Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 196 november-december 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De ene ander is de andere niet

Ik weet niet wat jij gaat zeggen van Erik Hagoort

De conclusie van het doctoraat in de kunsten van Erik Hagoort is een gedicht, en het kan geciteerd worden zonder een spoiler te riskeren.

 

Ik bemin jou. Jij bemint mij.

Ik bemin jou van mijn kant.

Jij bemint mij van jouw kant.

Ik bemin jouw beminnen. Je draagt het mij toe.

Jij bemint mijn beminnen. Ik draag het jou toe.

Ik geniet van jouw genieten.

Jij geniet van mijn genieten.

Genieten van het genieten van de ander,

‘genot van het genot van de ander,

Liefde van de liefde van de ander’.

Genieten van het zeggen.

Strelen in de vocativus.

 

Deze zinnen – het citaat is van Levinas, over wie later meer – tonen dat Hagoort het zich niet makkelijk maakt. Hij wil in de handelseditie van zijn doctoraat in woord en beeld tot uitdrukking brengen wat er zich heeft afgespeeld tijdens een aantal gesprekken die hij organiseerde binnen het kader van het onderzoeksproject ‘Ontmoetingen hernemen’, uitgevoerd aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Bovendien wil hij helder krijgen wat ontmoeten in het algemeen zou kunnen zijn, en dus wat mensen voor elkaar kunnen betekenen.

De kunst die Hagoort maakt, past binnen de relational aesthetics: in plaats van iets te maken of te doen, brengen kunstenaars sociale interacties tot stand die ze als kunst presenteren. Verspreid over een drietal jaar bracht Hagoort vijf keer vijf personen bij elkaar. Van die vijf vijftallen maakte hij zelf steeds deel uit, en hij stelde ook de thema’s en gespreksregels vast. Onderwerp van bijvoorbeeld het eerste gesprek in 2015: ‘Om jezelf te zien heb je de ander nodig.’ Voorafgaand aan dit gesprek werd afgesproken tijdens het converseren geen vragen te stellen, en evenmin antwoorden te geven. Bij twee bijeenkomsten in 2016 en 2017, met als onderwerp ‘aanspreken’ en ‘onbekommerd spreken’, werden de woorden van de deelnemers respectievelijk opgetekend door stenografen of neergeschreven door de gesprekspartners – dit laatste gesprek voltrok zich in stilte: er werd gecommuniceerd door middel van handgeschreven zinnen.

Ik weet niet wat jij gaat zeggen bevat kleurenfoto’s van de notitieschriftjes van stenografen of gesprekspartners, beschrijvingen van de dialogen en theoretische bespiegelingen over ontmoeten. Twee constanten vallen op: zowel participatie als gelijkheid zijn noodzakelijk. Meewerken aan de totstandkoming van een socialere maatschappij is verplicht; passiviteit of terughoudendheid zijn niet toegestaan. Asymmetrische relaties, waarbij de ene partij ook maar de indruk zou wekken iets ‘meer’ te zijn, te weten of te hebben, zijn taboe, omdat zo de suggestie van ongelijkheid wordt gewekt. Daarom is het ook fout iemand ‘iets’ te geven zonder iets terug te verwachten, zelfs als een oprechte vorm van naastenliefde; het reduceert de ander immers tot ‘degene die gebrekkig en behoeftig is’. Hagoort schrijft, zich beroepend op het Essay over de gift van Marcel Mauss: ‘De ontvanger kan op een bepaald moment ook gever zijn en de gever ontvanger. Niet participeren in deze reciprociteit is naast asociaal ook inferieur.’

