Hilde Heynen

DE WITTE RAAF

Editie 201 september-oktober 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Zieke lichamen en transparante architectuur

Over X-Ray Architecture van Beatriz Colomina

Het is een oude wijsheid dat architectuur intiem verbonden is met het lichaam. Sinds Vitruvius wordt gesteld dat architectonische ordes – Dorisch (mannelijk), Ionisch (vrouwelijk), Korintisch (het meisje) – menselijke proporties overnemen. Leonardo da Vinci’s beroemde diagram – dankzij Ikea ondertussen een object van massaconsumptie – toont het mannelijke lichaam als een wonderbaarlijk evenwichtig en geometrisch samengesteld geheel, dat de weg wijst voor maatsystemen die schoonheid in kunst en architectuur waarborgen.

De verbondenheid tussen architectuur en lichamelijkheid gaat verder. Joseph Rykwert betoogde, in zijn boek On Adam’s House in Paradise uit 1972, dat Adam wel een hut gehad moest hebben, als bemiddeling tussen zijn broze lichaam (en dat van Eva) en de buitenwereld. Architectuur fungeert dus als representatie van het lichaam (de ordes), maar ook als regulator tussen binnen (privé) en buiten (publiek). Ignasi de Solà-Morales noemde dat in zijn essay ‘Afwezige lichamen’ uit 1997 het antropomorfisme van de klassieke architectuur: ‘alle elementen van haar taal verwijzen per definitie naar één enkel patroon.’

Die intieme band wordt sterk onder druk gezet in de twintigste eeuw. Technologie, industrie en mechanisering veranderen de relatie tussen lichaam en omgeving. De avant-garde benadert het lichaam niet langer als maat- en proportiesysteem, maar als mechanisch geheel van organen. In de fotomontages van László Moholy-Nagy, Raoul Hausmann en John Heartfield komen steeds meer lichaamsfragmenten voor – een been, een arm, een hoofd – die hun betekenis en functionaliteit behouden, los van de integriteit van het geheel.

Efficiëntie, hygiëne en optimalisatie behoren tot de orde van de dag: het ontwrichte en ontmantelde lichaam wordt meer en meer gezien als een machinale constellatie van onderdelen. In de architectuur beheren functionalisme en ergonomie de vormgeving. Fordistische analyses van bewegingen reguleren de maatgeving van keukens, bad-, woon- en slaapkamers (de maten zijn inmiddels wat verruimd, maar dezelfde logica is nog altijd aan het werk in hedendaagse normen voor sociale woningbouw). De consequentie van de avant-gardistische fragmentatie is ingrijpend, aldus De Solà-Morales: ‘Wat overblijft is een stelsel van milieutechnische, psychologische en mechanische mechanismen ter bevrediging van lichamelijke behoeften. Deze behoeften zijn gereduceerd tot energie, de uitwisseling van koude en warmte, straling en informatie.’ ‘Afwezige lichamen’ eindigt met een verwijzing naar Guattari en Deleuze, die het ‘lichaam zonder organen’, typisch voor het laatkapitalisme, tegenover het traditionele subject stellen, de ondeelbare mens als maat van alle dingen. Dankzij de fragmentatie van het lichaam krijgen de abstracte stromen van cijfers, geld en de markt vrij spel. Voor De Solà-Morales betekent dit dat lichamen een fictief bestaan leiden, en dat kunst en architectuur aan de slag moeten met de desintegratie en de uitbuiting van precaire lichamelijkheid.

Beatriz Colomina leest de geschiedenis van de twintigste eeuw anders. In haar recentste boek, X-Ray Architecture, zet ze zich uitdrukkelijk af tegen de gevestigde opvatting dat de architectuur van de avant-garde gekenmerkt werd door een fascinatie voor nieuwe materialen en constructiemethoden, en door functionele efficiëntie en de machine-esthetiek. Moderne architectuur is volgens haar het resultaat van de medische obsessie van de vroege twintigste eeuw (tuberculose) en van de technologie waarmee deze ziekte gedetecteerd werd (röntgenstralen). Zo staat het lichaam, al is het dan ernstig ziek, toch weer centraal.

