Rudi Laermans

DE WITTE RAAF

Editie 199 mei-juni 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

The Future of the New

Hedendaagse kunst heeft al langer het modernistische geloof opgegeven dat ‘nieuw’ ook ‘beter’ betekent en artistieke verjonging gelijkstaat met historische vooruitgang. Tegelijk blijft ze doortrokken van het streven naar oorspronkelijkheid binnen een omgeving waarin innovatie in almaar belangrijkere mate de bron van economische meerwaarde vormt, wat voor een beduidend versnellingseffect heeft gezorgd in de werelden van wetenschap, mode of design en, vooral, de productie van tekens of informatie. Wat houdt artistieke nieuwheid dan nog in? En kan die nog een kritische lading claimen in een samenleving waarin creativiteit zowel een kapitalistisch credo als een algemeen cultureel gebod is? Deze vragen waren voor Thijs Lijster richtinggevend bij het samenstellen van The Future of the New. Artistic Innovation in Times of Social Acceleration. De bundel laat kunstenaars, curatoren en theoretici aan het woord, soms letterlijk binnen interviews, maar vaker nog in essays.

De indeling van het boek is alvast goed doordacht. Het eerste deel bevat bijdragen over acceleratie en innovatie, vervolgens verschuift de focus richting museum en white cube, als instituties die het artistiek nieuwe mee vorm hebben gegeven, en afsluitend wordt onder de titel ‘No/New Future’ de notie van toekomst apart genomen. Zoals dat bij bundels meestal het geval is, wisselen de bijdragen in kwaliteit. Weinigzeggend is het essay van Rolando Vázquez dat het museum dekoloniaal benadert. De bekende open deuren worden ingetrapt, gaande van de relatie tussen eurocentrisme, moderniteit en kolonialisme tot de slotstelling dat hedendaagsheid een normatief begrip is dat het lege nu viert. ‘We propose to address the question of time beyond the enclosure of modern chronology, by mobilizing the notion of ‘precedence’,’ betoogt Vázquez, die de politiek correcte retoriek perfect beheerst. Het blijft echter volstrekt onduidelijk wat precedence juist inhoudt. De bijdrage van samensteller Thijs Lijster is gelukkig een stuk helderder. Tegenover de ervaring van een continue verandering waarbij tegelijk niets écht verandert – zie uiteraard de mode – brengt hij Walter Benjamins begrip van ‘nu-tijd’ (Jetztzeit) in stelling. Het verleden heeft in die ‘nu-tijd’ de vorm van een niet geactualiseerd potentieel dat blijft aandringen op zijn verwerkelijking: de dromen van ‘een beter leven’ die worden belichaamd door bijvoorbeeld aftandse objecten, kunnen binnen een passende constellatie plots opflakkeren en tot daden aanzetten. Ook dat is een vage en sterk messianistische idee, maar de achterliggende intuïtie biedt een duidelijke suggestie over hoe het heden zich kan vernieuwen door een dialectische wisselwerking met het verleden.

Net als in Lijsters stuk komt de kunstpraktijk er in de meeste bijdragen bekaaid van af. De ondertitel van het boek wordt niet helemaal waargemaakt, de nadruk ligt op de hoofdtitel: hoe de toekomst van het nieuwe denken? In het eerste deel ontvouwen Hartmut Rosa en Nick Srnicek & Alex Williams, twee voortrekkers van het zogenaamde accelerationisme, in een interview hun basisgedachten over het nieuwe. Vanuit een klassieke marxistische visie op de spanning tussen productiekrachten en productieverhoudingen pleiten Srnicek & Williams voor het versnellen van de huidige technische mogelijkheden in de digitale sfeer. Benjamin Noys zet deze benadering in zijn essay weg als getuigend van een met het futurisme vergelijkbaar estheticisme, wat mij niet terecht lijkt omdat Srnicek & Williams met hun boek Inventing the Future al in 2015 het accelerationisme in een meer concreet politiek programma hebben vertaald. Rosa pleit dan weer juist niet voor versnelling, maar voor een vertraging die meer kansen geeft aan het principe van resonantie: openstaan voor en ingaan op een jou veranderend appel, van een object of subject dat interpelleert of fascineert. Pas naar het einde van beide gesprekken gaat het over hedendaagse kunst. Dat Srnicek & Williams weinig met esthetiek en autonome kunst hebben, valt gezien hun politiek activistische opstelling te verwachten. Verrassender is de houding van Rosa: volgens hem biedt slechts weinig hedendaagse kunst de ervaring ‘that there is something there that is truly important in itself and that speaks to us’. Die slotzin, letterlijk, verdiende enig doorvragen: een gemiste kans.

