Daniël Rovers

DE WITTE RAAF

Editie 200 juli-augustus 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Dit is een vertaling van zeven jaar online archief Mister Motley

In 2012 moest het kunsttijdschrift Mister Motley als gevolg van draconische bezuinigingen in Nederland noodgedwongen op internet verder. Zeven jaar later verschijnt er een papieren bloemlezing met de beste onlinestukken. De eerste tekst, een kort essay getiteld ‘Non-fictie en het andere verhaal’ van Bernke Klein-Zandvoort, werd voor deze gelegenheid geschreven. Het is een mooi voorbeeld van de basale epistemologische twijfel die samenstellers Lieneke Hulshof en Caroline Ruijgrok als leidraad van de bundel namen, en die door hen als volgt is geformuleerd: ‘Wordt wat je kiest en hoe je denkt bepaald door wat je ziet, of wordt wat je ziet (en niet ziet) bepaald door hoe je denkt?’ 

Klein-Zandvoort schrijft over de nacht, vlak na haar verjaardagsfeest, waarop ze in haar kamer in een Londense volkswijk belaagd werd door een groep jonge mannen. Ze bonkten op de deur en schreeuwden: ‘You think you can come to Tottenham, being all white, without paying up?’ De weken daarna kon ze niet meer zonder angst en wantrouwen over straat lopen. Ze was in Londen als uitwisselingsstudent, een jaar na de straatrellen van 2011, die uitbraken nadat de zwarte Brit Mark Duggan werd doodgeschoten door de politie toen hij met een vuurwapen op de vlucht was geslagen. Klein-Zandvoort beschrijft de dood van Duggan vanuit het perspectief van de nabestaanden én van de politie. Tegelijk herinnert ze zich haar verjaardagsfeest: tot diep in de nacht had ze met vrienden feestgevierd. Een studiegenoot hing met blote borsten uit het raam om de aandacht van rondhangende dealers te trekken. Zorgeloze tijden: na afloop was de toegangsdeur van het gebouw open blijven staan, waardoor de mannen later die nacht naar binnen konden glippen. Welk verhaal is dit, vraagt de auteur zich af, ‘waarin ik wel even in een ‘echte’ wijk zou wonen en er met hetzelfde gemak weer kon vertrekken, terwijl anderen er heel non-fictie [sic] nooit uit weg zouden komen?’

Twijfel – zelftwijfel, maar evengoed twijfel aan bestaande machtsverhoudingen – typeert ook de tekst van Fiep van Bodegom, waarvan de onlineversie verscheen in november 2016. Net als Klein-Zandvoort schrijft zij over macht en huidskleur. Met Rancières De geëmancipeerde toeschouwer als basis gaat het in dit essay om de vraag hoe de heersende manier van zeggen, zien en doen, de ideologie kortom, de macht verdeelt en bepaalt – en hoe daar verandering in kan komen. Het essay is uit fragmenten opgebouwd, en het zijn veelal vragen die Van Bodegom opwerpt: is het een verdienste dat Kerry James Marshall louter zwarte figuren afbeeldt op zijn schilderijen, of zet dat ‘zichtbaar maken’ de geportretteerden weer apart? Heeft het zin om te stellen, zoals Teju Cole deed, dat veertiende-eeuwse beelden uit de Nigeriaanse Ife-cultuur even hoogstaand zijn als sculpturen uit de Europese renaissance? Bekrachtigt dat niet gewoon de zogenaamd objectieve westerse standaard? En hoe werkt die gevoeligheid voor huidskleur, die tien jaar geleden zoveel minder prominent aanwezig was?

Emancipatoire identiteitspolitiek staat centraal in meerdere teksten. Zoals altijd leidt dat tot ongemakkelijke passages. De in De Achterhoek geboren Lieneke Hulshof schrijft ter inleiding op een interview met de in Paramaribo geboren Charl Landvreugd, dat de weergave van het gesprek ‘was gekleurd door mijn westers gevormde, witte blik die verlangde naar een mate van eenduidigheid’. Onduidelijk blijft of dit Hulshofs zienswijze is, of eerder het oordeel van Landvreugd nadat hij de eerste versie van het interview onder ogen kreeg. Vreemd is de essentialistische opdeling in elk geval. Landvreugd studeerde aan Columbia University, New York, en promoveerde aan Goldsmiths, Londen – de betere opleidingen die ‘het Westen’ te bieden heeft. Het interview is overigens afgedrukt – prachtig idee – inclusief doorhalingen én verbeteringen in de tweede en derde versie. Daaruit blijkt vooral de gebruikelijke ergernis als de eigen woorden door een journalist of redacteur vereenvoudigd worden weergegeven.

