Evert Beyers

DE WITTE RAAF

Editie 199 mei-juni 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Elektriciteit is de beste politieman

De transparante samenleving

Gelijkschakeling

‘Sunlight is said to be the best of disinfectants.’ Het is niet het motto van Operatie Schone Handen in het Belgische topvoetbal, maar een aforisme uit Other People’s Money and How the Bankers Use It, een boek van Louis Brandeis uit 1914. Als advocaat en als rechter aan het Amerikaanse Hooggerechtshof pleitte Brandeis al aan het begin van de twintigste eeuw voor wat vandaag algemeen als ‘transparantie’ wordt omschreven. Het centrale idee: wie of wat gezien wordt, is deugdzaam. Met zijn metafoor over het zonlicht (en over zeep van het merk Sunlight) verwees Brandeis naar de morele kwaliteit van transparantie, een aspect waarvan het belang enkel zou toenemen en dat onder meer in het begrip corporate governance vorm heeft gekregen. Transparantie is vandaag het beste recept om vertrouwen te winnen. Nooit eerder in de wereldgeschiedenis is er meer gesproken over een plicht tot transparantie, en nooit is er meer beroep gedaan op het recht op transparantie. Tegen de bestrijding van corruptie en machtsmisbruik is uiteraard niets in te brengen, maar de vraag waarom transparantie een onbetwiste status in onze maatschappij heeft verworven wordt nauwelijks gesteld. Transparantie garandeert zichtbaarheid, maar niet altijd inzicht, terwijl die illusie wel degelijk wordt gewekt. Bovendien impliceert transparantie iets dat onzichtbaar is, zoals een glazen plafond, en dat verborgen blijft tenzij we er tegenaan lopen. De verhouding tussen transparantie en opaciteit roept ongemakkelijke vragen op, die ik mezelf vooral ben gaan stellen, enkele jaren terug, toen ik auto’s van Google Street View opmerkte in de straat waarin ik woon. Ik stelde vast dat de opmars van transparantie, als intrinsiek moreel goed in een maatschappelijke logica die openheid koestert, ook gepaard kan gaan met onrustbarende systeemdwang en overbelichting. Een hyperdoorzichtige menselijke levensvorm lijkt te ontstaan zodra transparantie instrumenteel wordt ingezet en omslaat in economische sturing of maatschappelijke controle.

In zijn boek Transparenzgesellschaft uit 2012 waarschuwt filosoof Byung-Chul Han voor een cultuur van onthulling en voyeurisme die ‘openheid’ omarmt, maar die tevens een bedreiging vormt voor sociale, economische en politieke processen. Zijn kritiek is vooral gericht op een maatschappij waarin alles en iedereen met elkaar verbonden is door een obscuur, onderbelicht besturingssysteem. Een essentieel kenmerk van deze cultuur is de uitbanning van het negatieve, en dit is volgens Han een belangrijke oorzaak voor de problemen van onze tijd. Om het belang hiervan te benadrukken, spreekt hij over een paradigmaverschuiving die vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw op gang is gekomen. De oude, door tegenstellingen gekenmerkte samenleving heeft het veld moeten ruimen voor een transparante samenleving waarin elke negativiteit, en dus elke tegenkracht, steeds verder wordt teruggedrongen ten gunste van het positieve. Voor Han neemt deze samenleving afscheid van het dialectische denken van Hegel, wiens Geist zich niet afkeert van de negatieve kracht, maar het ‘andere’ laat gelden, waardoor interne spanning wordt opgewekt die de geest levenskracht geeft. In de transparante samenleving horen begrippen als ‘geest’ of ‘bewustzijn’ niet meer thuis. Steeds wordt opgedragen om positief te denken. Typerend is daarom de consequente weigering van Facebook om een ‘vind ik niet leuk’-knop te maken: die zou een afkeuring impliceren van het pseudoplezier dat het sociale netwerk ons biedt. In het bedrijfsleven wordt positiviteit gecultiveerd om gelijke tred te houden met veranderende trends en nieuwe technologieën. Dit betekent ook dat op de werkvloer een positieve mindset samenvalt met werkdruk. Taaluitingen worden ingekapseld in een geoperationaliseerde taal zonder enige ambivalentie: tegenslagen worden ‘leermomenten’, het verlies van rechten betekent ‘omgaan met nieuwe uitdagingen’, en gebrek aan zekerheid heet ‘flexibiliteit’. In het transparantiediscours komen kritiek, contradicties of ambiguïteit niet voor: rationaliteit functioneert als pletwals om belemmeringen glad te strijken en obstakels uit de weg te ruimen. Dit uit zich volgens Han in de doctrine van gelijkschakeling, die de mens nivelleert tot functioneel systeemelement. Hij ontleent deze term aan journalist Ulrich Schacht, die in 1973 in de DDR tot zeven jaar gevangenis werd veroordeeld wegens een ‘staatsgevaarlijke haatcampagne’, en zich tot de overheid richtte met de woorden: ‘Daarin bestaat jullie totalitaire beweging: ‘Nieuw woord voor gelijkschakeling: transparantie.’’

