Fredie Floré

DE WITTE RAAF

Editie 196 november-december 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Elegante jachtgeweren

Design & Politics. The Public Promotion of Industrial Design in Postwar Belgium (1950-1986) van Katarina Serulus

Het zopas verschenen Design & Politics. The Public Promotion of Industrial Design in Postwar Belgium (1950-1986) is een betekenisvolle uitgave in het vooralsnog weinig zichtbare domein van de Belgische designgeschiedenis. Het proefschrift van Katarina Serulus werd in juni 2016 verdedigd aan de Faculteit Ontwerpwetenschappen van de Universiteit Antwerpen, en het bezorgde de auteur de titel van doctor in de interieurarchitectuur. Op de website van Leuven University Press wordt de handelseditie gecatalogeerd bij de kunstboeken. Dat het onderwerp van de studie met diverse disciplines wordt geassocieerd, illustreert de versnipperde positie van designgeschiedenis in de Belgische academische wereld. Voor wie het boek los van de ontstaansgeschiedenis leest, zal het nochtans duidelijk zijn: dit is een designhistorische publicatie, die zich op bijzonder overtuigende wijze inschrijft in een op internationaal vlak al decennialang erkend onderzoeksveld.

Design & Politics belicht de relaties tussen design en politiek in naoorlogs België. Serulus bespreekt de manier waarop de emanciperende en professionaliserende discipline van de industriële vormgeving of esthétique industrielle – zoals ze aanvankelijk werd genoemd – van overheidswege werd ondersteund, gepromoot en gerecupereerd. De protagonisten zijn de meest toonaangevende nationale organen voor de promotie van industriële vormgeving: het kwaliteitslabel Le Signe d’Or of Het Gouden Kenteken (1956-1966), het Instituut voor Industriële Vormgeving (1956-1971) en het Brusselse Design Centre (1962-1986). Deze organisaties fungeerden, zo legt Serulus uit, als fora waar het begrip design in België inhoudelijk werd vormgegeven en onderhandeld door diverse actoren ‘zoals de staat, de industrie, educatieve organisaties, zakenlui, objecten, consumentengroepen, financiële instellingen, designprofessionals en socio-culturele organisaties’. Zoals in vele West-Europese landen werd de institutionalisering van design vooral gestimuleerd door politieke en economische drijfveren. Dat de eerder vermelde organen net als Minister van Economische Zaken Jean Rey (1902-1983) een sleutelrol speelden was bekend, maar Serulus diept het verhaal uit en rijgt bestaande en vooral ook nieuwe microgeschiedenissen aaneen tot een inzichtelijke en vlot geschreven studie.

Het boek bestaat, net als het proefschrift, uit drie thematische delen die elkaar mits enige overlap chronologisch opvolgen en die zijn opgebouwd uit twee hoofdstukken. Het eerste deel ‘Competing visions of design’ belicht de wijze waarop design erkend werd door de Belgische overheid in de jaren vijftig. In het eerste hoofdstuk bespreekt Serulus vroege overheidsgesteunde initiatieven ter promotie van design, de oprichting van het Instituut voor Industriële Vormgeving en Le Signe d’Or, en de motieven van Minister Rey om design op de kaart te zetten. Het tweede hoofdstuk laat zien hoe Henry van de Velde, die in deze periode in vrijwillige ballingschap in Zwitserland verbleef, handig werd ingezet om de ‘nieuwe’ ontwerpdiscipline geloofwaardig neer te zetten. Van de Veldes controversiële oorlogsverleden werd ondergeschikt gemaakt aan zijn betekenis als internationaal erkende designpionier, en als zogenaamd spirituele vader van de Bauhaus academie. Op die manier kon hij als geen ander ingezet worden als boegbeeld of ‘mascotte’, zoals Serulus het verwoordt, bij de nationale verankering van de industriële vormgeving – een discipline die tot op zekere hoogte nog als geïmporteerd fenomeen werd beschouwd. Uit het eerste deel van het boek blijkt vooral dat de erkenning van industriële vormgeving in België relatief laat op gang kwam en een allesbehalve vanzelfsprekend proces was, gekenmerkt door twijfel, experiment en obstakels. Vanuit een doorgedreven vorsende houding brengt Serulus de agenda’s en visies met precisie in beeld, en vestigt ze tegelijkertijd de aandacht op niet of minder gekende organisaties, zoals Art et Travail, een in 1953 in Brussel opgerichte vereniging die zich expliciet bekommerde om de kwaliteit van de werkomgeving van de arbeidersbevolking en de verheffende rol van kunst en design.

