Daniël Rovers

DE WITTE RAAF

Editie 201 september-oktober 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Chapter 1NE

Het kunstinstituut Het HEM is gevestigd in een voormalige kogelfabriek in Zaandam, aan de noordoever van het Noordzeekanaal. De militaire industrie verdiende hier vroeger geld aan het vernietigen van levens. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog werd op het terrein in het grootste geheim mosterdgas geproduceerd. Inmiddels wordt het Hembrugterrein ontwikkeld tot een woon- en werkgebied, zeer populair omdat de omgeving wijds en industrieel is, en Amsterdam op twintig minuten varen ligt. Bovenop Het Hem moet in de nabije toekomst nog een hotel komen, naar een ontwerp van Rem Koolhaas. Aan de andere kant van het kanaal staan de gigantische opslagtanks voor benzine, waar men gestadig voortwerkt aan de opwarming van het klimaat.  

Hoe maak je die enorme industriële ruimte (9000 vierkante meter, oftewel twintig basketbalvelden groot) tot een relevante kunstruimte? Dat zal de tijd moeten uitwijzen. Ontwerpstudio RAAAF kreeg als eerste de opdracht om werk te maken specifiek voor dit gebouw. Het duo liet vier kamergrote platen uit messing (het kogelmateriaal) fabriceren, in een klokkengieterij in Asten. Die hangen aan katrollen in het achterste deel van de hal op de begane grond, en kunnen door middel van een lange rail in het plafond over zo’n dertig meter heen en weer schuiven. De bezoekers zien een muur van staal langzaam op zich af komen, en staan dus enigszins onder tijdsdruk terwijl de patronen of figuren in het roestkleurige materiaal zichtbaar worden, als bij een rorschachtest. Zie je daar een dader of een slachtoffer, een schutter of een schietschijf?

Het HEM werkt voor elke tentoonstelling met gastcuratoren. Voor de opening, Chapter 1NE, werden Edson Sabajo en Guillaume Schmidt gevraagd, oprichters van het kledingmerk Patta. Zij werden bijgestaan door directeur Kim Tuin en curator Rieke Vos. Hiphop is de bindende factor. Kunstenaars maken gebruik van sampling en assemblage, en laten zich inspireren door de zwarte Amerikaanse cultuur. Het gevaar van eenvoudige esthetisering ligt daarbij op de loer. Als je een tegencultuur inlijst, dan wordt ze ook altijd een beetje gedisciplineerd. Neem de iconisch geworden portretten van rivalen Tupac Shakur en The Notorious B.I.G. door Dana Lixenberg, die elkaar op de bovenste verdieping aankijken, gescheiden door twee glaswanden. Ze zijn prachtig tot zwijgen gebracht. In extremis geldt die disciplinering voor een drietal ingelijste graffitistukken van de New Yorkse kunstenaar Rammellzee; ze worden getoond in wat de ‘white cube’ wordt genoemd, een (zwartgekleurde) box waar museumcondities (een constante temperatuur, geen natuurlijk licht) zijn gecreëerd. Wie de zware stalen deur opentrekt, weet weer waarom musea zo vaak met mausoleums vergeleken zijn.

Levendig en confronterend is het werk van Quentley Barbara. Uit karton maakt hij meer dan levensgrote figuren, die hij met gaffertape vastplakt op een staketsel van vurenhouten planken. Het materiaal ligt naast het werk, dat getoond wordt in een provisorische afscheiding van karton. Hesus toont een jeugdvriend van de kunstenaar, een figuur met zeer goed gelukte braids uit karton en tape, die op handen en voeten over de grond kruipt. Hij repareert iets, zoekt iets, of voelt zich vreselijk ellendig (de brochure meldt dat de man in de drugscriminaliteit belandde). Barbara was tijdens de openingsuren af en toe aan het werk; in de loop van de zomer kreeg de kruipende man gezelschap van een staande figuur, die een schoppende beweging naar Hesus leek te maken. Een bedreiging dus, maar ook een formele oplossing om de betonnen pilaar bij de voorstelling te betrekken. Je zou willen dat het werk daar de komende jaren in ontwikkeling bleef.