In een leven dat zich grotendeels online afspeelt, neemt die gelijkschakeling toe. Beeld wordt belangrijker dan tekst, op zo’n veelvuldige manier dat beelden transparant lijken te worden: ze missen het negatieve en het onvolmaakte dat zou aanmoedigen tot nog eens kijken, tot reflectie. Dat heeft niet alleen gevolgen voor swipen of surfen, het kan ook menselijk contact beïnvloeden. Google Glass – een bril met ‘intelligente’ glazen die alles wat bekeken wordt meteen ‘doorlicht’ – kan op die manier een metaforisch artefact voor toekomstige relaties worden: als er niets meer te raden is, niets meer te vermoeden of te fantaseren, verdwijnt het mysterie uit de ontmoeting. Intermenselijk contact is dan een kwestie van inloggen, ook in het fysieke domein.

Alomtegenwoordige zichtbaarheid – of het streven ernaar – is een volgend kenmerk van onze condition humaine. Wellicht is het een gevolg van een ander devies van rechter-advocaat Brandeis: ‘Electricity is the best police man.’ In de publieke ruimte van onze risicomaatschappij wordt idealiter ieder duister hoekje verlicht. Sluiers moeten worden verwijderd om alles meteen in volle openbaarheid te kunnen tonen. Er is geen ‘buiten’ meer nodig om het zichtbare te duiden, te ironiseren of te ontkennen. Het zichtbare is evident, zodat transparantie kan ontaarden in schandpaalpolitiek, of in een cultus van voyeurisme en exhibitionisme. Walter Benjamin vergeleek, in zijn essay over het surrealisme uit 1929, het leven in een glazen huis met ‘een roes’, een ‘moreel exhibitionisme’ dat noodzakelijk zou zijn. ‘De discretie inzake het eigen bestaan is van een aristocratische deugd meer en meer een aangelegenheid van gearriveerde kleinburgers geworden.’ Voyeurisme wordt in de hand gewerkt door het hedendaagse narcisme dat mensen en dingen een ‘expositiewaarde’ geeft. In de ‘me-conomie’ moet je tentoongesteld worden om te bestaan. Alleen de stijl van exposeren of de enscenering creëert nog waarde, en de opkomst van sociale media heeft de mogelijkheden daarvoor vergroot. Het gebruiksgemak en de efficiëntie waarmee we swipen, surfen, chatten, megabytes transfereren of praten tegen virtuele assistenten, heeft de zichtbaarheid onweerstaanbaar gemaakt. Niets van dit alles is echter gratis, en voor dit vermaak betalen we een dure prijs: onze privacy.

