Laura Herman

DE WITTE RAAF

Editie 199 mei-juni 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Dogma. Rooms

In het welbekende Co-op Interieur (1926) van architect en kortstondig Bauhaus-directeur Hannes Meyer staan slechts enkele gebruiksvoorwerpen: een veldbed, een grammofoon, een opvouwbaar tafeltje en dito stoeltjes. Hoewel het extra stoeltje aan de muur de mogelijkheid om gasten te ontvangen suggereert, lijkt de kamer provisioneel. Zowel de muren als de vloer zijn uit textiel gemaakt, wat de suggestie van een nomadisch bestaan versterkt. De kamer is ontworpen op maat van één persoon, en ‘bouwen’, aldus Meyer, ‘is een biologisch, geen esthetisch proces’. Zijn ontwerp is een centrale referentie in het onderzoek naar de geschiedenis en het gebruik van de kamer dat architectenbureau Dogma in 2012 opstartte onder leiding van Pier Vittorio Aureli en Martino Tattara.

Dogma’s aandacht voor de kamer past binnen het idee van architecturale autonomie dat ook in de essays van Aureli tot uiting kwam. Beïnvloed door de politieke kritiek van het Italiaanse operaismo en door het denken van figuren als Manfredo Tafuri en Aldo Rossi, pleit hij al jaren voor een architectonische cultuur die zo min mogelijk aangetast wordt door het tirannieke marktdenken. Ook met Rooms roept Dogma op tot de mogelijkheid van het tijdelijk bewonen van een kamer, bevrijd van privébezit en los van gender-, klasse- en andere machtsverhoudingen.

In deSingel betreed je via een steile trap een langwerpige ruimte die niet alleen de kamer tot onderwerp maakt, maar door schaal en afmetingen het contemplatieve aspect van elke kamer benadrukt. Rooms is de ruimtelijke vertaalslag van twee publicaties van Dogma. The Room of One’s Own (2017) is een archeologie van de (privé)kamer die een chronologisch overzicht van exemplarische vertrekken combineert met achtenveertig perspectieftekeningen van historisch belangrijke kamers. In Rooms presenteert Dogma slechts de tekeningen, tegen de roze geschilderde rechterwand, en uitgevoerd in de techniek van de klare lijn om de vorm van de kamers zo helder en economisch mogelijk te vangen. Waar The Room of One’s Own vertrekt vanuit de beleving van de bewoner, richt Loveless. The Minimum Dwelling and its Discontents (2019) zich op architectonische oplossingen aan de hand van vijftig bovenaanzichten, in Rooms geprint op grijze panelen. Loveless vertelt de geschiedenis van de minimumwoning, een omstreden en contradictorische typologie geïntroduceerd door de Tsjechische dichter en criticus Karel Teige in 1932, en is tegelijkertijd een wervend pleidooi voor de ‘universele basiskamer’.

Met de perspectieftekeningen uit The Room of One’s Own toont Dogma dat de kamer geen neutrale vorm is en, zoals Louis Kahn beweerde, geen archetype dat onveranderd blijft doorheen de geschiedenis. De kamer is het product van historische condities, en van een gestaag compartimentaliseren, uitsluiten en onderverdelen. Illustraties van de slaapkamer in een Romeinse villa (Black Bedroom Cubiculum) of de studiolo in de renaissance (Francesco I’s Studiolo) verwijzen naar het privilege van de pater familias om zich terug te trekken uit het openbare en huiselijke leven. De architectuur van de kamer heeft niet alleen de organisatie van het huiselijk leven bepaald, maar ligt ook aan de basis van de geboorte van het individu. Zo bracht het burgerlijk concept van privacy de ontwikkeling van binnenmuren met zich mee, en werd de onderwerping van de vrouw ruimtelijk concreet.

