Marc Holthof

DE WITTE RAAF

Editie 196 november-december 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Zelfrepresentatie in boekvorm

Artist’s Publications: The Belgian Contribution van Johan Pas

Johan Pas doceert hedendaagse kunst, verzamelt kunstenaarspublicaties, en stichtte de Collection for Research on Artist’s Publications. In oktober 2017 werd hij directeur van de Koninklijke Antwerpse Academie voor Schone Kunsten. Pas is de allereerste directeur van de Academie – sinds de stichting in 1664 door David Teniers de Jonge – die géén kunstenaar is.

Artist’s Publications: The Belgian Contribution is een – in het Engels geschreven – kunsthistorisch verhaal, of misschien moet ik stellen: post- of neokunsthistorisch narratief. Want Pas is zich bewust van de limieten en gebreken van het genre. ‘Omdat dit het eerste boek over het onderwerp is, heb ik gekozen voor een conventionele chronologische benadering. Al ben ik mij ervan bewust dat een lineair verhaal uitzetten en kunstenaars en werken kiezen om het te vullen, het risico inhoudt om vooral zichzelf te bevestigen,’ schrijft hij. De kunstgeschiedenis is een beproefde discipline die Pas goed beheerst en hij levert een gedegen en leesbaar boek af. Je zou kunnen stellen dat een chronologische aanpak garant staat voor toegankelijkheid, omwille van de evidente orde die aan het materiaal gegeven of opgedrongen wordt, én omwille van het verhaal dat verteld wordt. Bovendien schrijft Pas vlot en goed, in prima Engels. Bij een boek dat de terra incognita van de Belgische kunstenaarspublicatie in kaart wil brengen en publiek wil maken, ligt een chronologische ordening van het materiaal voor de hand.

Maar wat is een kunstenaarsboek, een kunstenaarspublicatie, en hoe definieer je die in het kader van een studie als deze? Pas aarzelt zelf voor hij met een definitie op de proppen komt. Is een kunstenaarsboek, zoals Peter Downsborough het stelde, niet ‘gewoon een boek, zij het van een kunstenaar’? Zo eenvoudig is het niet. Allereerst omdat dit boek niet (alleen) over kunstenaarsboeken gaat, maar over publicaties van kunstenaars. Na vastgesteld te hebben dat ‘trachten een kunstenaarsboek of -tijdschrift te definiëren […] even absurd is als trachten een allesomvattende definitie van kunst in het algemeen te leveren’, concludeert Pas dat hij beter een ‘de-definitie’ kan hanteren. Een simpele omschrijving, zeg maar. Hij beschouwt een kunstenaarspublicatie ‘als een publicatie waarbij één of meer kunstenaars het volledige (of toch ten minste een groot) aandeel hebben in het proces van het opzet, de productie en eventueel de distributie’.

In de praktijk hanteert Pas een rekbare opvatting die naargelang de behoeften varieert tussen een strikte en een ruimere opvatting, waarbij af en toe ook een opmerkelijke catalogus, de geschriften van een kunstenaar (zoals Écrits van Thierry De Cordier) of andere gedrukte fenomenen bij het corpus betrokken worden. Het kunstenaarsboek waarover Pas het wil hebben is bovendien een democratische publicatie die weinig of niets van doen heeft met de peperdure kunstboeken gemaakt door kunstenaars in gelimiteerde uitgaven. De kunstenaarsboeken die Pas behandelt hebben niet noodzakelijk de status van kunstwerk. Het zijn publicaties van en door kunstenaars. Pas legt de nadruk niet op de uitgave, maar op de publicatie: het publiek maken van een boek of tijdschrift als een, ten minste potentieel, democratische daad. Al geeft hij meteen toe dat het onderscheid soms moeilijk te maken is. Ed Ruscha verspreidde zijn eerste boekwerken in de jaren zestig tegen de prijs van een paar dollar, nu zijn diezelfde publicaties exclusieve verzamelobjecten geworden.

In feite, zo suggereert Pas, hoort het fenomeen van de kunstenaarspublicatie thuis in een veel bredere categorie, namelijk die van de zelfrepresentatie van kunstenaars. Een genre waarbij ook catalogi, monografieën, pamfletten, manifesten, posters, uitnodigingen en ander drukwerk, interviews, reportages, radio- en tv-optredens, mails, posts en tweets horen. Kortom: alles wat een kunstenaar hanteert om te communiceren met zijn publiek. Dat fenomeen ontstaat bij de avant-gardebewegingen van eind negentiende, begin twintigste eeuw en heeft in de hedendaagse kunst vanaf de jaren zestig een hoge vlucht genomen. Communicatie is even belangrijk, en soms zelfs belangrijker geworden dan de kunstvoorwerpen zelf. Het fenomeen kunst kan niet gereduceerd worden tot verkoopbare objecten, zoals verzamelaars, galeriehouders, museumbeheerders en financiers graag geloven. Kunst is veel meer: ze creëert een relatie tussen kunstenaar en publiek – waarbij meer middelen ingezet worden dan het kunstwerk alleen.