 

Privacy

In 1890 publiceerde Louis Brandeis het artikel ‘The Right to Privacy’ in de Harvard Law Review en wierp hij zich op als de geestelijke vader van privacy als juridisch concept. Jaren later, in de tijd dat de vaste telefoon populair werd, pleitte Brandeis voor het recht op privacy in Olmstead vs. United States (1928), een zaak waarin illegale drankstokers zich op basis van de grondwet wilden verdedigen tegen onwettige telefoontaps. Toen de Bill of Rights werd opgesteld, bestond de telefonie nog niet, zodat het Hooggerechtshof oordeelde dat de rechten van de verdediging niet geschonden waren. Hoewel het vonnis na jarenlang juridisch getouwtrek in 1967 herroepen werd, en hoewel privacy zelfs een mensenrecht geworden is, opent zich in naam van transparantie een nieuw tijdperk waarin de persoonlijke levenssfeer wordt vrijgegeven zonder dat de consequenties duidelijk zijn. Er is sprake van een privacyparadox: we vinden privacy belangrijk, maar handelen er niet naar. De facto komt onze digitale voetafdruk, en zelfs gevoelige informatie zoals gewicht, relatiestatus, geaardheid, religie en politieke voorkeur in het bezit van technologiebedrijven als Google en Facebook. Door het marktdenken zijn de opportuniteitskosten (de kosten van gemiste kansen) van privacy belangrijker geworden dan haar heilzame werking; de privatisering van privacy zet het humanistisch concept van subjectiviteit op de helling. Het delen van informatie wordt sterker gewaardeerd dan het verlies aan privacy, zelfs al betekent dit het opgeven van de veilige en private ruimte waarin men kan reflecteren en het mysterie koesteren. Wij schatten het nut van transparantie hoger in dan de schade en hebben een instrumentele visie op het leven ontwikkeld waarbinnen alles, inclusief privacy en anonimiteit, voor het oprapen ligt, niet in het minst op sociale media.

Twee Amerikaanse presidenten hebben er alvast verkiezingen mee gewonnen en vandaag gebruiken ook de meeste politieke partijen data en advertentiemogelijkheden van Facebook om een stevige verkiezingsstrijd te voeren. Niettemin is het zonneklaar dat bedrijven als Facebook geleid worden door controlekapitalisten die op een parasitaire, gratuite manier persoonsgegevens en menselijke ervaringen gebruiken als grondstof voor verdoken commerciële activiteiten, in strijd met de wetten van de privacy. Onlineadvertenties van Google leken nog niet zo lang geleden heel onschuldig, maar al snel werd wat ooit reclame heette non-stopgedragsmodificatie op wereldwijde schaal. Dat het gebruik van de producten gratis was, sprak ons in het begin wellicht het meeste aan. Wij moesten Google niet betalen voor een zoekopdracht of om een YouTube-filmpje te bekijken; er werden geen kosten aangerekend om een Facebook- of Twitteraccount te openen. Juist omdat ze gratis waren, groeiden deze diensten tot fenomenale hoogten. Het was tevens de basis voor een destructief verdienmodel dat een groot deel van de menselijke soort tot laboratoriumratten heeft gemaakt, die zijn gaan geloven dat de verbinding tussen twee personen alleen tot stand kan komen door een derde persoon die betaalt om hen te manipuleren. In de traditionele reclame kon men zelf bepalen of een product voldeed aan de verwachtingen nadat de reclameboodschap was uitgezonden, maar nu worden gepersonaliseerde feeds voortdurend door middel van behavioristische technieken aangepast om ervoor te zorgen dat het individueel gedrag verandert in plaats van dat er een evaluatie plaatsvindt. We worden bestookt met reclamebanners en krijgen steeds andere boodschappen of ander nieuws te zien, als stimuli voor geïndividualiseerde gedragsmodificatie. Persoonlijke gegevens worden verhandeld om dingen te verkopen of om propaganda te verspreiden.

