Christophe Van Gerrewey, Melanie Deboutte

DE WITTE RAAF

Editie 201 september-oktober 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Versies van een paviljoen van Dan Graham

Interview met architect Dirk Defraeije over Chambres d’Amis

Melanie Deboutte: Het Museum van Hedendaagse Kunst heeft eind 1985 een oproep gelanceerd aan inwoners van Gent om hun woning ter beschikking te stellen voor Chambres d’Amis. Jij was op dat moment, als architect, je eigen woning aan het realiseren in de Patijntjestraat. Waarom heb je besloten om mee te doen?

Dirk Defraeije: Toen we het perceel in de Patijntjestraat kochten, stond er een kleine supermarkt. Vooraan had je de winkel, in het midden een parking, en achteraan het magazijn. We hebben besloten om vooraan een woning te bouwen, en de magazijnen te verbouwen tot kantoor en tijdelijke woonst. Tijdens de zomer van 1986 stond de woning vooraan nog in ruwbouw: de muren en de vloeren waren klaar, maar dat was het ongeveer. Ik heb zelf besloten om aan de oproep voor Chambres d’Amis gehoor te geven: ik ben altijd geïnteresseerd geweest in kunst, er was geen groot risico aan verbonden, en als jonge architect zocht ik de publiciteit op. Bovendien kende ik Jan Hoet.

M.D.: Hoe heb je Jan Hoet leren kennen?

D.D.: Hij maakte deel uit van mijn afstudeerjury in 1979, aan de academie in Gent. De opdracht was een ontwerp voor een museum voor hedendaagse kunst in het centrum van Gent, aan de Sint-Michielskerk. Hoet heeft mijn project geselecteerd voor de tentoonstelling Museum zoekt museum in 1983. De Gentse kunst- en architectuurscene was niet zo groot. Ik woonde naast Wim Goes, die later ook architect zou worden, en hij was goed bevriend met Jan Hoet Junior. Zo heb ik ook Jan beter leren kennen. Wim en Hoet Junior waren zestien of zeventien ten tijde van Chambres d’Amis, ze hebben gewerkt op de werf van mijn huis. De woning van de familie Hoet in de Duifhuisstraat heb ik trouwens een paar jaar na Chambres d’Amis verbouwd.

M.D.: Hoe zijn de voorbereidingen op Chambres d’Amis verlopen? Hebben alle kunstenaars jouw huis bezocht?

D.D.: De kunstenaars werden in busjes rondgereden langs de geselecteerde huizen. Ettore Spalletti is langs geweest, en Jan Vercruysse. Wie er meteen van overtuigd was dat ze in ons huis wou tentoonstellen, in het achterhuis, was Carla Accardi. Ik heb begin jaren tachtig in Senegal gewoond: in opdracht van UNESCO heb ik op het eiland Gorée delen van het patrimonium gerestaureerd. In ons huis waren daar sporen van zichtbaar: souvenirs, foto’s enzovoorts. Accardi was ook in Afrika geweest, en door objecten te plaatsen in ons interieur – een paar schilderijen, maar ook een kegel in kunstfolie – wou ze herinneringen oproepen aan zowel ons verblijf als het hare.

M.D.: Heeft Accardi het huis bezocht in aanwezigheid van Dan Graham?

D.D.: Nee. Zij hebben elkaar bij mijn weten nooit ontmoet, en het zou niet geklikt hebben. Ik denk dat Graham zelden ‘een klik’ heeft met andere mensen. Ik heb hem tijdens de zomer van 1986 uitgenodigd op een etentje, bij ons thuis. We hadden vrienden geïnviteerd die ook met kunst bezig waren. Het werd een vreemde avond: niemand begreep wat Graham zei, omdat hij mompelde en met theoretische concepten kwam aanzetten. Hij dronk Coca-Cola en wijn door elkaar, en hij droeg een T-shirt dat al snel besmeurd raakte omdat hij het eten, waarvoor mijn vrouw een halve dag in de keuken had gestaan, naar binnen schrokte. Zijn allereerste bezoek herinner ik me niet, maar dat van Accardi wel: ze was meteen verliefd op de plek.

