Brian Dillon

DE WITTE RAAF

Editie 199 mei-juni 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Palais de Justice, Carey Young

Het Brusselse Justitiepaleis is het resultaat van een ambtelijke en architecturale koortsdroom, een bureaucratisch bolwerk à la Dickens’ Circumlocution Office dat als een sinistere seculiere basiliek zijn schaduw over de Marollen werpt. Het is groter dan de Sint-Pietersbasiliek in Rome, strekt zich uit over zesentwintigduizend vierkante meter en zou de grootste stapel natuurstenen van Europa zijn. De architect, Joseph Poelaert, liet zich inspireren door de taferelen van apocalyptisch verval van John Martin. Hij droomde al jaren hardop van een dergelijk gebouw toen hij in 1861 de opdracht kreeg om een nieuw paleis van justitie te ontwerpen. De tijd verstreek, de kosten stegen van vier naar vijftig miljoen frank, in 1879 stierf Poelaert en vier jaar later kreeg de stad haar monumentale labyrint op de heuvel; ‘vanbuiten een kolos, vanbinnen een monster,’ zoals Verlaine het noemde. Het publiek reageerde vijandig. Het gebouw werd gezien als een affront voor Brussel, als een uit haar krachten gegroeide metafoor voor de Belgische imperialistische ambities, en op de openingsdag viel er een menigte binnen die beelden en schilderijen vernielde en de marmeren vloeren onderpiste en -scheet.

Van meet af aan leken de rechtszalen, de gangen en de hele omgeving van het Justitiepaleis tegelijk hun eigen noodlottige, fantastische museum te vormen. De omvang en de wanstaltige mix van Egyptische, Griekse en Byzantijnse invloeden doen denken aan de architecturale rêverieën van Piranesi; er schijnen trappen te zijn die nergens op uitkomen, zoals in zijn Carceri d’invenzione. Toen Freud het twee jaar na voltooiing zag, deed het hem denken aan een Assyrisch paleis, aan een illustratie van Gustave Doré. Latere bezoekers werden al bij het woud van zuilen rond de hoofdingang aan Kafka herinnerd; Orson Welles had er graag zijn versie van Het proces gefilmd. W.G. Sebald laat Jacques Austerlitz ronddwalen in de krochten van het Justitiepaleis op zoek naar vrijmetselaarssymbolen, en er gangen aantreffen volgestouwd met oud kantoormeubilair, stoelen, lessenaars en rolluikkasten, als een barricade waarachter de laatste bewoners zich ooit hebben verschanst.

Toen de kunstenaar Carey Young voor het eerst op onderzoek uitging in het Justitiepaleis, vielen de vrouwelijke rechters en advocates haar op. In een rechtszaal zag ze vijf vrouwen in conclaaf; zij zagen haar ook en deden schielijk de deur dicht. Youngs achttien minuten durende film Palais de Justice, te zien in de Towner Art Gallery, vormt een bespiegeling rond autoriteit en zichtbaarheid. Nadat haar verzoek om in het gebouw te filmen om veiligheidsredenen werd afgewezen – in 2010 werden een rechter en haar griffier in het gebouw vermoord – besloot Young om in het geniep te opereren, met een assistent, een klein statief en telelenzen. Van een Belgische advocaat kreeg ze het advies, mocht ze worden betrapt terwijl ze haar camera de rechtszaal in richtte, om te zeggen dat rechters publieke figuren zijn en geen recht hebben op privacy bij de uitoefening van hun ambt. Dat argument was afdoende voor de paar bewakers die haar wilden tegenhouden.

Palais de Justice wordt op een brede muur van de Towner Gallery geprojecteerd. Aanvankelijk lijkt het werk zich op de woeste iconografie en krankzinnige omvang van het Justitiepaleis te richten. Een jongeman in T-shirt en op sportschoenen daalt een monumentale trap af geflankeerd door immense standbeelden van klassieke redenaars. (Toeristen komen vaak niet verder dan dit spektakelfilmdecor en wringen zich in bochten om alle markante hoekjes en doorkijkjes op de foto te krijgen.) Hierna kijken we de duizelingwekkend grote, sombere centrale hal in, de salle des pas perdus, waar advocaten met hun cliënten afspreken aan fraaie tafels tussen de zuilen. In de verte duwt een beambte een karretje met paperassen voor zich uit. Er loopt een groepje advocaten langs dat recht uit een spotprent van Daumier lijkt te zijn gestapt, zwaar beladen met uitpuilende dossiermappen. Maar Young neemt ons meteen weer mee, weg uit deze bureaucratische komedie, naar het hart van de gerechtelijke procedures en hun nauw luisterende afhandeling.