Sociaal vandalisme en groepsdruk, verschijnselen die zoveel invloed hebben op de menselijke psyche en het menselijk gedrag, doen hier hun werk. Facebook bezondigt zich daarbij aan metafysisch imperialisme. Een recente herziening van de ‘religieus’ geïnspireerde missie omvat formuleringen als ‘een wereld creëren waarin iedereen een levensdoel en gemeenschapszin heeft’. Facebook ziet er voortaan op toe dat ieder mens een doel heeft, wellicht omdat het bedrijf ervan uitgaat dat een doel vooralsnog ontbrak. Deze eigenwaan vertaalt zich in het fenomeen van censor bots. Meningen over controversiële of politieke onderwerpen die niet stroken met hun morele inzichten worden bij Google en Facebook domweg gecensureerd. Hoewel zij, zoals wel meer ‘tech-optimisten’, moreel gezag claimen en steeds herhalen met hun software wereldproblemen te kunnen oplossen, tonen recente schandalen aan dat deze platformen het niet nauw nemen met de bescherming van onze gegevens. Technologie wordt gemaakt voor en door mensen, en weerspiegelt de morele opvattingen van ontwerpers. Dat ondervond Amazon vorig jaar toen een experiment werd stopgezet om via artificiële intelligentie sollicitanten te filteren. Het algoritme bleek, nog meer dan feilbare mensen, systematisch te discrimineren, en allesbehalve transparant te werk te gaan. Het inschakelen van privacyverklaringen en transparantietools zal aan al de schimmige zakelijke praktijken niets veranderen zolang bij de zelfverklaarde masters of the universe het ethisch besef ontbreekt om zich te gedragen als volwassen en verantwoorde rentmeesters. De Europese privacywet beoogt meer transparantie tot stand te brengen, maar roept in de praktijk de onterechte illusie van doorzichtigheid op. Door zich te richten op het geven van ‘toestemming’ wordt het probleem verlegd naar de gebruiker, die de tijd noch de capaciteiten heeft om ingewikkelde privacyverklaringen te analyseren, laat staan om te begrijpen wat het achterliggend algoritme doet met zijn persoonsgegevens. Uiteindelijk willen we vooral foto’s delen of informatie opzoeken. Het toont wat voor een leeg begrip transparantie kan zijn. Het probleem is niet alleen dat gebruikers in onlineomgevingen zich achteloos blootgeven, of dat we met apparaatjes (mobiele telefoons) rondlopen geschikt voor massale gedragsmodificatie. Het probleem is evenmin te reduceren tot een kleine elite die reusachtige ‘cloudcomputers’ aanstuurt en tegelijkertijd in het bezit is van onze data. Het probleem is vooral dat deze verschijnselen worden aangedreven door een obscuur besturingssysteem en pervers verdienmodel, op zoek naar klanten die bereid zijn te betalen om mensen te corrumperen.

Daarin schuilt – los van de privacykwestie – een bijkomend gevaar. Algoritmes en de wildgroei en opeenstapeling van data zijn minder een middel tot waarheid dan een oefening in macht. Vandaag circuleert macht anders dan voorheen het geval was. Zoals Paul Frissen schrijft in zijn boek Het geheim van de laatste staat uit 2016, creëert het geloof in data als de ultieme bron van waarheid de overtuiging dat autoriteit een eigenschap is van technologie, en niet van mensen. Als we constateren dat algoritmes nauwkeuriger en sneller oordelen vellen over data, dan manoeuvreren we de menselijke autonomie en de vrije wil naar de marge.

 

Macht

Transparantie is een instrument van een nieuw soort machtsaanspraak. De machtsaanspraken van de staat zijn sinds de verlichting fundamenteel in twijfel getrokken. Transparantie werd oorspronkelijk opgevat als beschavingsideaal en als hoeksteen om te bouwen aan een doorzichtiger gemeenschap, vrij van onderdrukking en tirannie. Ook Jeremy Bentham koppelde macht aan transparantie. In zijn studie over het gevangeniswezen beschreef hij het panopticon als een koepelgevangenis met transparante cellen rond een centrale wachttoren. Het is een concept waarin de totale zichtbaarheid van de gedetineerden, die zelf nooit weten wie hen begluurt, centraal staat. Autoriteit heeft een oog maar blijft zelf onzichtbaar. Daardoor werkt de macht, zelfs al is er geen controle. Bentham ging ervan uit dat gevangenen, aan banden gelegd door de idee van permanent toezicht, zich op elk moment van de dag zouden gedragen zoals het hoorde – niet enkel om straf te ontlopen, maar vooral omdat de disciplinaire blik van de bewakers geïnternaliseerd werd. Bijgevolg kon de macht door de architectuur van het gebouw preventief uitgeoefend worden en ontstond er een instrument voor onderwerping, perfect in zijn eenvoud.