Pas heeft het expliciet over die zelfrepresentatie, maar hij waagt slechts sporadisch een poging om dat groter geheel (de immense massa aan drukwerk en communicatiemiddelen) aan te snijden. Begrijpelijk, want dat zou een gigantische taak zijn. Nochtans is daar, zo noteert hij, al een begin mee gemaakt door enkele musea en verzamelaars. Zo bevat de collectie Herbert in Gent niet alleen kunstwerken, maar ook publicaties ‘rond’ of ‘bij’ die kunstwerken. De tentoonstellingen zijn vaak bijzonder interessant juist vanwege het begeleidende materiaal. Ook de collectie Daled, inmiddels ondergebracht in het MoMA, bevat dit soort publicaties. En het M HKA erfde het archief van het ICC dat voor een groot deel uit drukwerk bestond.

Hoe belangrijk al dat materiaal is, bewijst Pas aan de hand van slechts één specifieke vorm van dergelijke zelfrepresentatie, zij het de meest prestigieuze: het kunstenaarsboek. De beste hoofdstukken zijn die waarin hij het belang van kunstenaarspublicaties illustreert aan de hand van bekende episodes uit de kunstgeschiedenis, zoals surrealisme, cobra of pop art. Dat levert niet noodzakelijk nieuwe inzichten op, maar Pas kan wel verbanden leggen en details aanbrengen die in een traditionele kunstgeschiedenis – met haar nadruk op grote meesterwerken – buiten beeld blijven.

Artist’s Publications: The Belgian Contribution begint niet in 1960 – het jaar waarin men gewoonlijk het ontstaan van het kunstenaarsboek situeert, als gevolg van de opkomst van de hedendaagse kunst. Pas noemt allereerst, op het einde van de negentiende eeuw, voorlopers als Van Nu en Straks en Les XX, en ook het latere Ça ira en de publicaties van de avant-gardebewegingen uit het interbellum. Zijn eigenlijke verhaal begint na de Tweede Wereldoorlog, toen tijdschriften en tijdschriftjes – zoals Les Lèvres Nues van Marcel Mariën – een sleutelrol speelden in de artistieke ontwikkeling. Het ging snel: van ‘klassiek’ surrealisme via de revolutionaire variant naar het situationisme, waarna ook cobra ontstond. Pas brengt de vertakkingen en verbindingen tussen deze bewegingen aan de hand van hun publicaties goed en gedetailleerd in beeld. Hij illustreert zo perfect Paul De Vrees stelling dat ‘de kleine kunstmagazines de wieg van de kunst zijn’.

Een volgend hoofdstuk begint met de opkomst van pop art vanaf 1965. Onder meer Marcel Broodthaers, Jacques Charlier, Panamarenko en Jef Geys worden door deze Amerikaanse kunstvorm beïnvloed en beginnen een carrière waarin kunstenaarsboeken en -publicaties zeer belangrijk worden geacht. Boek en tijdschrift worden media die een belangrijke, zo niet centrale rol spelen in deze oeuvres. Zo vormt het roemruchte Kempens Informatieblad de ruggengraat van het oeuvre van Geys.

Het conceptualisme had de bedoeling de kunst te dematerialiseren, maar dat leidde paradoxaal genoeg – zo noteert Pas in een volgend hoofdstuk – tot een explosie van publicaties op papier. Zoveel zelfs dat zijn betoog er een tikje onoverzichtelijk door wordt, ook omdat in deze periode de écht grote namen ontbreken. De belangrijkste ontwikkeling is dat er een evolutie is van de door kunstenaars uitgegeven publicaties naar publicaties uitgegeven door (kleine) onafhankelijke uitgevers met namen als Guy Schraenen, Yves Gevaert, Yellow Now, uitgevers die ook werk brengen van buitenlandse kunstenaars als Daniel Buren, James Lee Byars, Peter Downsborough en Lawrence Weiner, wat navolging vindt bij instituten als het ICC, het Paleis voor Schone Kunsten en de Vereniging in Gent.

Vanaf de jaren tachtig is het hek van de dam. Het aanbod reikt van punkpublicaties zoals het blad Force Mental van het duo AMVK – DDV (Anne-Mie Van Kerckhoven en Danny Devos) tot de even ironisch als fraai uitgegeven Van Sandt auction catalogue (een fake catalogus) van Guillaume Bijl, de Berlijnse Signal-catalogus van Luc Tuymans of het Inflight-rampenmagazine van Johan Grimonprez, gepubliceerd bij zijn film Dial H-I-S-T-O-R-Y.