De kracht van Dit is een vertaling van zeven jaar online archief (een wel zeer onpretentieuze titel – en onlinearchief is één woord) is de verscheidenheid aan teksten. Er zijn interessante korte interviews met onder meer Hans Aarsman, Awee Prins en Aukje Dekker. Een paar miskleunen hebben de selectie ook gehaald, zoals de tekst van Gerda van de Glind over kinderen die naar kunst kijken, waaruit hun ‘zoete manier van kijken’ zou blijken, en waarbij de lezer geacht wordt ‘ontroerd’ te raken door de zeer ‘oprechte’ kinderblik. Je mag hopen dat de opgevoerde Jolijn, Steijn, Tess en Philomijn (ze lijken afkomstig uit de betere buurten) in opstand komen tegen deze educatieve clichés. Een opsommend essay van Heske ten Cate over schilderkunst en alternative facts blijft steken in gemakzucht – wat heeft de ‘oorlogsverslaggever’ Orwell (Orwell vocht mee in de Spaanse Burgeroorlog, en werkte na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog op het Britse ministerie van informatie) vandoen met Robert Zandvliet? Een lezing van Daan Borrel over virtuele realiteit en zelfseks verzandt halverwege in onleesbaarheid.

Het zwakke punt van dit boek is de redactie. Schrijvers hadden voor fouten en uitschuivers behoed moeten worden. Een paar namen zijn verkeerd gespeld (‘Karl Andre’, ‘TS Elliot’) en de spatie wordt vaak ten onrechte gebruikt (‘Scheikunde lokaal, en op dezelfde bladzijde: ‘scheikunde leraar’). Online kun je dat aanpassen, in druk niet meer.

Het blad Mister Motley werd in 2003 opgericht door Hanne Hagenaars. Zij komt aan het woord in het afsluitende interview. Destijds wilde ze kunst tot leven brengen aan de hand van persoonlijke verhalen. Dat uitgangspunt zie je terug in het boek, en het heeft ook nadelen. De interviews bieden meestal niet meer dan een korte inleiding tot een oeuvre (‘Wat is jouw motief om kunst te maken?’). Doordat schrijvers persoonlijke ervaringen uitwerken, blijven machtsstructuren en geschiedenissen onbenoemd. Dat merk je al in de inleiding. Het einde van de papieren uitgave in 2012 wordt een zware klap genoemd, maar onuitgesproken blijft wie verantwoordelijkheid droeg, en waarom internet de enige uitweg was.

Hagenaars’ doel in 2003 was om kunst toegankelijk te maken. Inmiddels, zo stelt ze vast, is toegankelijkheid een eis die van bovenaf wordt opgelegd. En dus, zou je daaraan kunnen toevoegen, zorgt die vereiste laagdrempeligheid er tegenwoordig voor dat veel moois onmogelijk wordt gemaakt. Zou ze nu een tijdschrift oprichten, dan zou Hagenaars voor meer diepgang kiezen, en bijvoorbeeld (langere) teksten over één kunstenaar publiceren. Dat tijdschrift zou volgens haar op papier moeten verschijnen, al was het maar omdat drukwerk goedkoper is geworden. Er valt meer voor papier te zeggen. Hoewel de lengte van stukken op internet in principe onbeperkt is, zijn teksten er doorgaans kort. Op het scherm is er altijd afleiding: de aandachtspanne van de lezer is beperkt. Nu de juichverhalen over internet omslaan, is het tijd voor een herevaluatie van het papieren tijdschrift. Dit is een vertaling laat hopen op meer.

 

• Lieneke Hulshof en Caroline Ruijgrok (samenstelling), Dit is een vertaling van zeven jaar online archief Mister Motley verscheen in mei bij uitgeverij Mister Motley, ISBN 9789090318165.