Deze architectuur heeft grote invloed gehad op latere generaties van denkers. Voor Michel Foucault was het panoptische principe paradigmatisch voor een samenleving waarin de macht van de wet heeft plaatsgemaakt voor de macht van de norm. Met de notie surveillance trad de gedachte van de maakbaarheid van de maatschappij op de voorgrond: volgens Foucault konden er naast de disciplinerende technieken ook machtsstrategieën ontwikkeld worden die aan de basis lagen van wat hij ‘gouvernementaliteit’ noemde. Met dit neologisme plaatste Foucault soevereine macht tegenover ‘biomacht’: een veelvoud aan machtstechnieken om het lichaam te disciplineren en de bevolking te besturen, te controleren en te reguleren. Een opvallend aspect van dit machtsbegrip is dat het de vrijheid van het individu vooronderstelt. Precies door te wijzen op het sturen van het gedrag van mensen, komt het positieve element van de vrijheid of de actieve subjectiviteit in de analyse van de macht binnen. Dit betekent dat de machtsinstantie, in de veronderstelling dat mensen vrij zijn en spontaan handelen, incentives zal geven om het gedrag bij te sturen. Het is niet verboden om te roken, maar omdat de overheid waakt over de gezondheid van haar onderdanen wordt het wel steeds moeilijker. Ook BOB-campagnes en sensibiliseringsprogramma’s voor vaccinaties tegen virussen en voor het isoleren van woningen behoren tot deze categorie. Verliezen we daardoor onze vrijheid? Nee, want we blijven vrije mensen. Worden we gedisciplineerd? Nee, we worden in ons gedrag gestuurd. Vanuit dit opzicht is de machtstechniek van het panopticum de voorbode van de systeemdwang in de transparante samenleving die een manipulatieve wereld creëert van stimulans en respons, van beloning en straf. Dit komt tot uiting op de sociale media en in de pakhuizen van Amazon, maar ook in subtiele technologieën die verband houden met de digitalisering van de winkelstraat en met smart cities waarin mensen gereduceerd zijn tot een digitaal profiel – tot een pixel op een enorm scherm waarmee bedrijven en overheden de complexe mensheid in real time proberen te monitoren. Nieuw zijn de onzichtbare technieken die zich niet meer richten op de bevolking of op groepen, maar op individuen. Zij drukken veel meer op onze autonomie dan een regering die een wet uitvaardigt. Deze nieuwe machtsaanspraak hoort niet meer thuis in de oude ideologie van onderdrukkers en onderdrukten, maar heeft wel raakpunten met de ongrijpbare machtsuitoefening zoals die door Aldous Huxley werd uitgetekend in zijn roman Brave New World uit 1932.

Vandaag heeft het panopticon plaatsgemaakt voor een nog efficiëntere structuur. De architectuur van een gebouw is vervangen door de architectuur van een virtueel netwerk waarin het machtsmechanisme van de alziendheid berust op de blik van anderen. Er is geen onderscheid meer tussen binnen en buiten. Door de logica van de vrijwillige zelftransparantie houdt de homo digitalis zichzelf onder controle. Iedereen voert een mobiel panopticon met zich mee waarvan men tegelijkertijd bewoner en bewaker is. In tegenstelling tot de geïsoleerde gevangenen in Benthams panopticon wordt op het internet zonder ketens gecommuniceerd: maatschappelijke uitsluiting wordt opgevolgd door digitale insluiting, en de disciplinering van het lichaam door de sturing van de geest. Wanneer we in politieke termen spreken over insluiting dan heeft dit te maken met het feit dat men zonder een aansluiting op het web niet (meer) kan participeren in de samenleving. Insluiting betekent ook dat met behulp van filter bubbles nieuwe muren opgetrokken zijn. Het panopticon was nog aan een perspectivistische blik gebonden, maar de digitale Big Brother is a-perspectivistisch. Dit betekent dat er geen onderscheid meer bestaat tussen het centrum en de periferie. Behoort met deze a-perspectivistische vorm van toezicht de asymmetrie tot het verleden? Ligt de bevrijdende oplossing in een symmetrische vorm van transparantie, in een open samenleving waarbij niemand achter de schermen aan de touwtjes trekt?

