Laura Herman

DE WITTE RAAF

Editie 201 september-oktober 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Verdwijnen in het diepe bos

Over How to Disappear. Notes on Invisibility in a Time of Transparency van Akiko Busch

In tijden van transparantie is het onmodieus om te verdwijnen: onzichtbaarheid levert weinig of niets op. Overheden en bedrijven willen zoveel mogelijk weten: gedachten, handelingen, opinies, voorkeuren, en vooral onze mate van beïnvloedbaarheid. Het gaat om een manipulatieve macht die teert op een vals gevoel van onafhankelijkheid en zelfbeschikking. Zichtbaarheid is niet langer een passieve maar actieve aangelegenheid, een moderne vorm van servitude volontaire. How to Disappear van Akiko Busch is een offensief tegen de dictatuur van de transparantie, en een poging om onzichtbaarheid te herwaarderen. In tegenstelling tot wat de titel doet vermoeden, is het boek geen handleiding om Walden-gewijs een teruggetrokken bestaan te leiden, of te ontsnappen aan de alomtegenwoordigheid van Big Data. Nergens biedt Busch sluitende antwoorden; haar essays zijn subjectieve betogen aangevuld met wetenschappelijke feiten. Poëzie en theorie tracht ze in evenwicht te houden. Het resultaat: meanderende bespiegelingen over de verdiensten en geneugten van onopgemerkt door de wereld te gaan, geschreven in een toegankelijke, bijwijlen vrijblijvende stijl.

Het boek opent met beschrijvingen van de natuur, waar onzichtbaarheid een belangrijke voorwaarde is om te overleven. Vanaf een kijkplatform in een witte eik aanschouwt Busch het glooiende landschap van de Hudson Valley, met een ongekende diversiteit aan fauna en flora. Busch weet dat ze lang niet alles ziet: haar zicht beperkt zich tot een boog van honderdtwintig graden. Ook de kleurenreeks die het menselijk oog kan zien is een fractie van het elektromagnetische spectrum. Bijen zien bijvoorbeeld ultraviolette straling; andere dieren, zoals de ratelslang en de boomadder, kunnen infrarood waarnemen. ‘De hele wereld schittert met dingen die we niet kunnen zien,’ schrijft Busch.

Al sinds het begin der tijden inspireert de onzichtbare wereld tot fabuleren, speculeren en ontdekken, en die prachtige menselijke kwaliteit dreigt verloren te gaan. In De oude vrouw en de katten, het recentste boek van J.M. Coetzee, debatteert Elizabeth Costello met haar zoon over de ziel van dieren: ‘Is onzichtbaarheid geen eigenschap?’ ‘Er bestaat niet zoiets als onzichtbare waarnemingsobjecten. Onzichtbaarheid is geen eigenschap van het object. Het is een eigenschap, een vermogen of onvermogen, van de waarnemer. We noemen de ziel onzichtbaar als we haar niet kunnen zien. Dat zegt iets over ons. Het zegt niets over de ziel.’ Ook in dit boek wordt gesteld dat het primaat van de zichtbaarheid ertoe heeft geleid dat we niet meer in staat zijn helder te zien: we zien onszelf niet meer, en de wereld waarin we leven evenmin. Onzichtbaarheid geldt als tegengif voor de verblindende dwang onszelf voortdurend te tonen – niet als momentane ontsnapping, maar als autonome conditie met een eigen kracht en betekenis.

Busch benadert haar fascinatie met uitwaaierende voorbeelden. Van het ene duikelt ze in het andere: onzichtbaarheidsmantels en magische ringen, de anonimiteit van de auteur(s) achter Elena Ferrante, Anonieme Alcoholisten, een MoMA-tentoonstelling over stof, de uitvinding van de app Signal, het recht om vergeten te worden, The Invisible Man (1897) van H.G. Wells, Robert Rauschenbergs Erased de Kooning Drawing (1953) en de unselfies van Alec Soth. Lange passages over de natuur, gedragen door stilistische elegantie en grote affiniteit met de buitenwereld, behoren, ondanks de soms naïeve verwondering, tot de beste delen van How to Disappear. In ‘Across the Natural World’ is de natuur een en al mysterie, illusie en maskerade. Dat de natuur zich graag verstopt, wist Heraclitus al, maar dat verhullen is een vaardigheid die de eenentwintigste-eeuwse mens verloren heeft. Van camouflage en nabootsing in de dierenwereld kan de mens leren om, in plaats van voortdurend te willen opvallen en zich verbeten te onderscheiden, in de omgeving op te gaan. Roger Caillois beschouwde mimicry als even fundamenteel als het spel: de grens tussen het ik en de omgeving vervaagt.

