Jorne Vriens

DE WITTE RAAF

Editie 198 maart-april 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Recent Histories

Op de bovenste etage van het grachtenpand waarin fotografiemuseum Huis Marseille is gevestigd, wordt fotografe Sabele Mlangeli geciteerd: ‘Johannesburg is meer dan mensen die zich door de straten bewegen.’ In Recent Histories zijn opvallend veel beelden van de gebouwde omgeving en het landschap te zien. Zo maken fotografen terloopse registraties van de stad, zonder daarbij de bebouwing te willen monumentaliseren. Mede door de afwezigheid van markante skylines of andere landmarks, zijn de stadsbeelden niet of nauwelijks te lokaliseren. Hoewel de ondertitel Contemporary African Photography luidt, heeft deze tentoonstelling niet tot doel het continent Afrika in beeld te brengen. Het uitgangspunt is niet om een algemeen beeld te scheppen van ‘Afrikaanse kunst’, wel om te laten zien hoe kunstenaars zich tot de term ‘Afrikaans’ verhouden. Dat eerste zou ook onmogelijk zijn, omdat in de tentoonstelling hoofdzakelijk werk te zien is van kunstenaars uit Zuid-Afrika.

Voor de tentoonstelling is geput uit de collecties van Huis Marseille en Han Nefkens H+F, en uit The Walther Collection (New York/Neu-Ulm). Het merendeel van de kunstenaars toont series of meerdere werken. In de begeleidende teksten ligt de nadruk vooral op de scholen waartoe (sommige) van de fotografen kunnen worden gerekend of waar ze hun opleiding hebben gevolgd. De belangrijkste is ongetwijfeld The Market Photo Workshop in Johannesburg die werd opgericht door de recent overleden fotograaf David Goldblatt. Toch blijft het gissen naar de onderlinge verbanden tussen de kunstenaars, tussen leerling en leermeester.

Goldblatt heeft een uitgesproken persoonlijke beeldtaal, en onrechtstreeks thematiseert hij in zijn oeuvre vaak de gevolgen van apartheid. Er is onder meer een close-up te zien van een zweetdruppel die parelt over de nek van een witte, zonnebadende vrouw (Woman sunbathing, Fellside, Johannesburg, 1975). De jongere generatie lijkt juist te willen breken met het documenteren van onrecht en ellende in haar land. Schrijver en curator Okwui Enwezor omschrijft deze tendens in zijn boek Snap Judgments (2006) als een afrekening met het ‘afro-pessimisme’ dat alleen maar het heersende clichébeeld zou bevestigen dat westerse media van Afrika schetsen. De fotografie moet daar geen optimistisch beeld tegenover plaatsen, aldus Enwezor, wél een genuanceerde kijk bevrijd van vooroordelen en stereotypen.

Dat zien we bijvoorbeeld in de manier waarop architectuur in beeld wordt gebracht – met aandacht voor de formele kwaliteiten van gebouwen, zoals bij Mlangeni wanneer ze het lijnenspel op de façade van een flat vastlegt. Ook Michael Tsegaye belijdt een vorm van realisme die weet te verrassen: op zijn zwart-witluchtopname van Addis Abeba contrasteert een lappendeken aan golfplaten met betonnen flats die tussen de clandestiene bouw verrijzen. Nog formalistischer is de afdruk gemaakt door Mame-Diarra Niang van een witte muur met vierkante groene deurlijsten en een stenen vierkant precies in het midden van de gepleisterde wand. Haar serie Sahel Gris is een geslaagde registratie van betonnen woningen die zijn afgedrukt in waterige kleuren op grofkorrelig aquarelpapier wat de uitvoering schilderachtig maakt. Oranje woestijnzand omringt de onaffe huizen, waardoor het toch geen ode aan de huiselijkheid kan zijn. Het formalisme dat in deze tentoonstelling vaak terugkeert leidt allerminst tot het negeren van de sociale realiteit. Er wordt juist gespeeld met betekenis, door de status van de onaffe gebouwen – zijn ze in verval of in opbouw – in het ongewisse te laten.

De drie foto’s van Pieter Hugo tonen de alledaagse realiteit van de mensen die hij fotografeert en horen tot de beste van de tentoonstelling. Een jongeman ligt op een kleine tweezitsbank, zijn linkerbeen is opgetrokken; zijn rechterbeen en hand bungelen boven de tegelvloer in een verder lege ruimte. Zijn blik verraadt geen berouw over zijn landerigheid, en in die vastberaden onbestemdheid schuilt de kracht van het beeld. Op de foto ernaast is een man in het bos ten voeten uit vastgelegd; zijn rechterhand omklemt een kapmes; om zijn linkerarm heeft hij een plastic emmer gehaakt. De functie van de bladeren om zijn hoofd lijkt onbestemd, terwijl zijn zelfverzekerde houding ervoor zorgt dat je zoekt naar houvast in het beeld. De bladertooi om zijn hoofd dient als bescherming tegen bijensteken, want hij is honingzoeker, zo blijkt uit de wandtekst. De derde foto toont een betonnen vloer met een geïmproviseerde slaapplaats in karton – een omgeving die getuigt van een moeilijk bestaan. Hugo’s stijl past in een documentaire traditie die vooral een behendige omgang met de schaars beschikbare middelen toont.

Wat uit Recent Histories duidelijk blijkt is dat een nieuwe generatie kunstenaars het medium fotografie naar haar hand zet. Em’kal Eyongakpa bijvoorbeeld, alumnus van de Rijksakademie, laat op zijn foto’s, die als installatie zijn gepresenteerd, door middel van een lange sluitertijd de schimmen van sjamanistisch dansen zien zonder dat het ritueel zelf verschijnt. Het is een beeld dat alleen betekenis heeft als ritueel en niet als spektakel. Of Lebohang Kganye, die zichzelf in de foto’s van haar overleden moeder monteerde, en daarmee een rouwproces zichtbaar maakt. Beiden geven door te zoeken naar persoonlijke of culturele traditie een hoogstpersoonlijke invulling aan de term ‘Afrikaans’.

 

• Recent Histories, liep tot 10 maart in Huis Marseille, Keizersgracht 401, 1016 EK Amsterdam.