Wouter Davidts

DE WITTE RAAF

Editie 196 november-december 2018

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Gordon Matta-Clark en Anarchitecture

De twee recentst verschenen boeken over de Amerikaanse kunstenaar Gordon Matta-Clark vonden allebei hun oorsprong in een tentoonstelling. Het eerste boek, Cutting Matta-Clark: The Anarchitecture Investigation van architectuurhistoricus en –theoreticus Mark Wigley is een vervolg op Gordon Matta-Clark and Anarchitecture: A Detective Story, een tentoonstelling die hij in 2006 met Gwendolyn Owens en Philip Ursprung samenstelde aan de Columbia School of Architecture, New York met materiaal uit het archief van Matta-Clark uit het Canadian Centre for Architecture (CCA) in Montréal. Het lijvige boek dat twaalf jaar na datum verschijnt, is geen verlate catalogus. Het rapporteert in detail over Wigleys daaropvolgende speurtocht naar bewijsmateriaal over Anarchitecture, een tentoonstelling die door Matta-Clark en enkele bevriende kunstenaars in 1974 in New York werd gemaakt.

Het tweede boek, getiteld Gordon Matta-Clark: Anarchitect, verscheen naar aanleiding van de gelijknamige tentoonstelling die omtrent de voorbije jaarwisseling te zien was in het Bronx Museum of the Arts in New York en net voor de zomer in het Jeu de Paume in Parijs. Tentoonstelling en boek vinden hun aanleiding in de innige verbintenis van het werk van Matta-Clark met de Bronx: in leegstaande panden in het zuiden van deze destijds erg verloederde New Yorkse wijk voerde de kunstenaar in het begin van de jaren zeventig zijn allereerste autonome snedes of ‘cuttings’ uit.

Zowel op vlak van aanpak als inzet kunnen de twee boeken niet meer van elkaar verschillen. Dit uit zich in het onderscheiden begrip van het woord ‘anarchitectuur’ dat de twee boeken respectievelijk aanleveren. Zoals de titel van het boek van het Bronx Museum of the Arts laat vermoeden, wordt Matta-Clark, die zelf ooit architectuur studeerde aan Cornell University, opgevoerd als een ‘anarchitect’. Zijn unieke ingrepen op architectuur worden door de curatoren beschouwd als ‘anarchitectuur’, als een praktijk waarmee hij ‘de basisveronderstellingen en -voorwaarden van de architectuur in vraag stelde, alsook van een breder domein dat sculptuur, tekening, foto en film omvat’. Laat dit nu net het soort affirmatieve lectuur van ‘anarchitectuur’ zijn waar het boek van Wigley zich duidelijk van wil distantiëren. Wigley vertrekt net van de fundamentele onduidelijkheid omtrent het woord, en pretendeert niet een definitie van het woord te kunnen geven, net zomin als een finale omschrijving van het project.

Matta-Clark wordt gemeenlijk aanzien als de bedenker van de term, en als de leider van een kleine groep gelijkgezinde kunstenaars die in de vroege jaren zeventig onder deze benaming samenkwamen in lofts in downtown Manhattan om de betekenis ervan te bespreken. Andere leden van de groep waren Dickie Landry, Tina Girouard, Jene Highstein, Richard Nonas, Suzanne Harris, Bernie Kirschenbaum en Laurie Anderson. De meetings zouden geresulteerd hebben in een collectieve tentoonstelling die in 1974 van 9 tot 20 maart te zien was in de roemruchte alternatieve kunstruimte 112 Greene Street, een rauwe, gelijkvloerse ruimte in de loft van zijn vriend Jeffrey Lew. Wigley spreekt steevast in de voorwaardelijke wijs, want de bewijslast is omgekeerd evenredig met de grote roem van het project. Wigley houdt de optie open dat de tentoonstelling nooit heeft plaatsgevonden. De aankondiging bestaat, maar foto’s of andere documentatie ervan blijft onvindbaar. Wigley spreekt daar terecht zijn verbazing over uit: alle groepsleden, en Matta-Clark in het bijzonder, waren immers erg bedreven in het fotografisch of filmisch vastleggen van hun talrijke exploten. Matta-Clark zelf nam trouwens de tentoonstelling nooit op in zijn curriculum vitae.