Het tweede deel van Design & Politics is getiteld ‘Design promotion and Cold War politics’ en staat in het teken van het belangrijkste globale politieke conflict in de tweede helft van de twintigste eeuw: de Koude Oorlog. Ook de geschiedenis van de institutionalisering van design in België moet immers vanuit transnationaal perspectief belicht worden. Dat design een betekenisvolle rol gespeeld heeft in de Koude Oorlog is breed erkend en ruim bestudeerd, maar Serulus voegt nieuwe verhaallijnen toe. Het hoofdstuk ‘Visions and fantasies of ‘European’ design in the early Cold War years (1961-1970)’ wijst op een bijzonderheid van de Belgische situatie. De promotie van een nationaal imago werd in de vroege jaren zestig gecombineerd met de ambitie om bij te dragen aan de creatie van ‘Europees’ design, als antwoord op kapitalistische en communistische visies op productie en consumptie. Spilfiguur was Josine des Cressonnières (1926-1985), secretaris-generaal van Le Signe d’Or, die in 1961 ook op internationaal niveau een significante rol opneemt als secretaris-generaal van de in 1957 opgerichte International Council of Societies of Industrial Design (ICSID). Het is bekend dat Des Cressonnières op korte tijd een indrukwekkend netwerk uitbouwde en dat ze een cruciale rol speelde in de ontwikkeling van het Belgisch design. Verschillende getuigen van het eerste uur verwezen graag en uitdrukkelijk naar haar werk, zoals bijvoorbeeld Adelbert Van De Walle (1922-2006), toenmalig directeur van het Gentse Museum voor Sierkunst, die in 2005 in De Witte Raaf nr. 116 werd geïnterviewd. Bij gebrek aan een persoonlijk archief is er rond Des Cressonnières echter veel onduidelijkheid blijven bestaan. Het is de verdienste van Serulus om het beeld scherper te stellen, dankzij opnieuw gedreven speurwerk, onder meer in de designarchieven van de Universiteit van Brighton en het archief van de Hochschule für Gestaltung in Ulm, en een interview met de dochter van Des Cressonnières. In het volgende hoofdstuk komt een bijzondere en tot voor kort nauwelijks gekende uitwisseling aan bod tussen Brussel en Moskou, mede gefaciliteerd door de ICSID en de contacten van Des Cressonnières. Tijdens de detente, toen de spanningen in de Koude Oorlog minder hoog opliepen in de jaren zeventig, kwam het tot een samenwerking tussen het Brusselse Design Centre en de Russische tegenhanger VNIITE, een van de enige niet-westerse leden van de ICSID. Design, zo toont Serulus aan, werd niet alleen als nationale propaganda ingezet, maar ook als middel om raakvlakken op te zoeken en economische samenwerkingen te stimuleren. 

Het laatste deel van Design & Politics gaat over de promotie van ‘Belgisch’ design door het Brusselse Design Centre, een in 1962 naar buitenlands voorbeeld opgericht instituut dat ook onder leiding van Josine des Cressonnières kwam te staan. Na twee jaar voorbereiding opende het designcentrum de deuren op een strategische locatie in de moderne Ravensteingalerij, tussen het Centraal Station en het Paleis voor Schone Kunsten. Het designcentrum investeerde in het creëren van een exclusieve modernistische stijl (Made in Belgium) die België op buitenlandse markten moest presenteren als moderne en competitieve natie. Een eerste hoofdstuk bespreekt de pogingen en strategieën om het beeld van zo’n nationale stijl tot stand te brengen, zoals door het inrichten van een permanente tentoonstelling van ‘goede’ Belgische producten in combinatie met wisselende thematische exposities in de met zorg vormgegeven tentoonstellingsruimte van het centrum. In het tweede hoofdstuk, getiteld ‘C’est belge, ça? (1970-1983)’, laat Serulus zien hoe het Brusselse instituut bleef inzetten op de idee van een karakteristiek ‘nationale’ designproductie, ook wanneer steeds meer communautaire spanningen die operatie dwarsboomden. Andere ontwikkelingen, zoals de toenemende interesse voor ecologische designparadigma’s, leek het instituut op te pikken en een plaats te willen geven, evenwel zonder de aloude strategie van het promoten van ‘goed Belgisch design’ opzij te schuiven.