M.D.: Graham had nog niet veel paviljoens gebouwd: het eerste werd in 1981 gerealiseerd in Argonne, het tweede op Documenta 7 in Kassel, het derde in 1984 in Stockholm – een andere versie van het paviljoen uit 1981. De realisatie in jouw tuin was dus zijn vierde paviljoen. Kende je zijn werk?

D.D.: Nee, ik heb zijn werk dankzij Chambres d’Amis leren kennen.

C.V.G.: Uit een document in het archief van het S.M.A.K. blijkt dat Graham een lijstje had met favoriete huizen, en dat het jouwe bovenaan stond. Op 7 maart 1986 bevestigt hij zijn keuze in een brief aan Jan Hoet. In een gesprek dat Katrien Vandermarliere met Graham voerde eind juni 1986, en dat is gepubliceerd in 1987 in Vlees & Beton, zei hij: ‘Het huis was nog in aanbouw maar ik heb de plannen kunnen bestuderen. De architectuur en ook bepaalde details spraken mij aan. Het spel met het private en het publieke – het woonhuis en het bureau-atelier – intrigeerde mij. Ik hou van die grenssituatie.’

D.D.: Ik heb vooraf niet veel contact gehad met hem, maar ik heb hem inderdaad de plannen voor het huis getoond. Ik was in die periode nogal beïnvloed door het werk van Tadao Ando, ik kan me voorstellen dat Graham het project voor de woning apprecieerde.

C.V.G.: Het is mogelijk dat Graham dacht: hier woont een architect, ik kan hem de uitvoeringsplannen van het paviljoen laten tekenen. Want dat heb je wel degelijk zelf gedaan.

D.D.: Ja, dat kan meegespeeld hebben. Maar die plannen tekenen: dat deed ik met plezier, dat was geen enkel probleem. Veel heb ik met Graham niet over architectuur gepraat. Hij heeft mijn boekenkast bestudeerd, dat herinner ik me goed.

C.V.G.: Hoe zijn de eerste ideeën ontwikkeld voor het paviljoen? In het gesprek met Vandermarliere zei Graham dat hij een cilindrisch paviljoen wou plaatsen. ‘Een cilinder in twee gedeeld door een aan weerszijden spiegelende glaswand. De reflectie op de buitenwanden zou een barokke vervorming van de omliggende architectuur teweeggebracht hebben. Maar het kostte te veel productietijd om de gebogen glaswanden te maken.’ In het archief van het S.M.A.K. bevinden zich schetsen getiteld Cube Inside Cylinder en Triangular Solid Inside Cylinder. Het uiteindelijke paviljoen – twee identieke balkvolumes in glas en staal, die in elkaar zijn geschoven met de ene 45 graden ten opzichte van de andere gedraaid – noemt Graham in het gesprek met Vandermarliere ‘een compromis’.

D.D.: Ik had het huis geconcipieerd met een centrale as, die liep vanaf de straat, dus van aan de voortuin, links door het huis, door de tuin, tot aan het bureau achteraan. Het tuinpad, in hout, was al aangelegd, en in het midden lag een cirkelvormige zandbak voor de kinderen. Graham heeft besloten om zijn paviljoen bovenop de zandbak te zetten. De afmetingen werden door de zandbak bepaald, maar ook door de grootte van de tuin.

C.V.G.: Graham spreekt over ‘een schaalprobleem’: ‘Het paviljoen, zoals het oorspronkelijk ontworpen was (2,25 meter hoog), was veel te groot voor deze omgeving. Omdat ik geen confrontatie wou met de architectuur van mijn gastheer – althans niet op zo’n manier – werd het object gereduceerd, tot een hoogte van 1,64 meter.’ Reeds eind februari 1987 wordt het paviljoen ‘op ware grootte’ gerealiseerd, met als titel Two Cubes, One Cube Rotated 45°, op een tentoonstelling van Graham in het Musée d’Art Moderne de la Ville de Paris, in een versie die nu deel uitmaakt van de collectie van het FRAC Nord-Pas de Calais, en die in 2013 nog is tentoongesteld in Turner Contemporary in Margate.