Voor Colomina begint de fragmentatie van het lichaam al in de renaissance, wanneer voor het eerst dissecties worden uitgevoerd en afzonderlijke lichaamsdelen in medische traktaten (maar ook in sommige manuscripten van Da Vinci) worden opgetekend. Toch primeert ook in X-Ray Architecture de moderne architectuur. Le Corbusier en Loos – architecten die een hoofdrol speelden in Colomina’s proefschrift, dat in 1994 verscheen als Privacy and Publicity. Modern Architecture as Mass Media – worden opgevoerd als getuigen. Le Corbusier gebruikt vaak medische metaforen, bijvoorbeeld wanneer hij Parijs omschrijft als een zieke stad die enkel door ingrijpende maatregelen weer gezond kan worden. Loos sprak herhaaldelijk over de ‘man met moderne zenuwen’, verwijzend naar shock-ervaringen, de omgang met moderne condities (zoals druk verkeer) en het streven naar een ‘gezond evenwicht’. Colomina wijst op overeenkomsten met de psychoanalyse en de cultuurfilosofie van Walter Benjamin, die veel ideeën overgenomen heeft van Loos en Giedion. Ook Friedrich Kiesler, Richard Neutra en Charles en Ray Eames krijgen een plek.

Het tweede hoofdstuk, over tuberculose, gaat over de essentiële rol die het sanatorium speelde voor modernistische architecten. Aan de hand van overvloedig beeldmateriaal en een grondige bespreking van voorbeelden uit Zwitserland, Finland en Nederland, toont Colomina hoe dit gebouwtype een medisch instrument werd, dat patiënten veelvuldig blootstelde aan deugddoende lucht, licht en zon. Het sanatorium van de Aalto’s in Paimio uit 1933 ziet ze als een sleutelproject, maar ook Zonnestraal uit 1928 van Bijvoet en Duiker in Hilversum duikt herhaaldelijk op (het sanatorium in Tombeek van Maxine Brunfaut ontbreekt – het is minder gekend en dateert pas uit 1936). De moderne architectuur is volgens Colomina opgebouwd rond twee emblematische figuren: de fragiele tuberculosepatiënt op zoek naar genezing, en de gezonde atleet die beschavingsziekten wil voorkomen.

De kern van haar argument bereikt Colomina wanneer ze dieper ingaat op de ontdekking van röntgenstralen in 1895, de nieuwe beelden die ermee worden gemaakt en de impact daarvan op de ervaring van het menselijke lichaam. Voor het eerst wordt een lichaam doorzichtig, transparant; beenderen worden op sprekende wijze zichtbaar, maar tegelijkertijd wordt tuberculose gedetecteerd nog voor er fysieke symptomen optreden. De beelden die Wilhelm Conrad Röntgen maakte van de beringde hand van zijn vrouw Anna Bertha Ludwig werden veelvuldig gepubliceerd in tijdschriften en kranten, en ze brachten een trend op gang in de populaire cultuur. Een nieuw visueel veld werd gecreëerd, ook in de architectuur: ‘Glasarchitectuur’, schrijft Colomina, ‘echoot de logica van de X-straal. Een buitenste scherm verdwijnt zodat een spookachtig beeld van het binnenste waarneembaar wordt. […] Het is niet zozeer het interieur van een gebouw dat geëxposeerd wordt, als wel het gebouw zelf dat blootstelling representeert, en deze blootstelling verschijnt op een scherm. Glas wordt ingezet om transparantie te simuleren.’

Glasarchitectuur is van meet af aan dubbelzinnig: het interieur wordt niet honderd procent zichtbaar gemaakt. Totale zichtbaarheid wordt slechts gesuggereerd, en gehuld in een waas van mysterie en geheimzinnigheid. Glas is immers niet enkel doorzichtig maar ook reflectief. De talloze afbeeldingen van glasarchitectuur in publicaties over moderne architectuur in de jaren twintig en dertig delen een visuele logica met de medische beeldvorming ontwikkeld door Röntgen. Cruciaal bij deze nieuwe transparantie is niet enkel zichtbaarheid, maar evengoed de lagen van reflecties en onscherpte die deel uitmaken van het dispositief. Colomina werkt deze ideeën omtrent blurred vision verder uit aan de hand van de architectuur van Mies Van der Rohe (met de glazen wolkenkrabber voor Berlijn uit 1922 in een glansrol) en de veel latere projecten van SANAA, die inzetten op een ‘gechoreografeerde opaciteit’. SANAA zoekt naar een lichte en translucente architectuur, die mensen op het verkeerde been zet: ze zien waar ze willen zijn, maar geraken er niet onmiddellijk omdat glazen of acryl wanden de doortocht belemmeren. Dit culmineert in een installatie uit 2009 in Mies’ Barcelona-paviljoen: SANAA laat een gekrulde, transparante acrylwand de onyx-muur en een van de kolommen omhullen, waardoor de ruimte-ervaring totaal verandert terwijl het paviljoen zelf ‘onaangetast’ blijft.