Hagoort past deze theorie toe op de gesprekken die hij organiseert, en omgekeerd ziet hij die gesprekken als de ultieme verwezenlijking ervan. Daarom blijft het volstrekt onduidelijk wat er gezegd is. Volledige transcripties zijn in het boek niet opgenomen, hoogstens geïsoleerde zinnen of fragmenten. Uitspraken worden weergegeven zonder de afzender te vermelden. De gesprekspartners worden in de inleidingen genoemd en voorgesteld – het gaat over onder meer filosofe Ilse Bulhof, theatermaker Emke Idema, kunstenaar Nico Dockx, kunstenares Voebe de Gruyter, filosofieprofessor Arthur Cools en literatuurwetenschapper Geert Lernout – maar daarna worden alle aanhalingen anoniem. De deelnemers zijn ongetwijfeld tot boeiende gedachtewisselingen in staat, maar in het boek is daar geen sprake van. Het is hun immers niet toegestaan om op welke manier dan ook markant te zijn – ze moeten op een volstrekt inwisselbare manier ‘mens’ blijven. De vrees dat iemand iets zou zeggen dat niet door om het even wie gezegd kan worden, zorgt ervoor dat er niets gezegd wordt. Enkele voorbeelden, die als citaten uit de context gerukt lijken, maar in het boek gewoonweg niet over context beschikken: ‘Omdat er geen andere relatie tussen ons is dan dit gesprek heb ik geen enkele andere verwachting dan dit gesprek. Dat geeft er een ander gewicht aan, inderdaad, lichter dan wanneer ik met iemand die ik ken geconfronteerd zou zijn.’ ‘Zoals het werkt, beweging. Maar misschien kan ik daar niet veel meer over zeggen.’ ‘Een bloem heeft een relatie met andere bloemen.’ ‘Als ik vaker gesprekken in het donker zou hebben, zou het beter te hanteren zijn.’ ‘Zwarte muziek. Ritme is daarvan een wezenlijk onderdeel. Het heeft te maken met in het moment te zijn.’ ‘Als je het hebt over culturele diversiteit is het zeker politiek.’ ‘Aha, een hoop woorden.’ ‘Je creëert ruimte door die afspraken. Dat zie je ook vaak in taal gebeuren. Het ritueel van ‘Hallo, hoe gaat het?’. Het antwoord is voorspelbaar. Toch is er ruimte. Stap je over die code heen, dan heb je een situatie waarmee je allebei moet dealen.’ ‘We zouden allemaal onze ogen een tijd dicht kunnen doen.’

Naast Mauss is het Emmanuel Levinas wiens ideeën worden aangewend. ‘In het sociale’, zo wordt Totaliteit en oneindigheid. Essay over de exterioriteit, diens hoofdwerk uit 1961, door Hagoort samengevat, ‘verhouden we ons op zo adequaat mogelijke wijze tot elkaar. In de samenleving gelden gelijke rechten en plichten. We spreken in dezelfde zin over onszelf als over anderen. Levinas echter wijst op een inadequatie tussen het zelf en de ander: de ervaring dat je op een manier onderhevig bent aan de ander die niet inwisselbaar is. Die ervaring zet het sociale op scherp.’ Hagoort reduceert de theorie van Levinas om zijn kunstpraktijk te staven, en presenteert zo ongewild zijn eigen versie van de tekortkomingen in het denken van de Frans-joodse filosoof. Vanuit een absoluut respect voor de ander, moet iedereen bereid zijn met iedereen te praten, en mag confrontatie of onenigheid nooit het resultaat zijn. Verschillen zijn niet meer dan vooroordelen, en geen mens verdient het om streng op zijn tekortkomingen te worden aangesproken. Dat we allemaal gelijk zijn, is geen moeizaam te verwezenlijken ideaal, tegen de vele schandalige machtsconcentraties in, maar een natuurstaat die probleemloos, dag na dag, in de praktijk kan worden omgezet.

De manier waarop Hagoort het universalistisch denken van Levinas inschakelt, leidt zowel in de theoretische hoofdstukken als in de ‘reportages’ tot het verlies van onderscheid, betekenis en verantwoordelijkheid. Dat blijkt al uit de geselecteerde kunstenaars en denkers: niet meteen mensen die elkaar omwille van hun politieke, religieuze of ideologische overtuigingen naar het leven staan. Om het ‘artistiek onderzoek’ van Hagoort te doen slagen, kan en mag er van conflictstof geen sprake zijn. Dat mensen het radicaal oneens kunnen zijn, en elkaar de vreselijkste dingen kunnen verwijten: Hagoort schakelt het bij voorbaat als mogelijkheid uit. De ene ander is de andere niet – het is zelfs als vermoeden niet toegestaan. De dictatuur van de harmonie en de consensus regeert.