Agressiviteit is een belangrijk kenmerk van hiphop, de wil om een ander al dan niet treiterend de waarheid te zeggen. Die intentie is in ieder geval terug te vinden bij Erik van Lieshout. In een vier meter hoog, zelfgebouwd kartonnen hok – in Heinekengroen geverfd, zodat het op een sterk uitvergrote bierkrat lijkt – toont hij de recente video Beer: een gefragmenteerd, autobiografisch verslag van een kunstenaar die binnenkort vijftig wordt, zich oud voelt en aan zijn knie geopereerd is. Hij verkoopt een paar tekeningen in een informele setting en moet vervolgens vijftig procent aan zijn galeriehouder Annet (Gelink) afdragen. Omdat hij niet weet wat hij nu weer moet gaan maken, slaat hij aan het verbouwen, en ziet tot zijn schrik (gentrificatie!) dat een vrijstaande ruimte aan de overkant van de straat tot hippe horecaruimte wordt verbouwd. Dan hoort hij dat hij de Dr. A.H. Heinekenprijs voor beeldende kunst gewonnen heeft. Eerste gedachte: ‘Misschien gaan rijke mensen dan meer van mijn kunst kopen.’

Maar Heineken is toch een fout bedrijf, dat in Afrika promotiemeisjes heeft laten prostitueren om daar meer bier te verkopen? Beer gaat over de manieren waarop Van Lieshout zich tot de prijs en de sponsor verhoudt, en hoeveel verzet eigenlijk kan opleveren. Van Lieshout besluit een deel van het gewonnen geldbedrag te schenken aan een op te richten apotheek in Addis Abeba, waar zijn moeder al duizend euro aan heeft gegeven, maar die, als hij de bouwplaats bezoekt, verdacht veel op een woonhuis lijkt.

Ook maakt de kunstenaar verschillende op het biermerk geïnspireerde werken: houtskooltekeningen en animaties van Charlene De Carvalho-Heineken; een drinkglas met daarop de letters URINE geplakt, in Heineken-typografie; een zelf geknutseld bierblik, twee bij één meter groot, waar hij in plaatsneemt, om door de straten van een Duitse stad (Wiesbaden) te worden gerold. Aan verbijsterde voorbijgangers legt Van Lieshout uit dat hij kunstenaar is en de Heinekenprijs gewonnen heeft.

De prijs genereert aandacht, maar kost ook energie. Van Lieshout wordt geïnterviewd door een journaliste uit zijn geboortestreek. Hij zegt een paar kritische dingen over de Heineken-prijs, en moet vervolgens lang met Steven (ten Thije) van het Van Abbemuseum bellen om te zeggen dat het hem spijt. Een opportunist vindt hij zichzelf, een slijmbal en een leugenaar. Bij het volgende interview, voor een internetpublicatie, geeft Van Lieshout liever geen commentaar meer. Maar weer moet hij met de organisatie (de KNAW) en het museum bellen wanneer de publicatie meldt dat het invloedrijke bedrijf ‘de conflictueuze kunstenaar heeft laten buigen, want naar honderdduizend euro luistert immers iedereen’. Van Lieshout, huilend, wanhopig: ‘Als er helemaal niemand meer naïef is, dan is er toch ook niets meer aan!’

Beer was een van de sterkste bijdragen tijdens de eerste, geslaagde tentoonstelling in Het Hem, dat grotendeels met particulier geld is gefinancierd. Van Lieshout omarmde én negeerde de enorme hal door zijn eigen kartonnen bioscoop neer te planten. Hij was luidruchtig én vol zelfrelativering. Het slotbeeld: de kunstenaar, keurig in pak, ontving uit handen van de uiterst vriendelijke Charlene De Carvalho de prijs. Van Lieshout, breed glimlachend, hield het beeldje in de lucht. Stond daar een sell-out of een waarlijk slimme kunstenaar?

 

• Chapter 1NE liep tot 1 september in Het HEM, Warmperserij 1, 1505 RL Zaandam.