In het voorwoord laat Colomina verstaan dat dit boek een lange ontstaansgeschiedenis kende. De oorsprong gaat terug tot 1980 toen ze, net na haar afstuderen, terecht kon aan het New York Institute of Humanities, op dat moment geleid door Richard Sennett. Daar maakte ze kennis met Susan Sontag, wiens Illness as Metaphor uit 1978 de basisinspiratie vormde voor X-Ray Architecture. Colomina’s plan om dit onderzoek meteen uit te werken botste toen op weerstand, zowel in haar thuishaven Barcelona als aan de Columbia University in New York: de tijd was blijkbaar nog niet rijp voor interdisciplinair onderzoek in architectuur. Indirect verwijst ze daarmee onder andere naar Ignasi de Solà-Morales, haar mentor in Barcelona. Diens theorie komt inderdaad voort uit een wat nauwere en meer traditionele invalshoek, omdat hij architectuur vooral vanuit een interne ontwikkelingslogica benadert. Colomina heeft een breder palet, zodat architectuur niet enkel inspiratie haalt uit beeldende kunst, maar ook uit medische praktijken en populaire media. Tegelijkertijd opent De Solà-Morales een betekenislaag die in het verhaal van Colomina afwezig blijft, in de eerste plaats omdat ze architectuur niet duidt in het kader van het laatkapitalisme.

De auteur van X-Ray Architecture excelleert op twee terreinen. Enerzijds beheerst ze bijzonder goed het genre van het visuele essay: zelfs zonder de tekst te lezen kan de basisteneur van dit boek begrepen worden, door systematisch alle illustraties te bestuderen, waarvan de analogieën en hun implicaties onontkoombaar zijn. Anderzijds is Colomina een meester in het formuleren van pakkende passages: haar boek staat vol oneliners die een duidelijke boodschap overbrengen zonder te simplificeren. De veelheid aan voorbeelden, citaten en analyses uit de canon van de moderne architectuur ondersteunen haar stelling over de centrale positie van het zieke lichaam, en de hypothese dat een modern gebouw, in navolging van röntgenstralen, in eerste instantie een instrument van genezing of preventie is. Toch maakt het boek, dat niet meer dan tweehonderd pagina’s telt, niet alle beloften waar. De metafoor van het zieke lichaam is zodanig rijk dat er ook andere dingen door aan het licht kunnen komen. Vreemd is bijvoorbeeld dat Colomina geen genderanalyse koppelt aan de medische blik, die historisch gezien mannelijk is, en vrouwelijke lichamen meer dan eens tot een object maakt. Aspecten van ras en andere vormen van ongelijkheid komen evenmin aan bod, terwijl tuberculose vooral een arme-mensenziekte was en heel wat sanatoria (zoals die in Hilversum en Tombeek) gebouwd werden door arbeidersbewegingen. Politieke economie – de relatie met kapitalisme en communisme – is afwezig, terwijl Colomina in haar boek Domesticity at War uit 2007 toch een puntgave analyse maakte van de impact van de Koude Oorlog op architectuur en het wonen in de Verenigde Staten. Ondanks een verwijzing naar beveiligingstechnieken in luchthavens en de bijhorende privacyproblematiek, behoren ook meer recente (en radicale) vormen van transparantie niet tot het onderwerp van X-Ray Architecture. In plaats van röntgenstralen, zo suggereert Colomina terloops, hadden in dat geval CT- en NMR-scans centraal moeten staan.

 

X-Ray Architecture van Beatriz Colomina verscheen in maart 2019 bij Lars Müller Publishers, Zürich.