Daniël Rovers

DE WITTE RAAF

Editie 198 maart-april 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Éric Van Hove. Fenduq

Het werk van Éric Van Hove, en ook zijn overzichtstentoonstelling in het Fries Museum, begint met een eenvoudige metafoor, die als volgt beknopt kan worden geformuleerd: het sieraad van een motorblok. Zo’n motorblok, een door een industrieel ontwerper samengebracht geheel van cilinders, zuigers, kleppen en ventilatoren, bezit een zekere schoonheid, die doorgaans verborgen zit onder de goed gesloten motorkap. Maar wanneer die kap dan opengaat, is er vaak een technisch mankement op te lossen, en ontbreekt de tijd of de wil van die schoonheid te genieten. Er moet iets gerepareerd worden, en alleen al de aanblik van dat complexe mechaniek kan de gemiddelde autobezitter wanhopig stemmen.

In Leeuwarden gaat de tentoonstelling van start met (onderdelen van) Van Hoves V12 Laraki (2012), waarmee de kunstenaar internationaal bekendheid verwierf. De naam komt van de gelijknamige sportwagen, de eerste auto die in Marokko werd ontworpen én gefabriceerd. Alleen de motor van de eerste Laraki was nog van Duitse makelij, een Mercedes 6.0L V12 om precies te zijn. Van Hove liet juist dit geïmporteerde motorblok door lokale ambachtslieden (zo’n twintig procent van de Marokkaanse beroepsbevolking oefent een ambacht uit) reproduceren, met behulp van lokaal voorhanden of gevonden materiaal, onder meer koper, koeienhoorn, zandsteen en katoen. Van Hove oogstte met zijn motorsieraad veel bijval op de biënnale van Marrakech in 2014, waar na de officiële openingstijden de bezoekers toestroomden om dit wonder van techniek, maar vooral van kunst en ambacht te bewonderen.

Volgend op de vitrine met een blinkende ‘dynamo’ en een ‘luchtfilter’ van V12 Laraki staat een levensgrote Mercedes met opengeklapte deuren in de museumzaal. Het is een uit diverse onderdelen nagebouwde Mercedes 240D, tot voor kort in Marokko zeer geliefd als taxi. De Marokkaanse overheid wilde liever af van deze vervuilende wagen, en spoorde eigenaren aan tot inruil of sloop. Van Hove verzamelde afgedankte en gesloopte onderdelen, zette met zijn team een rijwaardige auto in elkaar, en noemde die Dorigin. Vervolgens reed hij in de samengestelde Mercedes terug naar Duitsland, het land van herkomst. In de zaal klinkt uit de boxen van de tentoongestelde auto de stem van Van Hove, die aan de hand van steekwoorden historische en politieke impressies deelt, terwijl er beelden van voorbijtrekkende steden en landschappen op de wand worden geprojecteerd. Bezoekers mogen plaatsnemen in de bestuurdersstoel, zich even eigenaar wanen van een Duitse bijna-oldtimer.

Van Hove heeft V12 Laraki nog een aantal maal herhaald, steeds met andere motorblokken. Bijvoorbeeld met het motorblok van een Caterpillar bulldozer van het type D9, waarmee menig terrein bouwrijp is gemaakt. Maar de bulldozer werd eveneens ingezet om huizen plat te walsen, of zelfs om betogingen de kop in te drukken. De D9T (Rachel’s Tribute) van het Fries Museum is een sierlijke sculptuur, gemaakt door een ploeg van zo’n veertig ambachtslieden, onder meer met diverse hout- en marmersoorten. Het werk is opgedragen aan Rachel Corrie, een Amerikaanse activiste die in Gaza tijdens vredesprotesten door een bulldozer van het Israëlische leger werd platgewalst.

Van Hove kiest nooit zomaar een motorblok ter reproductie uit; het gaat er hem ook altijd om een historische dimensie zichtbaar te maken. Zijn oefeningen in ambacht zijn ook pogingen om op een andere manier naar de wereld te kijken. En daardoor dichotomieën als die van centrum versus periferie, origineel versus reproductie, schoonheid versus banaliteit te doorbreken. Het gaat bij Van Hove – de zoon van Belgische ingenieurs-ontwikkelingswerkers – uiteindelijk om de machtsvraag: wie heeft de macht om iets te maken, om werk tentoon te stellen, om dominantie te claimen? Hij richt dubbelzinnige monumenten op voor de verbrandingsmotor, die rijkdom heeft opgeleverd, maar ook, achteraf gezien, de vernietiging van de planeet dichterbij heeft gebracht.

Tijdens het komend jaar dat hij in Friesland tentoonstelt, zal er opnieuw een motorblok worden nagemaakt, namelijk de V8-motor van de Claas Jaguar veldhakselaar, het soort allround landbouwmachine dat maïs- en grasland maait. Hij wordt naar verluidt in Friesland de ‘Fryske motor’ genoemd. Vaklieden in Friesland, Zweden en Marokko en Indonesië zijn ingeschakeld, en het Fries Museum hoopt het motorsieraad na een jaar aan te kunnen kopen. Hoewel het werk nog niet af is, lijkt de inzet in dit geval een stuk minder politiek beladen. Voorlopig wordt gewag gemaakt van het belang van de landbouw, en de kracht van het Friese ambacht, als in een wervingsreclame van de plaatselijke VVV. Zal Van Hoves ‘Fryske motor’ zich ook lenen tot het plaatsen van kritische kanttekeningen? Bijvoorbeeld met een verwijzing naar de machtige melk(poeder)industrie die zo duidelijk zichtbaar is voor wie over de A7 Heerenveen passeert? Die trouwe Claas Jaguar veldhakselaar mag de graswoestijnen onderhouden die nodig zijn om de wereldmarkt van calcium en eiwitten te voorzien.

Van Hove heeft in zijn loopbaan al een volgende stap gezet. Met projecten als die in Friesland financiert hij de werkplaats Fenduq in Marrakech, waar hij tien ambachtslieden in vaste dienst heeft. Hij is bezig een elektrische scooter in productie te nemen, die met uitzondering van de accu en de elektromotor in Marokko wordt gemaakt. In de tentoonstellingsruimte speelt een didactische video waarop het sympathieke project wordt uitgelegd. Niet gesproken wordt over het feit dat Marokko inmiddels onderdak biedt aan een deel van de (Franse) auto-industrie. Ook de automultinationals weten de technische kennis van de Marokkaanse beroepsbevolking te waarderen.

 

• Éric Van Hove, Fenduq, tot 5 januari 2020 in Fries Museum, Wilhelminaplein 92, 8911 BS Leeuwarden.