Het gevolg is een mens- en wereldbeeld waarbinnen niets nog ‘erg’ genoemd mag worden, en waarin ‘de ander’ alles te vergeven valt omdat we nu eenmaal mensen onder elkaar zijn. De onhoudbaarheid van die positie blijkt vooral wanneer Hagoort, aan het slot van de theoretische reflectie waarin hij zich het denken van Levinas toe-eigent, een anekdote vertelt over Iwan, ‘een goede vriend uit Moskou’. Iwan belde ‘een paar dagen nadat het vliegtuig MH17 boven Oekraïne uit de lucht was geschoten’. Hij voelde zich schuldig om burger te zijn van zijn land, en hij vroeg om vergeving. Eric protesteerde: ‘Ben je nou helemaal, zei ik meteen, ik wil niet dat je dat zegt, hoe lief ik het ook vind dat je dat zegt, ik wil het niet horen, jij hebt er part noch deel aan, jou treft geen enkele blaam.’ Een week later stond er echter een opmerkelijke kop op de voorpagina van de Novaja Gazeta: ‘Vergeef ons, Nederland’. Dat deed bij Hagoort een belletje rinkelen, want hij besefte dat hij Iwan zijn schaamte moest gunnen: ‘Hij maakt zich zacht en kwetsbaar voor mij. Hij is bezorgd om mij. Toen ik me dat realiseerde, schaamde ik me voor de vastberadenheid waarmee ik zijn verzoek had gepareerd. Door die schaamte voelde ik mij vreemd genoeg opgelucht. Tegen die schaamte viel niets in te brengen. Onbekommerd pakte ik de telefoon om Iwan terug te bellen.’ Wat zijn schuld, kwaad en vergeving dan nog waard? Misschien kunnen de nabestaanden van de 298 inzittenden van het boven Oekraïne neergehaalde vliegtuig binnenkort voor een gesprek worden uitgenodigd? Zullen ook zij ‘onbekommerd’ Rusland vergeven? En verdient Vladimir Poetin, toch ook een ander gelijk alle anderen, eveneens een kruisje voor het slapengaan?

Naar dergelijke kritische vragen – die veel meer dan de beate bereidheid tot vergeving, voortkomen uit de hoop menselijk leed te voorkomen – taalt Hagoort geen moment. Een kritische houding, het maken van een onderscheid tussen goed en slecht, is volgens hem zinloos. Op het eerste gezicht is dat vreemd, want tot 2000 was Hagoort kunstcriticus bij De Volkskrant. In 2005 publiceerde hij het essay Goede bedoelingen. Over het beoordelen van ontmoetingskunst, geschreven op uitnodiging van Lex ter Braak, de toenmalige directeur van het Fonds BKVB. In die tekst probeerde Hagoort na te gaan waarom critici zoveel moeite hebben om ‘ontmoetingskunst’ – de Nederlandstalige variant van de relational aesthetics – te omarmen. Zijn verklaring was eenvoudig: ‘Ik denk dat kunstbeschouwers de vraag vermijden welke rol ethische houdingen in ontmoetingskunst spelen. Alleen al door het stellen van de vraag zouden zij de suggestie wekken het goed te keuren dat kunstenaars zich met hun werk op het terrein van de moraal begeven.’

Het is een van de grote misverstanden van de relational aesthetics dat kunst een tekort zou hebben aan discursiviteit of sociabiliteit – twee eigenschappen die sinds de renaissance onmiskenbaar verbonden zijn met het artistieke. Volgens Hagoort ontbreekt het kunst van oudsher ook aan ‘ethische’ of ‘morele’ aspecten, en precies dat moet ontmoetingskunst oplossen. Dat kunst altijd een morele of ethische houding bevat, of in ieder geval indirect uitspraken doet over hoe er al dan niet geleefd kan en moet worden, komt niet bij hem op. Omdat ‘ontmoetingskunst’ een schandalig gebrek aan ethiek in de kunsten teniet zou doen, moet er in kritisch opzicht ook een uitzondering voor worden gemaakt: in plaats van te oordelen over de artistieke kwaliteiten ervan, ‘wordt de kunstbeschouwing verrijkt met het inschatten van goede bedoelingen. Er komt niet alleen een nieuwe dimensie van wikken en wegen bij, er valt er ook een af, en wel een die ons al te lang en onnodig heeft beziggehouden: de wil om een oordeel te vellen.’ Ongetwijfeld heeft zijn doctoraatsjury (met als leden Voebe de Gruyter, Marijke Hoogenboom, Geert Lernout en Dieter Lesage, met als voorzitter Henk de Smaele, en met als promotoren Arthur Cools en Nico Dockx) deze aanbeveling ter harte genomen, want voor iets ander dan goede bedoelingen kan Eric Hagoort de titel van ‘doctor in de kunsten’ niet verkregen hebben.

 

Ik weet niet wat jij gaat zeggen van Erik Hagoort verscheen in oktober 2017, in een Engels- en Nederlandstalige editie, bij Jap Sam Books, Heijningen.