Het antwoord is nee. De euforie uit de beginjaren is verdwenen: het internet is helaas niet zomaar een digitale netwerkarchitectuur, als een open medium met onbegrensde vrijheid en mobiliteit. De ondoorzichtige en ongrijpbare vorm van machtsuitoefening is veel doordringender dan eender welk regime in een vorig tijdperk voor mogelijk kon houden. Dat is verontrustend omdat toezicht, controle en het aan banden leggen van vrijheid altijd al idealen zijn geweest van onderdrukkende regimes. De manier waarop we vandaag informatie openbaar maken, bestond voor de opkomst van de mobiele telefoon alleen in de dromen van totalitaire dictators. In 1983 werd in West-Duitsland een volkstelling georganiseerd die inkijk moest bieden in privélevens aan de hand van een enquêteformulier. Dit plan lag erg gevoelig, en men vreesde in een orwelliaans scenario te belanden. Toen de overheid hard optrad tegen weigeraars groeide het protest. Uiteindelijk oordeelde het Constitutionele Hof dat het verzamelen en koppelen van persoonsgegevens ongrondwettelijk was, en het onderzoek werd afgeblazen. In Oost-Duitsland was er minder zichtbare tegenstand. In de film Das Leben der Anderen uit 2006 werd onder meer aanschouwelijk gemaakt hoe de Oost-Duitse politiestaat volledig binnendrong in het leven van haar onderdanen.

Voor 1989 bestond er een tegenstelling tussen enerzijds een overheid die alles wou zien of horen, en anderzijds burgers die alles wilden verbergen om hun vrijheid te beschermen en zich niet bespied te voelen. De klassieke liberale schotten tussen staat en maatschappij, tussen publieke en private sfeer, geplaatst om de macht van de staat te begrenzen, stonden nog overeind. Zelftransparantie beperkte zich tot afgebakende ruimten, zoals de biechtstoel of de sofa van de psychiater. Na de Val van de Muur kregen concepten als openbaarheid, privacy en transparantie een heel nieuwe dimensie. Transparantiedwang werd een kenmerk van de postmoderne samenleving, en daarachter ging een wereldbeeld schuil waarin transparantie de poort was naar een betere wereld. Transparantie zou machtsongelijkheid zichtbaar maken en op termijn doen verdwijnen. Die gedachte blijkt in onze digitale samenleving een utopie. Vele vormen van technologische machtsuitoefening maken daarbij gebruik van de zelftransparantie van het individu. Een duidelijk voorbeeld is het Amerikaanse PRISM-programma dat via het Bureau voor Nationale Veiligheid (NSA) vanaf 2007 directe toegang kreeg tot de servers van Google, Facebook, Microsoft, Yahoo, YouTube, Skype, Apple en anderen. Dit amalgaam van technologische bedrijven, inlichtingendiensten, consultants, retailers, IT-departementen en hackers bezit de grootste concentratie aan informatie in de geschiedenis van de mensheid. Ze onderscheppen mails, tweets, posts en selfies, maar ook onze belastingaangifte, het energieverbruik in onze woning en in sommige gevallen zelfs de inhoud van onze koelkast, onze medische geschiedenis en menstruatie- en vruchtbaarheidscycli, en de werking van ons metabolisme.

Het merkwaardige gevolg is dat we naast onze authenticiteit ook onze eigenwaarde verliezen: alles wat we uploaden of sharen, wordt namelijk meteen ingevoerd in een beoordelingssysteem. Het internet staat vol met data over hoeveel vrienden en volgers we hebben, of we populair zijn, en of we een lintje verdiend hebben van een winkel omdat we anderen hebben aangespoord om iets te kopen. Dat maakt het digitale panopticon transparanter dan de architectuur van Bentham. Om dit digitale panopticon te doen functioneren, wordt het toezicht door ons niet meer geïnternaliseerd, maar genegeerd, zodat we ons verlangen, onze verbeelding en ons plezier onbelemmerd kunnen uiten. Het principe van de macht is dus niet alleen gelegen in de persoon van een toezichthouder, maar ook in de blikken, het licht, de procedures, de apparatuur, kortom in het kleine theater van de persoonlijke exposure waarin we gevangen zitten.

