Paul Willemsen

DE WITTE RAAF

Editie 198 maart-april 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Luigi Ghirri. Cartes et territoires

Luigi Ghirri, die in 1992 op negenenveertigjarige leeftijd overleed, liet een apart fotografisch oeuvre na. Het onvermogen om het wezen van de realiteit te raken, maakt de kern ervan uit. Tot hij zich op zijn dertigste volledig richtte op de fotografie was hij landmeter in Modena, een stadje in het hart van de Noord-Italiaanse regio Emilia-Romagna. Het vanaf een afstand beschouwen van de structuur van de dingen, een van zijn waarmerken, ontleende hij ongetwijfeld aan dat metier. Zijn werk, dat twintig jaar overspant, deelt zich op in twee decennia: de jaren zeventig en tachtig. Tussen beide tijdruimtes loopt een scheidslijn, maar die vormt geen harde breuk. Het meer iconografische, formeel vindingrijke werk van de jaren zeventig vertoont affiniteiten met de toenmalige conceptuele praktijk in de beeldende kunsten. Wanneer de institutionele kunstwereld in de jaren tachtig het conceptuele de wacht aanzegt en met la transavanguardia italiana en die Neuen Wilden volop de kaart trekt van neo-expressionistische gestes, helt Ghirri’s fotografie over naar het document. Hij levert een belangrijke bijdrage aan de vernieuwing van de landschapsfotografie, en richt zich voorts op de architectuur (onder andere een samenwerking met architect Aldo Rossi) en het stilleven (Giorgio Morandi’s atelier).

Luigi Ghirri. Cartes et territoires in het Jeu de Paume (eerdere locaties waren Folkwang Essen en Reina Sofia Madrid) concentreert zich op de periode 1970-1979. Curator James Lingwood herneemt Ghirri’s veertiendelige monografische tentoonstelling Vera Fotografia die in 1979 plaatsvond in het Parmezaanse Palazzo della Pilotta, en vult die aan met een beknopte selectie uit Ghirri’s eerste album Kodachrome (1978). Om de coherentie – of noem het eenheid in diversiteit – van het werk uit de jaren zeventig te tonen, lag de reprise voor de hand. De expo in Parma kwam destijds tot stand op basis van Ghirri’s aanwijzingen en bovendien werd elke serie ingeleid door een essay van zijn hand – steevast boeiende bespiegelingen over fotografie. Een dankbare kapstok dus om terug te blikken op het decennium. Ook de bij MACK uitgegeven begeleidende catalogus hanteert deze structuur. (De voorbije jaren publiceerde de uitgever al een facsimile van Kodachrome en Ghirri’s verzamelde essays.)

In de jaren zeventig realiseerde Ghirri zijn opnames met behulp van een Canon kleinbeeldcamera en Kodachrome, een wijdverbreide 35mm-diapositieffilm gekarakteriseerd door zijn levendige en natuurlijke kleuren. Jan en alleman gebruikte destijds het formaat voor familie- en vakantiekiekjes. Net zoals de leek liet de fotograaf zijn beelden trouwens jarenlang industrieel ontwikkelen en afdrukken. Ghirri werkt in kleur omdat – zoals hij stelt – ‘de wereld in kleur is’, maar hij is geen colorist. Aan de kleuren zelf ontleent hij geen retoriek. Het curieuze, bevruchtende samengaan van een amateurgevoeligheid, een fascinatie voor de wereld via kleur, een minimalistische bezonnenheid en een conceptueel denkraam maken zijn werk singulier. Komt daarbij nog Ghirri’s aandacht voor doodgewone, schijnbaar banale onderwerpen waar de meeste professionele fotografen geen oog voor hadden. Daarmee plaatste hij zich bewust buiten de mainstreamtraditie van de kunstfotografie van zijn tijd, die zweerde bij zwart-wit, het beslissende moment en in de regel een humanistische inspiratie.

De reële wereld beschouwt Ghirri als ‘een grote fotomontage’, waarmee hij aansluit bij het semiotisch getekende intellectuele tijdsklimaat van de jaren zeventig. Zijn overwegend in Emilia-Romagna gesprokkelde beelden verkennen hoe de directe ervaring door een invasieve tekenrealiteit gecorrumpeerd wordt; hoe werkelijkheid zelf al tot beeld geworden is. Motieven voor zijn reeksen vormen onder meer pretparken (Il paese dei balocchi), miniatuurreplica’s van landschappen en steden (In scala), macroscopisch uitvergrote atlasdetails (Atlante), ironische wenken naar de moderniteit in de stedelijke periferie (Italia ailati), het beeld in het beeld (Paesaggi di cartone, Still Life), de toeristische beleving (Diaframma 11, 1/125, luce naturale) en reclamefotografie (Km. 0,250 of de serie Kodachrome).

In Topography-Iconography, een bijdrage van 1982 voor Camera Austria, bekent Ghirri: ‘de betrachting om alles te zien wat reeds gezien werd, en het waar te nemen alsof ik er voor het eerst naar keek […] interesseert mij het meest.’ Vormelijk kiest hij daarbij voor de frontale opname, en het benadrukken van de structuur van de oppervlakte. Het is een ongekunstelde, bedachtzame, stille – lees: niet-zelfexpressieve – fotografie. Gewagen van stijl is een heikel punt. Ghirri haatte de term. Stijl was voor hem gecodeerd lezen en de fotografie een bij uitstek niet-gecodeerde taal. Fotografie kwalificeert zich zo als een open vorm die appelleert aan het kijken: een reis in een tweede (beeldmatige, pre-existerende) realiteitslaag, zo je wil. Foto’s dienen dan niet langer beschouwd te worden als afbeeldingen, maar als een verzameling fragmenten of tekensplinters uit de ‘waargenomen’ wereld. Innerlijke en uiterlijke werelden krijgen dezelfde rang. Ghirri’s beelden situeren zich op het kantelpunt van de fysieke ruimte van de fotografische registratie (heterogeen, analytisch, leesbaar) en de mentale ruimte van de kunstenaar (verholen, interpretatief, suggestief), die als een preset fungeert. In het gebaar van het kijken ligt onveranderlijk een grote interioriteit vervat.

De retrospectieve toont Ghirri’s beelden voor het eerst sinds zijn overlijden buiten Italië. Het herontdekken van dit coherente werk (tevens rijk in zijn verscheidenheid), zorgt voor een uitzonderlijke ervaring. De scenografie staat de idee voor van het vrij bewegen in een veld van nevengeschikte rechthoekige presentatie-eilanden: vijftien, evenveel als er series zijn. De pastelachtige grondkleuren van de muren, ontleend aan het straatbeeld in Emilia-Romagna, helpen bij het afgrenzen. Enerzijds hebben de delen een autonomie, anderzijds corresponderen ze onderling. In de ruime, vrij landschappelijke museumarchitectuur van David Chipperfield in Folkwang Essen werkte dat wonderwel. In het Jeu de Paume hypothekeert de gedrongenheid van het gebouw en de beperkte ruimte dat opzet. Dat het Jeu de Paume zweert bij dubbeltentoonstellingen (Florence Lazar wordt parallel getoond) heeft onvermijdelijk ook consequenties: in Essen waren er 250 werken te zien, in Parijs blijft de teller steken op 150. Een minpunt in een hoe dan ook belangwekkend overzicht.

 

• Luigi Ghirri. Cartes et territoires, tot 2 juni in het Jeu de Paume, 1 Place de la Concorde, 75008 Parijs.