaten worden getoetst en gebruikt buiten hun eigen disciplinair verband. In de bibliografie komen wel verscheidene publicaties in diezelfde aard voor, maar meestal op een meer beperkt gebied. Ik moge hier verwijzen naar de studies van een Sedlmayr of een van Simson over de betekenis van de gotische kathedraal. Hoewel er vanuit het inzicht, in onze studie verdedigd, kritiek op de conclusies van deze geleerden kan naar voren gebracht worden, toch is hun methodologische aanpak voor mij een belangrijk voorbeeld en steun geweest.

Het gevaar is niet denkbeeldig, zeker niet wat het onderwerp van de hedendaagse kerkbouw betreft, dat men onwetenschappelijk te werk gaat door zich te strikt aan de gangbare categorieën die het denken erover hebben bepaald te houden en zich op een niet te verantwoorden wijze op te sluiten binnen vermeend disciplinaire grenzen. Wat overigens voor ons onderwerp wordt geconstateerd, blijkt een algemeen probleem van de actuele wetenschap te zijn: zij wordt zich er meer en meer van bewust dat geen enkele discipline onafhankelijk bij machte is om haar eigen denkcategorieën te bepalen en te controleren, en dat zij daarvoor aangewezen is op een intense uitwisseling en samenwerking met andere disciplines. Die wisselwerking gaat dan veel verder dan het traditionele begrip van hulpwetenschap, zoals dit bijvoorbeeld ook in de kunstgeschiedenis wordt gehanteerd.

De praktische onmogelijkheid om een studie als de onze binnen de heersende normen van een bepaalde wetenschappelijke discipline te voltooien, brengt ons ertoe te onderzoeken of er geen andere vormen van wetenschappelijkheid kunnen aanvaard worden. De wetenschappelijkheid die we in onze studie voorstaan, zouden we willen omschrijven als het voorstel van een hypothese. En daaronder verstaan we hier: de voorlopige conclusie van een voldoende gefundeerd en systematisch onderzoek van de nu ter beschikking zijnde gegevens en inzichten. Er kan in zekere zin van een soort statistische zekerheid gewaagd worden, met dien verstande dat er voldoende en voldoende representatief materiaal werd onderzocht om een voorlopige algemene conclusie te wettigen.

Het volstaat bijvoorbeeld, om uit de convergentie die blijkt uit de studie van een aantal bouwkronieken, op een verantwoorde wijze uitgekozen, tot een algemene, wetenschappelijk verantwoorde conclusie te komen, zonder daarom alle bestaande of bekende bouwkronieken te hebben onderzocht. Het delicate punt van deze redenering ligt in het begrip ‘voldoende’, maar dit kan met vrij grote nauwkeurigheid bepaald worden vanuit de algemene kennis van de methode en de verworvenheden van een bepaalde wetenschap.

Dit laatste verklaart onder meer het belang dat in de bibliografie gehecht is aan de algemene kunst- en architectuurgeschiedenis en aan de kennistheoretische studies. De wetenschappelijke waarde van soortgelijke interpretatieve studie ligt dus in de duidelijke convergentie van een aantal gegevens, waarvan het voorafgaand onderzoek waarborgt dat ze representatief zijn. Eens zover, zijn de niet expliciet in de studie betrokken gegevens niet van belang ontbloot, maar er kan redelijkerwijs verondersteld worden dat ze binnen de hypothese hun plaats kunnen krijgen. Het belangrijke én wetenschappelijke bestaat precies in het opstellen zelf van de hypothese, die voldoende gewaarborgd, toch steeds verder moet getoetst, eventueel genuanceerd of gecorrigeerd worden.

Concreet beschouwd, is onze verhandeling het resultaat van een jarenlange studie in diverse disciplines en niet het rechtstreekse object van een gericht onderzoek. Deze studie omvatte evenzeer de kunstgeschiedenis, als de filosofie en de theologie, aangevuld met cursussen in de architectuur aan de universiteiten van Leuven, Firenze en Bologna en aan de Instituten voor moderne kerkbouw van de universiteiten van Wenen en Birmingham. Als uitgebreide voorstudies moeten vermeld worden een licentiaatsverhandeling van filosofie over Hegel en zijn invloed op de romantische bestaansopvatting, die de hedendaagse culturele en filosofische evolutie diepgaand heeft getekend. Rechtstreekser nog, stond de licentiaatsverhandeling van theologie in verband met het onderwerp. Deze ging immers over de houding ten overstaan van het ‘beeld’ van Johannes Damascenus, maar kwam in feite neer op een studie van de kerkelijke opvattingen over kunst en kerkbouw in de eerste acht eeuwen van het christendom.