De enorme asymmetrie in kennis en macht toont zich ook in de openbare ruimte, die is ingepalmd door slimme camera’s, gepantserde hekken, geluidsdetectoren en wifisnuffelaars. Jan Jambon, tot eind vorig jaar Belgisch minister van Binnenlandse Zaken, kondigde het aan op Twitter met de hashtag ‘veiligheidscultuur’ en met de mantra ‘wie niets te verbergen heeft, hoeft niets te vrezen’. De zucht naar transparantie wordt net zo omvattend als het klassieke streven naar volledige geheimhouding in de dictatuur. Alles – politiek, publiek, privaat – moet onmiddellijk openbaar worden gemaakt. Daarom heeft de wil om alles aan het licht te brengen en elke vorm van duisternis te verjagen totalitaire kenmerken, en dit leidt tot een situatie waarin alles en iedereen gecontroleerd wordt. Dankzij de onuitwisbare digitale sporen van bijvoorbeeld leerlingen, patiënten of werknemers, maken tracking en tracing fysiek toezicht vanuit de wachttoren overbodig. Het resultaat: transparante maar machteloze burgers en consumenten versus een opaak conglomeraat van overheden en private bedrijven. We zijn onze eigen informanten geworden. In onze maatschappij is een donkere plek ontstaan waar hedonistische exposure uitloopt in het bestuursparadigma dat van ons modelburgers wil maken. Deze nieuwe vorm van gouvernementaliteit kan door hoogontwikkelde vormen van propaganda, identificatie en bestraffing onze activiteiten kanaliseren, en wel in de richting van consumptie die gepaard gaat met politieke apathie. En wie voldoende indicatoren voor toekomstig risicogedrag vertoont, kan maar beter bewaakt worden. Tijdens een betoging op het Maidanplein in Oekraïne tegen de pro-Russische regering van Viktor Janoekovitsj kregen demonstranten een sms waarin werd gemeld dat ze werden geregistreerd voor hun deelname aan een massaal en illegaal oproer. In China krijgen burgers een ‘sociale kredietscore’ op basis van hun (online) gedrag. Met kredietpunten kunnen Chinezen makkelijker leningen afsluiten, of krijgen ze sneller toegang tot overheidsdiensten. Gedraagt men zich online niet zoals de partij het wil of is men als burger ongehoorzaam, dan vermindert de score en neemt de overheid maatregelen, zoals lagere internetsnelheden of uitsluiting van voordelen. Ook in de fantoomdemocratie Singapore wordt de mens een gläzener Bürger tegenover een alwetende instantie die zelf allerminst transparant is. Uiteindelijk komen we in een situatie terecht waarin we niet alleen openheid verlangen van de ander maar die ook zelf vanzelfsprekend geven. Wie op internet aanwezig is, kan zich niet meer verbergen – en wil dat vaak ook niet. Het principe van zien en gezien worden is het dominante lustprincipe geworden.

Macht in onze digitale maatschappij wordt uitgeoefend dankzij onze verlangens. De belangrijkste richtlijn is het mobiliseren van aandacht, en dat is een zichzelf versterkend proces. Onze nieuwsgierigheid kan z’n gang gaan, evenals onze fetisjismen en ambities, en we krijgen dingen aanbevolen waarvan we zelfs nog niet wisten dat we ze wilden. Hoewel zijn dystopische toekomstroman Nineteen Eighty-Four uit 1948 in de meeste opzichten profetisch is, gaat George Orwell aan dit cruciaal punt voorbij. Hij heeft de verhouding van het verlangen ten aanzien van de macht helemaal verkeerd ingeschat. De politieke strategie van Big Brother is bij hem immers gericht op de uitroeiing van de lust. Passies zoals seksuele instincten moeten onderdrukt worden: alle krachten in de imaginaire staten van Orwell staan in het teken van de haat. In onze positieve, digitale samenleving is precies het omgekeerde waar. Door een mengeling van verstrooiing, entertainment, plezier, propaganda en reclame zijn wij transparant geworden in onze verlangens, en juist daardoor kan de macht ongehinderd uitgeoefend worden.