Eerder dit decennium verschenen eveneens bij Leuven University Press twee andere doctoraten in boekvorm die deels ingaan op de geschiedenis van het design in naoorlogs België of op de manier waarop het wonen ermee werd verbonden: mijn boek Lessen in goed wonen: woonvoorlichting in België (2010) en Hoe zouden we graag wonen? Woonvertogen in Vlaanderen tijdens de jaren zestig en zeventig van Els De Vos (2012), naast Rajesh Heynickx promotor van het proefschrift van Serulus. Design & Politics vormt een directe aanvulling op de designgeschiedenis in deze twee als ‘architectuurboeken’ gecatalogeerde publicaties. Voortbouwend op het werk van Javier Gimeno-Martínez, die het onderzoeksproject initieerde en het werkstuk mee begeleidde, laat het boek van Serulus overtuigend zien dat het nationaal beleid met betrekking tot vormgeving niet beperkt bleef tot huishoudelijk design. Dit wordt duidelijk vanaf de eerste bladzijde: de eerste Belgische designproducent die ter sprake komt is Fabrique National (FN) uit Herstal, een fabrikant van vuurwapens die vandaag in eerste instantie met gewelddadige conflicten wordt geassocieerd, maar die in de jaren vijftig geprezen werd omwille van zijn uitdrukkelijke investeringen in design. Zo waren op de Belgische Sectie van de Triënnale van Milaan van 1957 elegante jachtgeweren van FN te zien als voorbeelden van de beste designproductie die het land op dat moment te bieden had. Terwijl recent nog de exportlicenties van FN naar Saoedi-Arabië om politieke redenen werden ingetrokken, kreeg het bedrijf in de jaren vijftig extra zichtbaarheid op door de overheid gefinancierde designtentoonstellingen.

Dergelijke designhistorische verhalen bieden inzicht in de politieke dimensie van de voortdurend muterende materiële cultuur. Maar anders dan bijvoorbeeld in Groot-Brittannië, waar designgeschiedenis al meerdere decennia een erkende universitaire discipline is met eigen verenigingen, tijdschriften en master- en doctoraatsprogramma’s, opereren Belgische designhistorici binnen of vanuit andere disciplines, zoals kunst-, architectuur- of interieurgeschiedenis. Hoewel designgeschiedenis in België weinig zichtbaar en ondervertegenwoordigd blijft, is dat als vertrekpunt niet noodzakelijk problematisch. Het stimuleert designhistorici om creatieve oplossingen te zoeken, om over universitaire grenzen heen samen te werken en om deel te nemen aan internationale en transnationale netwerken en evenementen. Design & Politics is een mooi product van zo’n manier van werken. Het is een bijzonder solide studie met een nationale focus die ook bewust wordt gepositioneerd in een internationaal onderzoeksveld. De publicatie van het proefschrift in een Engelstalig en rijk geïllustreerd boek strookt met de aard van het werk en is er tegelijk een passende bekroning van.

Samen met recente tentoonstellingscatalogi die de geschiedenis van design in België belichten – Design Derby. Nederland-België. 1815-2015, samengesteld door Frank Huygens en Mienke Simon Thomas (2015), en Panorama. Een geschiedenis van modern design in België, samengesteld door Katarina Serulus en Javier Gimeno-Martínez (2017) – roept Design & Politics indirect de vraag op hoe het vandaag gesteld is met de relatie tussen design en politiek. Het Belgische Design Centre verdween meer dan dertig jaar geleden, en recente gefederaliseerde instellingen voor designpromotie ondergingen diverse hervormingen of fusies. In Vlaanderen wordt design vandaag beschouwd als een ‘creatieve industrie’, naast mode en gaming, die door het Flanders District of Creativity wordt ondersteund. Flanders DC helpt vooral ‘ondernemers’, en doet dit naar eigen zeggen op een ‘neutrale’ manier. Het leggen van verbanden tussen design als vorm van cultuurproductie en de overheid gebeurt in elk geval een stuk behoedzamer dan een halve eeuw geleden. De keerzijde van de medaille is dat de economische waarde van design nog sterker wordt onderlijnd.

 

Design & Politics. The Public Promotion of Industrial Design in Postwar Belgium (1950-1986) van Katarina Serulus verscheen in oktober 2018 bij Leuven University Press.