Tom Engels

DE WITTE RAAF

Editie 199 mei-juni 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Anne Imhof. Sex

Wanneer een drummende massa toeschouwers de kelders van Tate Modern probeert binnen te dringen, komt een vijftiental performers schoorvoetend en bedrukt de ruimte binnen. Felle lichtflitsen werpen hun schaduwen tegen de kille muren van The Tanks, de voormalige olieopslagtanks die in 2012 werden omgebouwd tot permanente galeries voor performance, video en film. Wie door de beperkte capaciteit de ruimte niet kan betreden, ziet desondanks in de verte Eliza Douglas, zelf kunstenaar, model en het liefje van Imhof, een reusachtig metalen voetstuk beklimmen. Douglas’ duistere openingshymne kadert de eerste beweging: een duo vindt elkaar, en met de handen om elkaars nek zetten ze een wals in. Niet rechtop of verheven, maar neerwaarts, zich agressief vastklampend aan elkaar. Hun schimmenspel van roterende silhouetten die zich vaag aftekenen op de muren is de voorbode van een donker spektakel, een listig aantrekken en afstoten dat zich de komende vier uur zal voltrekken.

Met Sex breit Imhof een vervolg aan haar passage op de Biënnale van Venetië in 2017, waar ze met Faust de Gouden Leeuw in de wacht sleepte. Sindsdien zijn de meningen over Imhof hartstochtelijk verdeeld: voor de een is ze slechts een modefenomeen, voor de ander ‘the queen of spleen’. Van meet af aan was haar werk doorspekt met tropen van verstarring, eenzaamheid en vervreemding, belichaamd door haar bijzonder aantrekkelijke performers. Sommigen onder hen zijn professioneel model, en hun ‘too cool for school’-attitude doet tegelijk kil als opwindend aan. Imhof schetst een beeld van een verbitterde, verbeten jeugd, met zwemen van white trash, heroine chic en sub- en clubcultuur, dat desondanks resoneert in ’s werelds hoogst aangeschreven kunstinstituten. Hun ‘look’, zowel hun uiterlijk als hun blik, staat centraal en wordt gecapteerd en vermenigvuldigd door een zee van smartphoneschermpjes. Langs de zijlijn stuurt Imhof, geflankeerd door een producer en bodyguard, het gebeuren door middel van WhatsAppberichten. Een performance van Imhof gaat altijd over gestuurd worden en verloren lopen, over kijken en bekeken worden, en over hoe blikken gebroken, vervormd of gereproduceerd kunnen worden.

Het zijn die beelden die de show maken: een halfnaakte Ian Edmonds geselt zijn schaduw met een zweep; Billy Bultheel speelt geknield op een matras een riedeltje op zijn melodica; Douglas spelt enkele Harmony Korine-hangjongeren de les met spreuken als ‘tooth for tooth, eye for eye, what is dead will never die’. Boeketten rozen gaan in vlammen op, en Imhofs Gouden Leeuw staat in een hoekje te blinken terwijl het een blikje Stella Artois ondersteunt. De performers poseren, lurken aan hun elektronische sigaret, likken aan hun eigen arm en hangen wat rond. Ze zijn afstandelijk maar zelfbewust, en lijken deze acties uit te voeren om zichzelf te beschermen. Zo wordt het alledaagse haast pretentieus. Ze houden deze acties als het ware voor zich uit, pretenderen, en reveleren daarmee hoe tropen en mechanismen van performance onze dagdagelijkse realiteit domineren. Door de versnippering van het werk lijkt de dramaturgie dun en haast onleesbaar, maar net dat zorgt ervoor dat er een permanent gevoel van terughoudendheid ontstaat, een verlangen dat nooit volledig ingevuld kan worden. De eclectische en pompende soundtrack, een opeenvolging van Vivaldi, snoeiharde gitaren, drones en romantische liederen, brengt houvast in de chaos van versnipperde acties en wisselende locaties.

Imhofs installatie strekt zich uit over de drie ruimtes van The Tanks. Twee grote ruimtes zijn inversies van elkaar: in de South Tank staat het publiek op een metalen tribune en kijkt het neer op de performers; in de East Tank paraderen de performers op een houten, schavotachtige constructie en bewegen ze zich achter een muur van glas en metaal die de helft van de ruimte omspant. In de derde, intiemere ruimte liggen een hoop T-shirts, enkele matrassen op de grond; Imhofs fotografie en schilderijen hangen aan de muur. Deze architecturale structuren – dranghekken, spreekgestoelten, voetstukken en schavotten – dienen als manifestaties van machtsverhoudingen en geweld. Opvallend is hoe sterk de vormgeving van deze agressieve architectuur resoneert met de solotentoonstelling van Cady Noland in MMK Frankfurt, niet toevallig gecureerd door Susanne Pfeffer, die Imhof uitnodigde voor het Duitse paviljoen in 2017. Zo lijken Nolands dranghek (Dead Space, 1989), stalen buizen (Mutated Pipe, 1989), houten schavot (Saloon Stairs, Blank with Extra Wood, 1990) en zelfs haar ingedeukte blikjes Budweiser en stalen kettingen (Bloody Mess, 1988) als blauwdruk gediend te hebben voor Imhofs architectuur van verdrukking. Maar daar waar Noland via haar installaties het sociale verval van het Amerika van de late jaren tachtig blootlegt, lijkt Imhof zich eerder te focussen op wat aan de oppervlakte verschijnt, het onmiddellijke, het esthetische en het symptomatische. Ze zuivert de sculpturale praktijk van sociaalkritische invalshoeken en stuurt ze in een haast existentialistische richting.

Na vier slopende uren en de overrompeling door verstarde blikken, diep romantisch gezang, bonzende gitaren en een krioelende en fotograferende massa, rest er nog één vraag: wat van dit alles gaat over seks? Alenka Zupančič opent haar boek What is Sex? (2017) met een citaat van Jacques Lacan: ‘For the moment, I am not fucking, I am talking to you. Well! I can have exactly the same satisfaction as if I were fucking.’ Iets hoeft er dus niet als seks uit te zien om als seks ervaren te worden. Of de performers nu met wilde bewegingen agressief ruimte maken in het publiek, of zichzelf onophoudelijk klappen uitdelen in het gezicht, het is duidelijk dat deze subjecten vastzitten. De seks die Imhof weergeeft lijkt er een van auto-erotiek en auto-affectie te zijn. Haar subjecten zetten een hedendaagse psychologie neer die zweeft tussen narcisme, zelfhaat en de onmogelijkheid om verbinding te maken met de buitenwereld. Als dat laatste toch lukt, kan dat alleen op een afstandelijke, soms zelfs pijnlijke manier, waardoor er zich een radicale en onoplosbare breuk tussen binnen en buiten manifesteert. ‘I lock your jaw so you cannot speak, I close your eyes so you cannot see,’ zingt een van de performers. Op die manier vormt dit cryptische brouwsel van onbehagen, afstoting en verleiding een uitloper van haar vorige werken Angst (2016) en Faust (2017). En zo wordt seks betrokken op angst, de duivel, maar ook de vuist. Vier verdiepingen boven de voormalige olieopslagtanks pronkt een zwarte, marmeren bank van Jenny Holzer (Of Air, 2017). Het opschrift is veelzeggend, als was het het motto van Imhofs Sex: ‘Lovers were dying in a collapsed basement/ when there was no more air and death forgot to come / who gave whom the last drop of air.’

 

• Anne Imhof, Sex was tussen 22 en 31 maart te zien in Tate Modern, Turbine Hall, Bankside, Londen.