Verdwijnen kan ook via verwondering. Al zwevend in de stille diepten van de Caraïbische Zee, kijk je anders naar de wereld: ‘Wanneer we niets anders zien dan een enorme blauwe afgrond, wordt het mogelijk deze onbegrensdheid met vrijheid te associëren. We zijn verbonden met onze omgeving en maken deel uit van een bredere wereld,’ schrijft Busch. Voor Busch is deze totale immersie, deze tijdelijke verbondenheid met het aquatische leven, een helende, meditatieve ervaring: ‘Ondergedompeld, ben ik een vluchteling van de zichtbare wereld.’

Onze verhouding tot de wereld, en daardoor tot onszelf, wordt verder verkend in ‘The Invisible Friend’, waarin Busch schrijft over ‘de kindertijd’. Ze neemt als voorbeeld haar zoon, die als peuter twee gouden oorringen door het raam gooide – een uiting van objectpermanentie, aldus Busch, een begrip uit de ontwikkelingspsychologie voor het voortschrijdende besef dat objecten blijven bestaan, ook als we ze niet meer zien. Een kind haalt plezier uit privacy, dagboeken, geheimen, denkbeeldige vriendschappen, maar ook uit het besef dat je bij verstoppertje spelen altijd gevonden zal worden. Interioriteit is een voorwaarde om zelfbewustzijn te ontplooien, maar ook om intermenselijke relaties te verkennen en empathie te ontwikkelen: het inzicht dat er andere belevingen van de wereld mogelijk zijn.

Daarmee worstelt de hedendaagse mens voortdurend, en objectpermanentie lijkt iets uit het verleden. Hoewel we offline niet in rook opgaan, primeert de onstuitbare drang om alles vast te leggen, te taggen en te delen. In ‘Invisible Ink’, een essay over het belang van onzichtbare inkt, blanco pagina’s en vertrouwelijke informatie, gaat Busch in op de noodzaak om dingen ongeschreven te laten, of om ze uit te wissen. ‘Het onuitgesproken woord heeft een eigen nauwkeurigheid.’ In het hoofdstuk ‘Orlando’s Ring’ schrijft ze over het zestiende-eeuwse liefdesepos Orlando Furioso van Ludovico Ariosto, waarin een gestolen ring tot onzichtbaarheid kan leiden, en op die manier tot zowel geluk als tot tragiek. De kracht van dit juweel inspireert tot ongebreidelde creativiteit, ongeremd denken en ingenieus handelen, en Orlando’s ring wordt een embleem voor de weldadige keuze voor onzichtbaarheid.

Een andere ring, die van Gyges, schuift Busch handig onder de mat, hoewel ze er even voordien nog aandacht aan heeft besteed. Plato stelde reeds de vraag naar de impact van onzichtbaarheid op ons moreel kompas: in De ideale staat vertelt hij het verhaal van een herder, Gyges, die een ring vond waarmee hij zichzelf onzichtbaar kon maken. Dankzij die eigenschap slaagde hij erin de koningin te verleiden, de koning te vermoorden, en diens plaats in te nemen. Het vermogen tot onzichtbaarheid maakt een rechtschapen mens blijkbaar onbetrouwbaar en corrupt. Dat Busch in haar betoog de ring van Orlando boven die van Gyges verkiest, illustreert niet alleen hoe ze onzichtbaarheid verdedigt als individuele weldaad, het brengt ook het fundamentele probleem van How to Disappear aan het licht. Enerzijds beseft Busch niet dat veel mensen in onze maatschappij niet naar onzichtbaarheid verlangen, maar ertoe veroordeeld zijn; anderzijds lijkt ze nauwelijks onder ogen te zien dat ontsnappen aan de blik van de maatschappij ook tot misbruik kan leiden. In ‘The Anonymity Proposal’, een lofzang op de bevrijdende schoonheid van anonimiteit, erkent ze slechts terloops dat ook wreedheid het gevolg kan zijn van virtuele pseudoniemen, zoals cyberpesten en racisme op een forum als 4chan aantonen. In ‘The Vanishing Self’, een essay over onder meer de dementie van haar moeder, beweert Busch dat de uitspraak ‘ze zal nooit meer dezelfde zijn’ over iemand die lijdt aan alzheimer, ook van toepassing kan zijn op iemand die na een levendige droom wakker schiet, of net een heftig boek gelezen heeft. ‘Het beroofde haar van wat we beschouwden als haar identiteit,’ schrijft ze. ‘Dergelijke ideeën over identiteit zijn echter verouderd. […] Het zelf is voortdurend een vluchteling, altijd migrerend van de ene staat naar de andere.’ In ‘Rereading Mrs Dalloway’ stelt Busch dat oudere vrouwen enkel verdwijnen en vereenzamen als ze zich overgeven aan objectivering. Wie zich, net zoals Woolfs Clarissa Dalloway, als subject gedraagt, kan diepere banden met zichzelf en de anderen smeden: ‘Een verminderd gevoel van zichtbaarheid hoeft niet beperkend te zijn voor de ervaring. Geassocieerd met meer empathie en mededogen, leidt onzichtbaarheid tot een meer menselijke kijk op de wereld.’ Bevestigt zo’n uitspraak niet het cliché over de zorgende aard van vrouwen, die zichzelf met plezier wegcijferen? En worden de problematische kanten van de onzichtbare positie van alleenstaande en oudere vrouwen er automatisch door opgeschort?

