Johan Lagae

DE WITTE RAAF

Editie 197 januari-februari 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Wanneer we spreken over kolonisatie/Quand on parle de la colonisation

In 2017 initieerde het kunstenaarsduo Vesna Faassen & Lukas Verdijk het project Wanneer we spreken over kolonisatie/Quand on parle de la colonisation in de context van hun residentie aan het HISK. Het project bestaat enerzijds uit een boek en anderzijds uit een reeks debatten rond het Belgische koloniale verleden, een onderwerp dat in hun recente artistieke praktijk centraal staat, en dat ze, zoals ze op hun website aangeven, benaderen vanuit een centrale paradox in onze cultuur, namelijk ‘de heftige ontkenning van racisme en koloniaal geweld, die zich voordoet naast agressief racisme en xenofobie’. Sinds de verschijning van het boek in november 2017 hebben debatten rond de problematiek plaatsgevonden in diverse musea en culturele instellingen in Vlaanderen en Nederland. Daarmee lijkt het project zich in te schrijven in een recente tendens om zich via de omweg van een artistieke praktijk te engageren in het debat over het Belgische koloniale verleden; een tendens die sinds de ‘historiographical’ en ‘archival turn’ in de kunsten een aantal kunstenaars ertoe heeft gebracht zich te buigen over de donkere pagina’s van die geschiedenis, zoals Sven Augustijnen, Sammy Baloji of Vincent Meessen. Door hun focus op de bovenvermelde paradox, is het project van Faassen en Verdijk fundamenteel anders en sluit de agenda ervan direct aan op het ‘Decolonize Belgium’-debat dat sinds enige tijd in België woedt, en met de recente heropening van het vernieuwde AfricaMuseum in Tervuren een nieuw momentum kent. Faassen & Verdijk vertrekken van de premisse dat om het huidige klimaat van racisme en xenofobie beter te begrijpen, een betere kennis van het koloniale verleden nodig is. Dat kan, zoals ze in de inleiding van het boek stellen, alleen als in het debat over het koloniale verleden in Vlaanderen de dominantie van de blanke, mannelijke stem wordt doorbroken, en eindelijk ook Congolezen aan het woord komen. Het boek bundelt daarom vijf teksten van evenveel Congolese historici, die hier, ‘voor het eerst’ in het Nederlands worden vertaald. De Nederlandse versies worden in de fraai vormgegeven bundel gepresenteerd samen met de originele Franse versies.

De inspiratie voor deze operatie halen Faassen & Verdijk uit een tekst van historicus Idesbald Goddeeris van de KU Leuven, die in de media regelmatig opgevoerd wordt als Congo-expert, met name wanneer het gaat over hoe het koloniale verleden in België wordt herinnerd en, zoals de laatste tijd vaak het geval was, wanneer dat verleden wordt gecontesteerd door acties rond koloniale monumenten in de publieke ruimte. In die tekst uit 2011, getiteld ‘Congo in onze navel: de omgang met het koloniale verleden in België en zijn buurlanden’, stelt Goddeeris dat ‘In Vlaanderen geen enkel werk [is] verschenen van een Congolese historicus’, terwijl dat in het Franstalige landsgedeelte wel is gebeurd. Anno 2017, zo stellen Faassen en Verdijk op basis van hun onderzoek, is deze situatie nauwelijks verbeterd. In het publieke debat blijven Congolese stemmen afwezig. Meer nog, er zijn ‘geen boeken van Congolese historici aanwezig op Vlaamse scholen en in (stads)bibliotheken, ­met alle gevolgen van dien’.

Dat Faassen & Verdijk met hun project meer zichtbaarheid willen geven aan Congolese historici is op zich lovenswaardig. Het (academische) debat in Vlaanderen kan inderdaad aan diepgang winnen als we meer, en beter, geïnformeerd zijn over het koloniale verleden – in Franstalig België is de situatie wellicht iets rooskleuriger. De vijf hier geselecteerde historici (Donatien Dibwe Dia Mwembu, Sindani Kiangu, Pamphile Mabiala Mantuba-Ngoma, Jean-Marie Mutamba Makombo en Jacob Sabakinu Kivilu) verdienen het te worden gelezen, al hadden ook andere namen kunnen worden opgenomen.

