Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 200 juli-augustus 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Jeunes Artistes en Europe. Les Métamorphoses

Curatoren Thomas Delamarre en Sidney Gérard van Fondation Cartier in Parijs namen enkele jaren terug het besluit om een tentoonstelling te maken over jonge kunstenaars in Europa. Ze bezochten negenentwintig landen, vroegen raad aan honderden curatoren en docenten (in België Benoit Hennaut van La Cambre, Kathleen Weyts en Sophie Lauwers van BOZAR, Lodovico Corsini en Marwan Frikach van C L E A R I N G, en Priya Shetty van Damien & The Love Guru; in Nederland Elisabeth M.W.A. Van Odijk van de Rijksacademie en Bas Hendrikx van Kunsthalle Amsterdam), bekeken bijna duizend portfolio’s, en gingen langs in meer dan tweehonderd ateliers. ‘Zonder een vooropgesteld idee of een slagzin,’ zo zeggen de curatoren, leidde die zoektocht tot een selectie van 21 kunstenaars uit zestien landen, geboren tussen 1980 en 1994. Wat hun werk gemeen heeft, is een vorm van ‘metamorfose’: ‘de vaak gefragmenteerde esthetiek onthult een interesse in hybridisatie, collage en archeologie’. 

De curatoriële aanpak is niet geheel duidelijk. Les Métamorphoses is een coherente tentoonstelling, verspreid over vier zalen – twee ondergronds, twee op de gelijkvloerse verdieping – waarin kunstwerken vooral op basis van vormelijke en materiële overeenkomsten zijn samengebracht. Of die coherentie het gevolg is van gerichte keuzes van de tentoonstellingsmakers, dan wel symptomatisch voor jonge Europese kunst vandaag, blijft in het ongewisse. Hoe representatief is, kan of wil deze doorsnede zijn? Om te beginnen behoren de kunstenaars niet tot dezelfde generatie: wie in 1980 geboren is, heeft nog bewust zonder de dominantie van internet geleefd, in een Europa dat schijnbaar probleemloos the best of all possible worlds leek te zijn – dat geldt niet voor een kunstenaar van vijfentwintig. Is interesse in ‘hybridisatie, collage en archeologie’ typisch voor jonge Europese kunst vandaag, of hebben de curatoren, hoewel ze beweren zonder ‘vooropgestelde ideeën’ gewerkt te hebben, alleen kunstenaars geselecteerd met een dergelijke interesse?

Dezelfde vraag kan gesteld worden over wat er niet aan bod komt in de tentoonstelling, soms opvallend of verbazingwekkend genoeg, omdat zowel de recente kunstgeschiedenis als de maatschappelijke actualiteit erdoor lijkt te worden ontkend. Enerzijds is er afscheid genomen van heel wat canonieke strategieën uit de late twintigste eeuw: van conceptuele kunst, institutionele kritiek of mediale reflectie is er geen sprake meer. Deze kunstenaars maken dingen, en ze vinden het niet minder dan vanzelfsprekend dat ze die objecten in musea of galeries tentoonstellen, dat er foto’s van gemaakt worden die vrijelijk verspreid kunnen worden, en zelfs – zoals in het geval van Kasper Bosmans (1990), de uitverkoren Belg in de tentoonstelling – als koelkastmagneetjes te koop worden aangeboden in de museumshop. Anderzijds is deze kunst zelden openlijk politiek of kritisch, wat je nochtans zou verwachten in een samenleving waarin verzet tegen het establishment, klimaatopwarming en het patriarchaat, maar ook tegen vluchtelingen, vreemdelingen en het (veronderstelde) verval van traditionele waarden en privileges, tot de orde van de dag behoort. De vrees (of de hoop, al naargelang het standpunt) dat esthetiek vervangen is door ideologie, of door ideologiekritiek, wordt niet bewaarheid. Ook bijvoorbeeld de kritisch bedoelde assemblages die Tenant of Culture (het pseudoniem van Hendrickje Schimmel (1990), de Nederlandse kunstenaar in de selectie) maakt van schoenen, tassen en T-shirts, zijn mooie objecten om te exposeren – dat ze niet gedragen kunnen worden is uiteindelijk het voornaamste dat ze onderscheidt van eerdere experimenten à la Martin Margiela. De MeToo-beweging duikt enkel op in een film van de Portugees Gabriel Abrantes (1984), over Princess X van Brâncuși, een opvallend fallische sculptuur waarvoor vreemd genoeg prinses Marie Bonaparte model heeft gestaan. De verstelstem in A Brief History of Princess X is echter zo irritant, vrolijk en ironisch, dat Abrantes de emancipatie van de vrouw veeleer ridiculiseert dan onderschrijft. Ook internet, games, sociale media of virtual reality voeren allesbehalve de boventoon, met als uitzondering de video Martin pleure van de Franse kunstenaar Jonathan Vinel (1988), waarin de helletocht van een vereenzaamde jongeman wordt weergegeven in de beeldtaal van Grand Theft Auto V.

Of dit alles nu representatief is of niet voor de Europese scene vandaag – en vooral: waarom? – het wordt in Les Métamorphoses onvoldoende toegelicht of getheoretiseerd, iets waar de afwezigheid van een catalogus debet aan is. En toch is het aannemelijk dat Europese kunstenaars vandaag, tussen de vijfentwintig en de veertig jaar oud, vooral dit soort kunst maken. Van utopische vooruitzichten – of van toekomstbeelden tout court – is er geen sprake, noch van een geloof in technologie en industrie of (als artistieke weerslag ervan) abstractie. Het is wat dat betreft revelerend om de overwegend organische, gebricoleerde en artisanale kunst in Métamorphoses te vergelijken met de architectuur van de Fondation Cartier, een gebouw uit 1994 van Jean Nouvel. Geconcipieerd als drie identieke, evenwijdige glazen gevelschermen blijft het zowel een glimmende, coole ode aan high tech als – letterlijk en figuurlijk – een cerebrale én fenomenologische reflectie op de status van een gebouw als object of als beeld. Nagenoeg alle in Métamorphoses tentoongestelde werken verwijzen het geloof dat technologie het antwoord is op onze problemen – impliciet maar overduidelijk – naar het restafval van de geschiedenis. Het Italiaanse duo Formafantasma (met als leden Andrea Trimarchi (1983) en Simone Farresin (1980), die in Amsterdam wonen en werken) doet dat zelfs letterlijk: hun project Ore Streams stelt de recyclage centraal van microgolfovens, mobieltjes en computers tot bureaumeubilair – ook na het antropoceen moet er gewerkt worden! Piotr Łakomy (1983) uit Polen zet griezelige, biomorfe sculpturen vast op de gevels van de Fondation, als gemuteerde vleermuizen die grote witte eieren hebben gelegd, maar ook als een oervorm van leven die aan de menselijke soort voorafgaat. Nika Kautateladze (1989) uit Georgië heeft een vervallen huis uit zijn rurale geboortestreek naar Parijs gebracht, om het gedeeltelijk binnen en gedeeltelijk buiten de Fondation Cartier op te stellen. Zeker is dus dat er massaal wordt teruggekeken, niet zozeer naar de geschiedenis – want geschiedenis suggereert altijd minstens betekenissen, en is begrijpelijk en geordend als een verhaal – maar gewoonweg naar het verleden, als pure, nutteloos geworden materie, waarin desondanks naar grondstoffen, thema’s en overlevingskansen moet worden gezocht.

 

• Jeunes Artistes en Europe. Les Métamorphoses was tot 16 juni te zien in Fondation Cartier, 261 Boulevard Raspail, 75014 Parijs.