In een passage die obligaat overkomt geeft Busch terloops toe dat vrijwillige onzichtbaarheid – digitale detox – een luxe is die niet iedereen zich kan permitteren, maar die is voorbehouden aan een professionele elite. Voor mensen ‘in de marge’ kan onzichtbaarheid synoniem staan met vervreemding, ondervertegenwoordiging, uitsluiting en onderwerping. Het is een inzicht dat haar pleidooi inderdaad niet vooruit helpt, en het vervolg is intellectueel oneerlijk: ‘De associatie met sociale vervreemding en verwaarlozing, bracht een zware klap toe aan onzichtbaarheid. […] Is het mogelijk om deze betekenissen te overstijgen om grotere menselijke waarde in onzichtbaarheid te vinden?’ Dat kan zeker wanneer je in de Hudson Valley woont en zwemmen je hobby is, maar voor velen is een onzichtbaar bestaan een vaststaand feit eerder dan een keuze. Busch’ onzichtbaarheidsideaal is gebaseerd op individuele integriteit, en ze besteedt nauwelijks aandacht aan politieke manieren om collectieve vormen van onzichtbaarheid te bestrijden. Wat evenmin helpt is dat How to Disappear lijdt onder begripsverwarring. Zichtbaarheid en transparantie zijn niet hetzelfde, zoals Busch geregeld suggereert: je kan onzichtbaar blijven ook wanneer al je persoonlijke informatie transparant wordt gemaakt. Transparantie duidt vaak op een kenbaar lichaam, maar een mens is noch van glas gemaakt, noch de belichaming van cijfers en statistieken. Het gekwantificeerde individu kan pas ‘gezien’ worden wanneer het als volwaardig subject wordt behandeld en ‘bekeken’.

How to Disappear bulkt van de voorbeelden en tegenvoorbeelden, maar die veelheid aan referenties kan niet verhullen dat onzichtbaarheid in dit boek al te eenzijdig wordt verheerlijkt. Busch springt voortdurend heen en weer, in een vaak incoherente wisselwerking tussen pastorale lyriek en gemakzuchtige technologiekritiek. De erudiete, goed onderbouwde passages krijgen dan plots een vervelende moraliserende toon. Op pagina zeven kan na een prachtige passage over de Hudson Valley het contrast niet groter zijn wanneer Busch vervolgt met een opsomming van neologismen – van neuropolitics tot microcelebrity en van personal data mining tot post-privacy world. Busch trapt open deuren in, gaande van de manieren waarop bedrijven zoals Cambridge Analytica onze gegevens misbruiken, tot de relatie tussen sociale media en narcisme, een pathologie die Christopher Lasch al in 1970 in The Culture of Narcissism met betrekking tot de toenmalige media blootlegde. Zo lijkt het alsof ze zelf het slachtoffer wordt van de drang om de eigen zichtbaarheid te vergroten dankzij het tentoonspreiden van kennis over technologische aangelegenheden waar ze vooral een hekel aan heeft.

Hoe ernstig en verstrekkend de gevolgen van nieuwe technologieën ook mogen zijn, Busch’ betoog doet geregeld denken aan Beestenbos is boos. Zo staat How to Disappear in scherp contrast met het grondig wetenschappelijk werk The Age of Surveillance Capitalism van Shoshana Zuboff uit 2018, waarin geen kritiek wordt geleverd op de technologie zelf – want die kan leiden tot gemeenschapsvorming, activisme en uitwisseling – maar op de manier waarop bedrijven technologie hebben gekaapt. ‘Als we het surveillancekapitalisme willen stoppen, temmen of zelfs buiten de wet willen plaatsen,’ stelde Zuboff in De Groene Amsterdammer van 20 februari 2019, ‘zullen we nieuwe wetten, regels en vormen van collectieve actie nodig hebben, die zijn toegesneden op specifieke mechanismen.’ Daarvoor zullen we ook ons hedendaags begrip van transparantie moeten aanpassen, zodat we onevenwichten tussen zichtbaarheid en onzichtbaarheid écht kunnen blootleggen. Verdwijnen in het diepe bos is geen optie.

 

How to Disappear. Notes on Invisibility in a Time of Transparency van Akiko Busch verscheen in februari 2019 bij Penguin Press, New York.