Een van de grote gebreken van de klassieke (kunst)geschiedenis is dat zodra het heden begint te naderen, deze zo geolied lopende machine compleet het overzicht verliest en verwordt tot een boemeltrein. Pas vangt dit euvel op door behendig van positie te wisselen. Hij schuift een stoel op en is niet langer kunsthistoricus, maar curator. Hij ruilt de alwetendheid in voor de verder niet gespecificeerde persoonlijke voorkeur. Het laatste deel van het boek is niets meer en niets minder dan een tentoonstelling van kunstenaarspublicaties. Daartoe moet het boek gedraaid worden, van horizontaal naar verticaal. Op een dubbele pagina wordt een publicatie uit Pas’ eigen collectie in detail getoond, met bovenaan meestal de titelpagina en eronder enkele binnenbladzijden.

Boeken dienen om vast te nemen, je kan ze niet tentoonstellen, en ook dit boek-in-het-boek is een verre van ideale vorm. Het laat de lezer wel toe om van dichtbij reproducties van zeldzame publicaties te bekijken. Van het Happening News nr.1 (1965) van Panamarenko en Hugo Heyrman tot A Number of Books Becoming A Specific Set (2015) van Peter Lemmens en Mark Luyten.

Artist’s Publications: The Belgian Contribution is een voortreffelijk, en zo goed als volledig overzicht van het kunstenaarsboek in België. Als er kritiek op te leveren is, dan op de vormgeving. Niet op hoe het eruitziet (het is erg fraai vormgegeven door Luc Derycke Studio), maar op hoe het functioneert. Voor een boek over kunstboeken is het een beetje spijtig dat de wisselwerking van tekst en beeld erg beperkt blijft. Johan Pas’ thesis wordt als een doorlopende, niet geïllustreerde tekst gepubliceerd die om de paar bladzijden onderbroken wordt door een dubbele pagina met illustraties. Verwijzingen in de tekst refereren naar de op die pagina’s afgebeelde publicaties, met als gevolg dat je omslachtig van tekst naar illustratie moet bladeren. En om van de illustraties naar de desbetreffende tekst te komen, heb je de hulp van de index nodig. Het vereist inzet en volharding om vooruit of achteruit te bladeren tot de afbeelding van een cover gevonden is.

Er zullen lezers zijn die worden afgeschrikt door de veelheid aan informatie, de massa namen, de uniforme tekstmassa en de overvloed aan – klein afgedrukte – illustraties. Geen enkele kunstenaar, uitgever of publicatie wordt uit de doorlopende tekst gehaald om er zodoende meer aandacht aan te schenken. De weinige vrouwen (zoals AMVK of Lili Dujourie) die Pas noemt, en die een eigen, originele bijdrage leverden aan het genre, hadden dat zeker verdiend. Door de strikte indeling in periodes raken publicaties van absolute grootheden als Marcel Broodthaers en Jef Geys verspreid over verschillende hoofdstukken. Ondanks Pas’ omzichtigheid bij het hanteren van de kunstgeschiedenis is het toch weer die verdomde dwang van de periodisering die het ondeelbare oeuvre van deze twee kunstenaars in mootjes hakt.

Enkele keren, zoals in de inleiding en in de laatste paragraaf van het boek, alludeert Pas op een discussie die woedde toen hij het boek schreef, maar die nu al gedateerd is: het digitale gevaar dat het boek zou bedreigen. Pas levert het eenvoudige antwoord op dit waanidee als hij schrijft: ‘In vergelijking met digitale platformen is drukwerk een relatief stabiele en permanente omgeving.’ Stabiliteit, een gegarandeerde houdbaarheid voor een overzienbaar aantal jaren – dat is inderdaad wat een kunstenaar nastreeft als hij een boek of publicatie maakt. Geen website, mail, tweet of andere vergankelijke manier van communicatie kan die houdbaarheid garanderen. In deze digitaal dolle dagen beseffen we te weinig dat alleen de vluchtigste, tijdelijke én overbodige informatie aan het digitale domein mag worden toevertrouwd. Wie een langere termijn voor ogen heeft, kiest voor de relatieve duurzaamheid van papier.

Ook dit boek, een monument voor het onderschatte genre van het kunstenaarsboek, is ondenkbaar in de vorm van een website – die binnen de kortste keren offline zou zijn wegens gebrek aan fondsen of de voortschrijdende technologische veroudering. Hoogstens het laatste deel, het tentoonstellingsdeel, had als website kunnen functioneren. Dan zou je in de publicaties die curator Pas zo verleidelijk voor ons uitspreidt kunnen bladeren en ze – virtueel – kunnen lezen.

 

Artist’s Publications: The Belgian Contribution van Johan Pas verscheen in december 2017 bij Koenig Books, Londen.