D.D.: Ik kan me voorstellen dat de beslissing om het paviljoen voor Gent kleiner te maken op verschillende manieren is beargumenteerd. Graham is een heel intelligente man, die met uiteenlopende dingen tegelijkertijd bezig is, op het obsessionele af. Ook de uitvoering van het paviljoen heeft hij nauwgezet opgevolgd, vaak tot ergernis van de werklui: hij babbelde niet met hen, maar gaf enkel bevelen en opmerkingen. Op een bepaald moment – ik was niet thuis – was Graham op het dak geklommen van de ruwbouw van mijn woning: het was een werf, dus er stonden ladders. Hij wou foto’s nemen, en de constructie van het paviljoen vanuit de hoogte in de gaten houden. Een van de constructeurs heeft toen de ladder weggenomen, en Graham zat vast. De zomer van 1986 was warm: hij is tot ’s avonds in de zon moeten blijven zitten, tot ik thuiskwam om de ladder terug te plaatsen.

C.V.G.: Hoewel de schaal – de meeste volwassenen kunnen het paviljoen niet betreden – een gevolg is van de context, werd het werk vrij snel, ook in de catalogus van Chambres d’Amis, betiteld als Children’s Pavilion, als een paviljoen voor kinderen dus. Was dat intentioneel?

M.D.: Je zou verwachten dat een paviljoen voor kinderen nog wat kleiner zou zijn, minder hoog dan 1,60 meter.

C.V.G.: Ja, precies, terwijl de afmetingen dus bepaald zijn door de zandbak van jouw kinderen. In zijn catalogustekst schreef Jan Hoet dat Graham inspeelde ‘op het lawaai afkomstig van een kindertuin rechtover de tuin waar hij werkzaam is’. Op die manier zou het paviljoen, gelegen in een privétuin, ook meer publiek zijn geworden, bijna als een echo van de activiteiten op straat. Hij wou dus vooral dat Children’s Pavilion de directe omgeving ‘reflecteerde’ – visueel, dankzij het spiegelglas, maar ook akoestisch.

D.D.: Er was (en is) inderdaad een kindertuin en een school aan de overkant van de straat, maar veel geluidshinder veroorzaakte dat niet, zeker niet in de achtertuin. Nogmaals: Dan Graham is een penseur, ik weet niet wat er in zijn hoofd omging. Ik heb zijn teksten proberen lezen, en het is niet makkelijk om alles wat hij schrijft te begrijpen. Ik weet wel zeker dat het thema van het kind voor het eerst opduikt in zijn oeuvre naar aanleiding van Chambres d’Amis.

C.V.G.: In 1989 heeft Graham samen met Jeff Wall The Children’s Pavilion ontworpen – een heel ander project, voor een ondergronds paviljoen waarin kinderportretten van Jeff Wall worden getoond. In een interview met Brian Hatton uit 1992 heeft Graham de oorsprong van die samenwerking inderdaad bij het paviljoen in Gent gelegd: ‘Het was na het zien van dit werk op video dat Jeff Wall het idee opvatte om Cibachrome foto’s van kinderen te maken.’ Hoogstwaarschijnlijk gaat het om een opname uit De langste dag, het zes uur durende televisieprogramma van Jef Cornelis dat op zaterdag 21 juni 1986 live werd uitgezonden.

D.D.: Kinderen, en mijn kinderen in het bijzonder, stonden centraal in de verslaggeving: ze staan op bijna alle foto’s, en ook op de televisiebeelden. In het journaal van de BRT werd er trouwens doorgeschakeld naar De langste dag, net op het moment dat ze bij ons in de tuin aan het filmen waren – dat was voorzien in het script dat we een paar weken van tevoren hebben ontvangen. Meteen kwamen de cameraploeg en de camera ook in beeld, in de spiegelende wanden van het paviljoen.

M.D.: Volgens Rom Bohez, destijds medeverantwoordelijk voor de productie van tentoonstellingen van het Museum van Hedendaagse Kunst en een belangrijk medewerker achter de schermen van Chambres d’Amis, werden de meeste materialen voor de interventies in 1986 gratis ter beschikking gesteld door bedrijven en fabrikanten bij wijze van sponsoring. In sommige gevallen moesten de materialen na afloop worden teruggegeven. In het archief van het S.M.A.K. bevindt zich een brief van Dan Graham aan Jan Hoet en Rom Bohez van 2 april 1986. Hij speelt nog met het idee om een cilindrisch paviljoen te maken, en hij stelt voor om voor sponsoring te rade te gaan bij Chris Dercon. Het glas is vervolgens geleverd door Glaverbel. De vloertegels in het paviljoen kwamen van bij Vandekerckhove uit Ingelmunster.