De rechtszalen van het Justitiepaleis bezitten zware, met leer beklede, gecapitonneerde deuren voorzien van ronde raampjes. Door die patrijspoorten heeft Young het grootste deel van haar film gedraaid, stiekem. Eerst richt ze zich op de gezichten en gebaren van de rechters; die schuiven met papieren of laten, pen in de lucht, een stilte vallen; ze kijken over hun leesbril naar de advocaten voor zich, houden vragend hun hoofd schuin of staren strak voor zich uit, schijnbaar dodelijk verveeld, maar waarschijnlijk eerder uit strategische onbewogenheid. Dit alles in stilte. Van achter de geluidswerende deuren geeft Young Palais de Justice de gedempte soundtrack mee van het leven in de wandelgangen, die we af en toe weerspiegeld zien in het bekraste ruitje van een raampje met uitzicht op de rechtszaal.

Palais de Justice wordt voornamelijk bevolkt door rechters, die gaandeweg plaats maken voor portretten van jongere vrouwen, de advocates die voor hen hun betoog houden. Een zo’n vrouw verschijnt al in het begin, in zijaanzicht, keurig omlijst door het raampje. Ze ziet eruit als een miniatuurstudie in retorische gebaren, in pleitende of zelfs smekende attitudes. Haar collega’s komen later langs en zijn gefragmenteerder, door de beperkte camerahoeken die Young tot haar beschikking had of doordat ze hun gezicht opzettelijk weggeknipt heeft. De jonge advocates worden gereduceerd tot anonieme details: een oor, een nekje, haar dat een parallel vormt met de strakke plooien en wijde vouwen van hun toga. In deze shots heeft Youngs telelens extreem weinig scherptediepte, waardoor bepaalde aspecten van de persoon en de kleding zich scherp aftekenen tegen de vaag gesuggereerde rechtszaal met haar lambrisering en schilderijen in de verte, en de andere gezichtsloze gedaanten. Alsof er ineens met een andere blik wordt gekeken, een voyeuristische, obsessieve, vermoedelijk mannelijke blik.

Dat is onmiskenbaar de blik van haar cinematografische voorlopers. Al die achterhoofden, het haar opgestoken of losjes over één schouder gedragen, doen denken aan bepaalde onvergetelijke shots uit Solaris van Andrej Tarkovski, uit La Jetée van Chris Marker en uit de oertekst daar weer van, Hitchcocks Vertigo. Palais de Justice heeft iets van een sciencefictionfilm: door de patrijspoorten, alsof we in een onderzeeër zitten, en door de groeiende sensatie dat het werk een toekomst toont waarin vrouwen de instituties van justitie hebben overgenomen, en misschien nog veel meer (als er dan tenminste nog iets bestaat buiten dit gigantische op zichzelf gerichte systeem). De mannen die in Youngs video verschijnen, zien er op zijn best uit als perifere figuren, immer onderworpen aan de blik en woorden van de rechters, of alsof ze gestrand zijn in de gangen en hallen. Een verzenuwde advocaat ziet eruit alsof hij al eeuwen zit te wachten.

Young maakt sinds een paar jaar kunst rond wet en recht, in verschillende media. Report of the Legal Subcommittee (2010) is een uitdraai van een sterrenkaart vergezeld van de notulen van een vn-vergadering die de juridische definitie van de ruimte moest bepalen. Legal Maxims (2013) bestaat uit de frasen ‘wrong in itself’ en ‘nobody’s thing’, uitgevoerd in witte neonbuizen, alsof de Common Law-begrippen malum in se en res nullius zijn vertaald in de retoriek en het register van straatreclame. Haar werk onderzoekt vaker de taal van de wet, met haar precisie, abstractie en informatiedichtheid.

Palais de Justice benadert het onderwerp vanuit een andere, meer esthetische invalshoek. Young heeft ook een verwante serie van acht foto’s gemaakt, niet te zien in de Towner Gallery, die ze naar Kafka Before the Law heeft genoemd en die meer of minder rijk gedecoreerde deuren van rechtszalen laat zien, gesloten, op een kier of wijd open, waarmee een verschillende mate van transparantie of opaciteit van de rechtsgang wordt gesuggereerd. Verlaine schreef dat het Justitiepaleis ‘even ontzagwekkend als de wet wil zijn, even streng en weelderig naakt’. In Youngs film overheerst een weelderige gestrengheid, in de architectuur en bij haar menselijke onderwerpen. De toeschouwer ziet hen vanuit haar verdekte opstelling, maar af en toe lijkt er toch een adembenemend moment van verbinding te ontstaan. Dan dwaalt de blik van een rechter langzaam of met een ruk af naar de camera. Dan draait de wachtende advocate zich om en staart recht in de ogen van de kunstenaar (en die van ons). Alleen is dat een illusie: Young staat te ver weg of is te goed verborgen om bekeken te worden. De magistratuur en zij zetten ondertussen hun arbeid voort, in het geniep en in het volle daglicht.

 

Vertaling uit het Engels: Leen Van Den Broucke

 

Deze tekst verscheen op 4 april 2019 in nummer 7 van London Review of Books. De tentoonstelling Carey Young: Palais de Justice loopt nog tot 2 juni in Towner Art Gallery in Eastbourne, UK.