Drie bijdragen springen eruit in positieve zin. Franco ‘Bifo’ Berardo heeft het evenmin over kunst, maar synthetiseert in het gesprek met Thijs Lijster wel met verve zijn ideeën over semio- en necrokapitalisme, de depressieve eenzaamheid van de precaire creatieve arbeider, en de noodzaak om verzet te praktiseren in de vorm van passiviteit, een radicaal njet aan de druk tot gedurige productiviteit of een exodus uit de bestaande hypercompetitieve sociale verhoudingen. Boris Groys heeft het wél uitvoerig over kunst. In messcherpe bewoordingen beschrijft hij de implosie binnen internet van het archief – het bijhouden van het verleden, zoals in het museum – en daarmee van de mogelijkheid om het nieuwe te onderkennen tegenover het oude(re). Even treffend, ja dodelijk is ’s mans kritiek op de gangbare identiteitskunst. Artiesten kunnen nooit een groep representeren, enkel zichzelf – maar dat weigeren feministische of postkoloniale kunstenaars juist. Ze willen in hun artistieke praktijk ook geen andere worden, enkel concrete anderen (‘the other guy’) veroordelen. Het nettoresultaat is kunst die geen nieuwe verschillen in cultuur of samenleving injecteert, maar daarbinnen bestaande onderscheidingen klakkeloos reproduceert.

Het slotessay van Suhail Malik over ‘ContraContemporary’ is een intellectuele tour de force. Ook hij heeft het niet zozeer over kunst, maar vooral over hedendaagsheid in het algemeen. De eerst op tafel gelegde kaarten ogen bekend: moderniteit is synoniem met de verwachting van vooruitgang, hedendaagsheid met de posthistorische ervaring dat ondanks een permanente vernieuwing van alles echte verandering uitblijft. Deze conditie van ‘defuturity’ of een ‘depleted modernity’ komt neer op ‘the contemporaneity of additive yet progress-less anthropogenic experience’ die nu al een tijdje bekendstaat als postmoderniteit. We leven echter tegelijkertijd in een ‘contra-postmoderniteit’ die ook ‘tegen-modern’ en ‘contra-hedendaags’ is. In de werelden van Big Data en financiële speculatie of – in een heel ander register – de modellering van klimaatveranderingen wordt de onbekende toekomst onophoudelijk (her)berekend met het oog op winst en verlies, in brede zin. Binnen dit ‘speculatief tijdscomplex’, dat koerst op breed vertakte digitale netwerken die de aardbol omspannen, fungeren toekomstverwachtingen niet als een horizon, maar veeleer ‘as the present and actual premise of (...) current technical, economic, social, and symbolic operations’. Terwijl de postmoderniteit à la Frederic Jameson bijvoorbeeld vooruitgang noch toekomst kent en de gevangene is van een eeuwig nu, is de contra-hedendaagsheid verzadigd van ‘toekomstigheid’ – of juister: van een in het heden (her)berekende ‘futurity’ die evenmin voortuitgang kent en de toekomst gelijkstelt met een thans ingeschatte kans dat X en niet Y zal gebeuren. Net als binnen de genormaliseerde postmoderniteit is ook in deze contra-conditie geen plaats voor het nieuwe in de zin van het onvoorspelbare, een ‘toekomstigheid’ die letterlijk toekomt, ons overkomt en niet ons toebehoort. Politiek én kunst moeten volgens Malik daarom gaan voor een nieuwheid die het toekomstige opnieuw mogelijk maakt.

 

• Thijs Lijster, The Future of the New. Artistic Innovation in Times of Social Acceleration, verscheen in 2018 bij Valiz, ISBN 9789492095589.