Op de premisse van het project en de erin vervatte poging om ‘een onderliggende structuur zichtbaar te maken’ valt echter het nodige af te dingen. Het is immers een fundamentele misvatting dat een door ‘blanke mannen vertekende’ kijk op het koloniale verleden valt te remediëren zonder het denken in binaire categorieën te verlaten, of anders gezegd, door simpelweg de ‘blanke/witte’ stemmen in te ruilen voor ‘zwarte/Congolese’. Deze redenering getuigt van een wel erg beperkte vertrouwdheid met de verschuivingen in de historiografie over koloniaal Congo, die ondertussen bijvoorbeeld heeft aangetoond dat we die geschiedenis niet langer vanuit een exclusief Belgisch-Congolees perspectief kunnen schrijven. Zo’n pleidooi voor een omkering van de stemmen komt voort uit een verkramptheid die niet terug is te vinden in het werk van een aantal door Faassen & Verdijk opgevoerde Congolese historici. Sprekend zijn in dat verband een aantal volumes gewijd aan koloniale geschiedenis die zijn verschenen in de reeks Cahiers Africains, die door het AfricaMuseum in samenwerking met de in Parijs gevestigde uitgeverij L’Harmattan wordt uitgegeven. Deze bundels, waaraan Dibwe, Mabiala en Sabakinu meermaals hun medewerking verleenden, als auteur of als samensteller, illustreren welke thema’s de laatste jaren in de geschiedschrijving over koloniaal Congo aandacht hebben gekregen. Maar ze bieden bovenal een veel bredere kijk op wie er in het veld actief is: naast Congolese en Belgische onderzoekers, ook specialisten uit onder meer de VS, Canada en Duitsland. In de ondertitels van een aantal van deze bundels duikt de omschrijving ‘mélanges eurafricains’ op. Daaruit spreekt een benadering die uit is op een evenwichtige dialoog tussen stemmen van verschillende origine, in plaats van de eenvoudige omkering bij Faassen & Verdijk, waar nauwelijks plaats is voor ‘blanke/witte’ stemmen. In die zin was de inclusieve intentie van hun project gebaat geweest bij het opnemen van Nederlandse vertalingen van teksten van een aantal blanke stemmen, van zowel mannen als vrouwen: Jan Vansina, die met zijn boek Being Colonized. The Kuba experience in Rural Congo 1880-1960 een unieke blik biedt op hoe het koloniale project werd ervaren door een specifieke etnische groep; Jean-Luc Vellut, de intellectuele vader van tal van de hier opgevoerde Congolese historici; Amandine Lauro, een nog jonge historica die ontluisterende studies heeft geschreven over prostitutie en, recent, politiecontrole in koloniaal Congo; Nancy Rose Hunt die ondanks haar recent bekroonde boek A Nervous State. Violence, Remedies and Reverie in Colonial Congo zo goed als onbekend blijft in Vlaanderen. Het dynamische en interdisciplinaire veld van Congolese Studies blootleggen door een bredere waaier aan stemmen een forum te geven, lijkt een minstens even belangrijke operatie om voorbij de ‘Vlaamse navelstaarderij’ te geraken. Wie in veelstemmigheid geïnteresseerd is, kan ik alvast de lectuur aanraden van de uitgebreide ‘verantwoording van bronnen’ die David Van Reybrouck aan het eind van zijn veelgeprezen, maar ook vaak verguisde Congo. Een geschiedenis uit 2010 heeft opgenomen.

Het is een vreemde vooronderstelling dat Franstalige of Engelstalige publicaties het Congodebat in Vlaanderen ook niet zouden kunnen voeden. Temeer omdat het Congo-onderzoek in het buitenland vaak net innovatief is omwille van de open, interdisciplinaire blik. Het zou het (academische) debat in Vlaanderen over Congo al een stuk vooruit helpen als binnen de universitaire wereld de disciplinaire schotten konden worden gesloopt, want analyses als die van Goddeeris lijden onder een weinig productieve academische territoriumafbakening.

