Lynne Van Rhijn

DE WITTE RAAF

Editie 197 januari-februari 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Alice Neel in New Jersey and Vermont en Douglas Eynon, Permanent Guest Host

De expositie van Alice Neel (1900-1984) bij Xavier Hufkens valt samen met een aantal museale overzichten van vrouwelijke kunstenaars van de vorige eeuw die meer eer toekomt dan ze bij leven kregen (zoals Hilma af Klint bij Guggenheim, Dorothea Tanning in Reina Sofía en Tate Modern en Carmen Herrera in het Whitney). Qua erkenning voor vrouwelijke kunstenaars in de kunstgeschiedenis valt er kennelijk nog altijd veel in te halen. Wat Alice Neel betreft: haar inhaalslag begon al wat eerder, en inmiddels wordt ze gerekend tot de belangrijkste moderne portretschilders. Haar eerste grote tentoonstelling binnen Europa was het overzicht uit 2010 in de Londense Whitechapel Gallery. In 2015 maakt ze haar Belgische debuut, ook bij Xavier Hufkens. En in de afgelopen jaren reisde een groot overzicht langs Helsinki, Den Haag, Arles en Hamburg.

In haar geboorteland de Verenigde Staten liet erkenning eveneens lang op zich wachten. Dat ze vrouw was zal haar carrière niet geholpen hebben, maar zeker ook haar voorkeur voor portretten niet – een vorm die in modernistische kringen lang gezien is als retardataire. En dan maakte Neel ook nog eens bepaald rauwe, onflatterende portretten.

Jeremy Lewison, adviseur van de Estate en samensteller van de expositie bij Hufkens, schreef in 2010 een artikel over het groteske in haar werk. Haar eerste naakten stammen uit de late jaren twintig – zeker mannelijk naakt was toen geen gepast onderwerp voor een vrouw. Dán al zijn haar naakten ongeïdealiseerd, verwrongen zelfs, met afhangend en gerimpeld vlees in blauw­- en groentinten.

Neel liet zich niet betrappen op ijdelheid, op de drang om virtuositeit te tonen, in bijvoorbeeld de realistische uitdrukking van textiel of het betrachten van anatomische gelijkenis. Of het nu haar karakter was, of ingegeven door een leven dat bepaald niet altijd makkelijk is geweest: Neel trok een lijn als ze daar zin in had, niet omdat decorum, gelijkenis of wat dan ook dat dicteerde. Die indruk weet ze althans te wekken, zeker in het latere werk, waar deze expositie uit bestaat. Achtergronden en andere invulling zijn met een paar streken neergezet, of blijven hoe langer hoe vaker achterwege. De bevrijding en autonomie die het werk uitstraalt maken het hoogst aantrekkelijk. Haar aandacht gaat veelal uit naar de expressiefste delen van een lichaam: hoofd en handen zijn vaak vergroot, en het meest uitgewerkt. In het bijzonder de starende ogen maakt ze ook in verf prominent.

Al vroeg ging Neels interesse uit naar wat haar als authentiek voorkwam: gewone mensen, hun worsteling met het leven. De linkse, artistieke kringen waarin ze verkeerde toen ze in Greenwich woonde, vond ze te ver van het ‘echte’ leven afstaan. Ze verhuisde in 1942 met haar gezin naar Spanish Harlem, waar ze twintig jaar bleef. Ze schilderde de buurtkinderen daar, de grotendeels Latijns-Amerikaanse gemeenschap. Pas later deed ze – op aanmoediging van een psychotherapeut – pogingen haar carrière te bevorderen door mensen uit de culturele wereld uit te nodigen voor een portret.

Met de jaren ging Neel vaker haar familie schilderen. In Manhattan woonde ze dicht bij zoon Richard en diens vrouw Nancy. Nancy and the Twins (5 Months) uit 1971 is geschilderd in New Jersey, waar Neel een huisje had. Daar in het groene Spring Lake brachten ze een groot deel van elke zomer samen door. In Vermont had haar andere zoon een boerderij, waar ze zelfs een eigen kamer als atelier kon opzetten – haar eerste.

Spring Lake was een ontsnapping, zei Neel in 1983. De selectie werken die gemaakt is voor onderhavige expositie reflecteert dat enigszins, al is ook hier niemand op een glimlach te betrappen. Zoon Hartley lijkt trots op zijn motorfiets, die opvallend gedetailleerd is uitgewerkt. Haar andere zoon staat in het gras met alleen een handdoek om. Er is kleur, er zijn bloemen, dieren. Wat deze mensen en plaatsen precies voor haar betekenden, daar moeten we toch naar gissen. ‘Schilderen biedt het vermogen om tegelijk abstract en beschrijvend te zijn,’ schreef Neel-bewonderaar Elizabeth Peyton. Dat een jonge moeder vermoeid oogt, is universeel. Maar het portret zegt verder niets expliciet – zeker bij je naasten kan dat wel zo handig zijn.

Terwijl Neel een zekere authenticiteit nastreefde, lijkt Douglas Eynon (1989) meer een verleider. Deze Brit studeerde beeldhouwen aan La Cambre en bleef daarna in Brussel. Zijn nieuwe werk bij galerie Rodolphe Janssen doet in stijl en aandacht voor esthetiek van verfeffecten sterk aan Daniel Richter denken. In de voorste ruimte presenteren Eynons schilderijen een duister, maar nergens echt verontrustend landschap in zwarte lakverf en fluorescerend groen. In zwart water staat een figuur met een opblaasbeest in de vorm van een kwaadaardige zwaan. Hij kijkt ons aan, een videocamera losjes in zijn hand, en ook de zwaan houdt ons in de gaten. Tussen de schilderijen zijn twee zwarte monochromen van keramiek gehangen, die ons gezicht reflecteren als een verwrongen schim, in de spiegeling onderdeel van de dreigende gifgroene enscenering.

De tweede ruimte is een soort mystieke woonkamer, waar de verticale strepen op een geschilderd landschap in gordijnen veranderen. Een rij zorgvuldig geboetseerde haken herinnert aan zijn samenwerking eerder dit jaar met een groep blinden. De groep maakte kleimaskers, die net zoals deze haken gepresenteerd werden op een rij. De daartoe gebruikte schroeven veranderen hier in ogen – nu loert dus zelfs het interieur naar ons. Ook het ‘tapijt’ nodigt uit tot fantasie. In de zwarte vloerbedekking die over de hele galerie strekt is met bleekmiddel een kleed getekend met een symmetrisch, rorschachachtig patroon. Er ontstaat een spelletje tussen de werkelijkheid, de voorgestelde realiteit waarin we betrokken worden en onze eigen verbeelding.

‘Ik haat beelden die je erop wijzen hoeveel werk er nodig was om ze te creëren’ heeft Alice Neel eens gezegd. Eynon heeft voor zijn expositie duidelijk de tijd genomen. Hij verzorgde verflagen met een gecontroleerde chaos, een zwarte romantiek van gif en verval, boetseerde, glazuurde, bakte. Juist na het bezoeken van de zo gedreven jakkerende Neel even verderop, doet dit werk onnodig aan. 

 

• Alice Neel in New Jersey and Vermont was tot 6 december 2018 te zien bij Xavier Hufkens, Sint-Jorisstraat 6, 1050 Brussel. Douglas Eynon, Permanent Guest Host was tot 20 december 2018 te zien bij Rodolphe Janssen, Livornostraat 35, 1050 Brussel