Het eerste en belangrijkste inzicht dat Wigley aanreikt, terwijl hij als een detective vastberaden de ‘bewijslast’ opbouwt, is even eenvoudig als ingrijpend. In dezelfde periode dat Matta-Clark en zijn artistieke kompanen discussies hielden over de term ‘anarchitectuur’, realiseerde hij een van zijn meest iconische werken: Splitting in Englewood, New Jersey, 1974. Voor dit radicale werk sneed de kunstenaar een banale, losstaande eengezinswoning doormidden, waarop hij vervolgens een helft een paar graden deed kantelen door een dunne spie uit de sokkel van het gebouw te snijden. In de vroege receptie van Splitting, onder meer via artikels in het magazine Art-Rite en het tijdschrift Art in America, werd dit werk meteen aanzien als een directe exponent van ‘anarchitectuur’. Enige vermelding van de groep of de collectieve tentoonstelling, zo merkt Wigley terecht op, werd er echter niet gemaakt. Hij verbaast er zich dan ook over dat die lectuur van het werk van Matta-Clark sindsdien gemeengoed is geworden: de tentoonstelling in het Bronx Museum of Arts is heus niet de enige tentoonstelling die een gelijkschakeling doorvoerde, dichter bij huis bezondigde ook bijvoorbeeld het M HKA er zich aan (Gordon Matta-Clark: Anarchitectuur, 2012). Temeer daar Matta-Clark in het veelvuldig herdrukte en geciteerde interview van Liza Bear uit 1974 voor het tijdschrift Avalanche uitdrukkelijk tegensprak dat Splitting een voorbeeld van ‘anarchitectuur’ was. Waarom, vraagt Wigley, hebben auteurs deze duidelijke verklaring stelselmatig genegeerd, terwijl ze tegelijk buitensporig veel aandacht hechtten aan zijn uitspraken en geschriften?

Wigley argumenteert dat Matta-Clark de architecturale snedes gelijktijdig met het ‘anarchitectuurproject’ heeft ontwikkeld, maar dat ze niet onder dezelfde noemer vallen. Het bekende telegram dat Matta-Clark in december 1973 vanuit Amsterdam naar zijn kompanen stuurde bevat talloze ‘anarchitecturale’ ideeën, maar geen enkele ervan bevat het voorstel tot het versnijden van een gebouw. Bij de andere groepsleden wist Wigley nog tientallen beelden te bemachtigen waaruit blijkt dat ‘anarchitectuur’ niet Matta-Clarks persoonlijke project was, maar een uitgesproken groepsaangelegenheid. De verschillende leden hadden elk hun eigen invalshoek en aandeel.

In het boek traceert Wigley als een bedreven speurder de sporen van de tentoonstelling Anarchitecture, als was het een misdaad. In de vier opeenvolgende hoofdstukken beschrijft hij in detail de ‘onopgeloste zaak’, doet hij een ‘achtergrondcheck’, legt hij de ‘bewijzen’ op tafel, om tot slot enkele van de ‘medeplichtigen’ aan het woord te laten. Het levert een ongemeen boeiend vertoog op, waarbij voortdurend nieuwe feiten en inzichten over Matta-Clarks werk aangedragen worden. Wigleys bijwijlen narcistische schrijfstijl en maniëristische formuleertrant – ongetwijfeld een overblijfsel van zijn onderzoek over Jacques Derrida en de deconstructie in de architectuur – beginnen echter na een tijd wat te vervelen. Hoe grondig zijn bewijsvoering ook is, de doorgedreven metaforiek die hij hanteert van het forensisch onderzoek komt nogal jongensachtig over en dreigt soms zelfs het sérieux van zijn betoog te ondermijnen. Dat belet evenwel niet dat zijn boek nu al mag gelden als standaardwerk binnen de kritische en historische receptie van het werk van Matta-Clark.

Dat kan niet meteen gezegd worden van Gordon Matta-Clark: Anarchitect. De opgenomen essays, over de kunstenaar en modernistische architectuur (Antonio Sergio Bessa), het sociale karakter van zijn sculpturen (Cara M. Jordan) of de mogelijke relatie ervan met de geschriften van Georges Bataille (Xavier Wrona), grossieren in gekende feiten enerzijds of louter speculatieve beweringen anderzijds. Ronduit ergerlijk is de poging van elk van de drie auteurs om aan het eind van het essay de hedendaagse relevantie van de kunstenaar en zijn werk mee te geven – het was duidelijk een collectieve verplichting. Het afsluitende interview met curator Jessamyn Fiore, dochter van Matta-Clarks weduwe Jane Crawford en verantwoordelijk voor de Estate van de kunstenaar, biedt weinig meer dan enkele persoonlijke bespiegelingen. Een overbodig boek als dit doet je realiseren dat het soms toch beter is om af te zien van de wens om bij elke tentoonstelling een catalogus te maken.

 

• Mark Wigley, Cutting Matta-Clark: The Anarchitecture Investigation verscheen in 2018 bij Lars Müller/ Columbia GSAAP, ISBN: 9783037784273. Antonio Sergio Bessa en Jessamyn Fiore, Gordon Matta-Clark: Anarchitect verscheen in 2017 bij Yale University Press.