Veel belang werd verder in de loop van de voorbereiding gehecht aan enkele capita selecta van de kunstgeschiedenis en de godsdienstgeschiedenis waarin de verhouding van religie en christendom tot architectuur en kunst op het voorplan stond. In de eerste plaats geldt dit voor het ontstaan en de eerste eeuwen van de christelijke kerkbouw; voor de verhouding van christendom tot andere religies; voor de vergelijkende studie van christendom en islam; de beeldenstrijd binnen en buiten de christelijke confessies; de middeleeuwse kerkbouw als expressie van een ‘christelijke’ beschaving; de reformatie en het religieuze aspect van het werk van een Michelangelo, da Vinci, Palladio; de romantische religiositeit; het ontstaan van het begrip christelijke kunst tezamen met de religieus geïnspireerde artistieke groepen van de prerafaëlieten en de Nazareners; de theologie van de secularisatie en de hedendaagse antropologie.

Meer dan in de studie zelf, komen deze capita selecta in de samenstelling van de bibliografie tot uiting. Hoe uitgebreid deze ook schijnt, toch is ze in feite heel select, op sommige punten wellicht té select. Het selectieprincipe dat werd toegepast steunt op wat werd gezegd over het eigen wetenschappelijke karakter van deze verhandeling: slechts die boeken en artikelen werden opgenomen die omwille van hun samenvattend karakter – er werd expliciet aandacht besteed aan de bibliografie – of omwille van hun karakteristieke behandeling rechtstreeks op onze studie zijn betrokken.

Wat van deze studie zelf gezegd werd, geldt ook voor de bibliografie: een volledige kritische verantwoording ervan zou zo uitgebreid hoeven te zijn dat het een studie apart werd. Om één voorbeeld aan te halen: de enkele werken die in de bibliografie verwijzen naar de kunstgeschiedenis van Egypte en Mesopotamië, twee gebieden die voor het onderwerp heel belangrijk zijn, ook al worden ze nergens expliciet vermeld, werden opgenomen omdat ze door hun synthetisch karakter, hun rijke documentatie, hun uitgebreide en recente bibliografie, de aard van hun aanpak, tegelijk het beste overzicht gaven van de status quo van de wetenschappelijke kennis op dit gebied én het meest direct aansluiten bij het in onze studie behandelde onderwerp. Een verwijzing naar het belangrijke boek van professor Walther Wolf over de Egyptische kunst moge duidelijk maken wat we bedoelen. Nergens is er in de studie van Egypte sprake. Niettemin dank ik aan het boek van professor Wolf vele waardevolle inzichten, die in de studie zijn verwerkt.

Een bijzondere moeilijkheid stelde zich echter bij de keuze van de literatuur betreffende de twintigste eeuw. Principieel werden strikt literaire en filosofische werken niet vermeld, hoewel het zonder meer duidelijk is, dat men zonder de kennis ervan zich maar moeilijk een juist beeld van de hedendaagse cultuursituatie kan vormen. Ook voor deze periode werd ernaar gestreefd alleen die boeken en artikelen aan te geven die een interpretatieve synthese bevatten. Om één voorbeeld te vermelden: men kan over de religie in de twintigste eeuw niet spreken zonder kennis te hebben van Freuds opvattingen hieromtrent. Toch meenden we in de bibliografie te mogen volstaan met het citeren van de belangrijkste studies van P. Ricoeur en van H.M.M. Fortmann, omdat men ons inziens in deze werken al de nodige gegevens vindt die eventueel in een bibliografie als de onze hadden moeten vermeld worden.

Uit de verhouding van bibliografie tot tekst volgt de aard van de verwijzingen, die, behalve waar het citaten betreft, enkel in het algemeen naar een of meerdere boeken verwijzen die het meest direct de betreffende passage kunnen verhelderen, aanvullen of nuanceren. Van deze jarenlange studie werd de basis gelegd in de colleges die ik aan het Hoger Instituut voor Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis mocht volgen. Zonder deze colleges zou mijn studie nooit mogelijk zijn geweest. Ik durf te hopen dat ze niet al te zeer beneden de verwachtingen is gebleven. Ik dank dan ook van harte de professoren V. Denis, R. Lenaerts, J. Mertens, P. Naster, J. Steppe en in het bijzonder R. Lemaire, die zo welwillend is geweest deze studie te willen begeleiden en aanvaarden. Zijn colleges over architectuur en kerkbouw waren voor mij bijzonder stimulerend.