Dit heeft een schaduwkant: als de mens door een algoritme emotionele prikkels en ervaringen krijgt toegediend, blijkt aanpassing aan de willekeur van dit algoritme verslavend te werken. Hoe meer onze narcistische instincten bevredigd worden, hoe sneller ze ons tot slaven maken. Het doel van de manipulatie is immers mensen sterker te hechten, en ze te stimuleren om steeds meer tijd in het systeem door te brengen. Wanneer mensen samengebracht worden in een situatie waarin aandacht de belangrijkste – en vaak de enige – beloning is, kunnen ze alleen maar fake macht en rijkdom verwerven. Dus worden er alom mind games gespeeld, zoals Twitter laat zien. Als aandacht het enige is wat we kunnen nastreven, zijn we geneigd in de krochten van de sociale media asociaal gedrag te vertonen, niet in het minst omdat de grootste asociaal de meeste aandacht krijgt. Ook de persoonlijkheid van de verslaafde wijzigt. De effecten van sociale media op onze psyche zijn vooralsnog onbekend, maar het is duidelijk dat menselijke interactie veranderd is. Facebookgebruikers zijn geneigd te denken dat anderen het beter hebben dan zij, en dat het leven onrechtvaardig is. Algoritmen rapen gevoelige onderwerpen bijeen om mensen te prikkelen, om hun aandacht vast te houden en hen te manipuleren. Daardoor worden mensen lichtgeraakt en dwangmatig. De vraag of ze wel populair genoeg zijn maakt hen nerveus; het zoveelste ‘bewijs’ dat de wereld implodeert maakt hen angstig. Ze gaan op zoek naar bevestiging in de uiterst competitieve arena van de sociale media die stammenstrijd bevordert. Op LinkedIn zetten we onszelf als merk in de markt. Ieder profiel is een communicatieplan dat aantrekkelijke merkwaarden consistent communiceert. Het subject wordt marketeer van zichzelf, in de hoop dat het potentieel op een dag wordt verzilverd.

Politicoloog Bernard Harcourt toont in zijn boek The Counterrevolution: How Our Government Went to War Against Its Own Citizens uit 2018 hoe het lustprincipe in de Verenigde Staten wordt ingezet om vijanden van de staat te bestrijden. Het regeringsprogramma Center for Global Engagement identificeert verdachte, kwetsbare of makkelijk te beïnvloeden personen via hun digitale sporen, en biedt hen content aan die moet ontmoedigen zich bij een protestbeweging of een terroristische organisatie aan te sluiten. De overheid richt zich niet enkel op minderheden – moslims, Afro-Amerikanen, Mexicanen en politieke manifestanten – maar op heel de bevolking. Vervolgens wordt de gevaarlijke minderheid van de passieve meerderheid afgezonderd en in de ban gedaan of door de interventie van hypergemilitariseerde veiligheidstroepen bestreden. Typerend voor dit huwelijk tussen oorlogsvoering en politiek zijn de opsporingstechnieken die grote gelijkenis vertonen met verkooptechnieken, advertenties en aankoopsuggesties. Daarom heeft het programma minder te maken met gehoorzaamheid of onderdrukking dan met gemak en bereidwilligheid. De focus op gehoorzaamheid – behorend tot een ouder register van discipline – ligt te veel in het verlengde van top-downpropaganda. Verdachten mogen niet de indruk krijgen dat hen iets wordt verboden, maar dat hen iets wordt aangeboden waarvoor ze zich al dan niet kunnen ‘engageren’. Deze nieuwe vorm van propaganda veronderstelt en exploiteert het feit dat onze subjectiviteit kan worden gevormd. Alles en iedereen is zichtbaar, kenbaar en dus maakbaar. In het verblindende licht van de transparantie heeft niemand nog iets te verbergen, is onwetendheid geen excuus meer, laat staan een recht, en is er bijgevolg ook geen genade meer. Dit is een direct antwoord op de specifieke manier van indoctrinatie via sociale media die afhankelijk is van de informatie die we delen. Vrijwillig en zonder dwang. Uit de perfectionering van het panoptisch principe blijkt dat Orwells grootste misvatting inmiddels is achterhaald: het is veel makkelijker om mensen te onderwerpen door middel van wat ze begeren dan door hen te dwingen, zelfs als het gaat om een latte of gratis wifi.