Wat het publieke debat betreft, leert de ervaring telkens opnieuw dat Vlaanderen niet zozeer te veel naar de eigen navel kijkt, als wel aan een vreemde vorm van amnesie lijdt. Wie vandaag in de pers beweert dat de Canvasserie De Kinderen van de kolonie voor het eerst een aantal heikele thema’s van dat koloniale verleden bespreekbaar maakt en Congolezen daarover aan het woord laat, zoals Idesbald Goddeeris onlangs nog deed in De Standaard, heeft de tentoonstellingen in het AfricaMuseum Het geheugen van Congo. De koloniale tijd uit 2005 en Indépendance! Congolese verhalen over 50 jaar onafhankelijkheid uit 2010, niet of in ieder geval te vluchtig bezocht.

Faassen & Verdijk zijn slim genoeg om zich in hun inleiding te presenteren als neofieten en toe te geven dat ze hun project als kunstenaars hebben opgezet vanuit een zekere naïviteit: ‘We zijn niet Congolees, maar ook niet Belgisch, we spreken geen Frans, we zijn geen geschiedkundigen.’ Ze stellen zich ook uitdrukkelijk op als waarnemers die enkel registreren en documenteren. Maar dat ontslaat hen, en de diverse culturele instellingen die hun project kritiekloos een platform bieden, niet van de plicht hun huiswerk beter te doen. Wie met het werk van de historici Dibwe, Mutamba, Mabiala en Sabakinu Kivilu vertrouwd is, weet bijvoorbeeld dat zij de door hun collega Kiangu geponeerde (en door Faassen & Verdijk overgenomen) directe koppeling tussen heden en verleden niet noodzakelijk delen. Kiangu, die in het project van Faassen & Verdijk bewust zijn eigen identiteit opeist, los van de koloniale erfenis, besluit zijn bijdrage met enkele vragen ontleend aan het werk van de Congolese schrijver, journalist en politicus Didier Mumengi, vragen die suggereren dat de machtsverhoudingen uit het koloniale verleden op een directe en eenduidige manier in het heden doorwerken. Dibwe, Mutamba, Mabiala en Sabakinu Kivilu werken in een historiografische traditie, die sterk beïnvloed is door het werk van onder meer Frans Bontinck, Léon de Saint-Moulin, Jean-Luc Vellut en, zeker bij de eerstgenoemde, Jan Vansina. Dat maakt hun werk niet minder relevant voor discussies over Congo vandaag, maar wel verschillend van de door Mumengi in zijn essay Réécrire l’Histoire (2017) bepleitte ‘décolonisation historiographique de la mémoire africaine’.

Mijn kritiek op de problematische vooronderstellingen van het project van Faassen & Verdijk impliceert geenszins dat artistieke praktijken geen rol hebben te spelen in het openbreken van het debat rond het koloniale verleden. De projecten van Vincent Meessen zijn voor mij exemplarisch, omdat hij in Personne et les autres (2015) en Patterns for (Re)cognition (2017) erin slaagt via diepgravend onderzoek verrassende, maar erg revelerende aspecten van een vergeten geschiedenis naar boven te halen. Zelf heb ik samenwerking met kunstenaars en intellectuelen als Sammy Baloji, Patrick Mudekereza, Jacob Sabakinu Kivilu en Donatien Dibwe altijd als erg verrijkend ervaren. Het heeft de manier waarop ik vandaag naar geschiedenis in Congo kijk beïnvloed en, naar ik meen, geldt dat omgekeerd ook voor hen. Maar mijn talloze samenwerkingen met Congolese historici en kunstenaars hebben me ook geleerd dat het goed is om geschiedenis niet al te snel te willen instrumentaliseren voor een debat over de actuele maatschappelijke situatie vandaag, niet in Congo, maar ook niet in Vlaanderen.

 

• Vesna Faassen & Lukas Verdijk, red., Wanneer we spreken over kolonisatie/Quand on parle de la colonisation verscheen in 2017 bij Publieke Acties, ISBN 9789077207468.