Tegelijk wijst de titel van Dogma’s boek uit 2017, ontleend aan een essay van Virginia Woolf, op het emancipatorisch potentieel dat in de kamer besloten ligt. De kamer is de belichaming van interioriteit, een plek waar bewoners hun subjectiviteit en hun bestaanscondities vormgeven. De impliciete, maar onvervulde belofte van ‘een kamer voor jezelf’ ligt dus, volgens Dogma, besloten in de etymologie van het woord room of raum: het vrijmaken van ruimte voor zichzelf. Het terugwinnen van die ruimte staat dan niet langer in functie van het huiselijke, maar in het teken van een beter leven.

De bewoners van de kamers uit The Room of One’s Own zijn hoog aangeschreven kunstenaars, intellectuelen en historisch belangrijke figuren, van Giorgio Morandi en Nasreen Mohamedi tot René Magritte en Lilly Reich. Hierdoor krijgt de kamer een sacrale, romantische, bijna fetisjistische dimensie, in scherp contrast met de analytische, gedistantieerde, ‘de-idealiserende’ benadering van Loveless aan de overzijde van de tentoonstellingsruimte. Hier hangen bestaande architectonische voorbeelden van wat wonen zou kunnen zijn, van de kloostercel uit de middeleeuwen tot een motelkamer in de postindustriële wereld. De industriële revolutie en de verstedelijking vormden een voedingsbodem voor individualisering, die zich manifesteert in de exponentiële groei van eenpersoonshuishoudens, en ontaardt in een egocentrisch vrijheidsidee. De antwoorden van architecten zijn vaak trendy: studio’s, micro-units of microflats gaan nog altijd uit van een huiselijk bestaan. De traditionele familiewoning wordt herschaald naar een beperktere woonoppervlakte op maat van één individu.

De door Dogma gepresenteerde alternatieven doorstaan lang niet allemaal de kritiek die Karel Teige met zijn Minimumwoning (1932) al leverde op het probleem van het ‘Existenzminimum’ (het minimum voor een menswaardig wonen) dat in Frankfurt tijdens het CIAM-congres van 1929 gepresenteerd werd als oplossing voor het nijpende woontekort. Naar Teiges idee heeft elke mens recht op een eigen kamer en moeten overige huiselijke functies gemeenschappelijk zijn. Hoe inspirerend zijn voorstel ook mag zijn, de haalbaarheid hangt af van de vormgeving van de gemeenschappelijke ruimtes, iets wat Rooms helaas onbesproken laat. Door de kamer, en enkel de kamer te bespreken, verlegt Dogma het probleem naar de gang, en naar wat er op die gang volgt.

In zijn essay over Moskou geeft Walter Benjamin uitdrukking aan zijn minachting voor het comfort van laatnegentiende-eeuwse burgerlijke interieurs, maar geeft hij tegelijk toe dat het collectief bestaan sovjetwerkers vervreemdt van de huiselijke ervaring, en hen overlevert aan de publieke sfeer. ‘Het bolsjewisme heeft het privéleven afgeschaft […] en ruimte is er ook niet meer.’ Het Co-op Interieur en de minimumwoning mogen dan een leven beloven bevrijd van de illusie van het huiselijke, de mens is er identiteitsloos en inwisselbaar. Een sober leven in gemeenschap kan bevrijdend werken, maar het vraagt ook verantwoordelijkheid en volharding: individueel comfort opofferen, nieuwe sociale contracten afsluiten, bezitsdrang en statuszucht afbouwen, en bereid zijn tot een actief, participerend burgerschap. Dat geeft Aureli in zijn essay Less is Enough (2013) grif toe: ‘Er is een toenemende belangstelling voor socialere manieren van leven, zoals cohousing of het delen van de huiselijke ruimte buiten de familie om. Maar wat zelden wordt besproken is dat deze manier van leven enige inspanning vereist.’ Hoe we wonen is geen geïsoleerde architectuurkwestie, maar een fundamenteler probleem, diepgeworteld in de structuur van de samenleving. Met Rooms biedt Dogma, in tegenstelling tot vele van hun soms paternalistische en pragmatische collega’s, geen kant-en-klare oplossing, maar voorstellen waarvan de inspanning en het voluntarisme van de gebruiker integraal deel uitmaken.

 

• Dogma. Rooms, tot 16 juni in deSingel, Desguinlei 25, 2018 Antwerpen.