D.D.: Waarschijnlijk heb ik dat contact met Vandekerckhove geregeld, in overleg met Rom Bohez. Materialen voor mijn huis werden ook door hen geleverd. De tuin was nauwelijks aangelegd, alleen het pad met de zandbak was er al. Jan Hoet heeft medewerkers met kruiwagens tot bij ons gestuurd om de tuin een beetje toonbaar te maken. Een deel van ons interieur, dus waar het werk van Accardi te zien was, is voor de gelegenheid herschilderd, zoals de meeste huizen van Chambres d’Amis.

C.V.G.: Was het moeilijk om het paviljoen te bouwen?

D.D.: Ik had zoiets nog nooit gedaan. Mijn idee was om in staal te bouwen, maar voor Graham moest het absoluut in aluminium uitgevoerd worden. Ik weet niet waarom, en volgens mij veroorzaakte dat vooral problemen: aluminium is een gevoelig materiaal, veel moeilijker om te lassen. Het leek me ook onwaarschijnlijk dat we een constructeur zouden vinden die het paviljoen in aluminium wou uitvoeren. Uiteindelijk is de opdracht bij Hubert Van Trappen beland, in Oosterzele, een bedrijf gespecialiseerd in ramen en deuren in aluminium en staal. Toen hun werk bijna klaar was, is er ginds in het atelier brand uitgebroken. Ik herinner me nog het telefoontje van Rom Bohez: het was een ramp! Heel even dacht ik: dit komt niet meer goed.

M.D.: Volgens de website van Van Trappen is het volledige bedrijf inderdaad op 2 juni 1986 door een brand in de as gelegd – dus iets minder dan drie weken voor de opening van Chambres d’Amis op 21 juni.

D.D.: Er bleef van de profielen niet veel over. Ook dat zou misschien anders geweest zijn mochten we met staal in plaats van aluminium gewerkt hebben. De productie van Van Trappen, en dus van het paviljoen, werd pas een week later heropgestart bij Aelbrecht-Maes aan de Visserij in Gent. Het was op het eind extreem spannend, want we konden het glas pas bestellen als de profielen klaar waren, om de definitieve maten te kennen. De eerste versie, die ik vlak voor de brand in het atelier heb bekeken, was perfect geproduceerd. Het paviljoen zoals het in mijn tuin gebouwd is, liet begrijpelijkerwijze te wensen over: het was onder te hoge tijdsdruk gemaakt. Vooral de schuifdeurtjes leverden problemen op, en we hebben in het midden een extra paaltje moeten plaatsen, in het interieur, ter ondersteuning. Ik ben er zeker van dat Graham teleurgesteld was, zeker als je ziet met wat voor een perfectie zijn latere paviljoens zijn uitgevoerd.

C.V.G.: Ben je betaald voor je werk als architect?

D.D.: Nee, niks, maar dat vond ik vanzelfsprekend.

M.D.: Er zijn hosts van Chambres d’Amis die achteraf hebben verklaard dat er veel van hen verwacht werd, zonder dat er iets tegenover stond: ze moesten hun woning, drie zomermaanden lang, openstellen voor duizenden bezoekers en zelf instaan voor de ontvangst.

D.D.: Zo heb ik dat nooit bekeken. Wij zijn in 1986 niet op zomervakantie geweest, dat is waar. De suppoosten schoven ook altijd mee aan tafel. Maar Chambres d’Amis heeft veel voor mij betekend. Er zijn vijftigduizend bezoekers langs geweest: bij ons was er immers zowel werk van Dan Graham als van Carla Accardi te zien. Naar mij is verteld lagen de aantallen enkel hoger langs de Coupure, in het huis met werk van Joseph Kosuth. Ik heb tijdens die zomer honderden mensen leren kennen, van over de hele wereld, en sommige van hen zijn nog altijd vrienden. Er waren bezoekers die op den duur meer aandacht schonken aan mijn woning dan aan het paviljoen van Graham. Mijn huis was ook als een visitekaartje ontworpen. Achteraf is dat moeilijk met zekerheid te zeggen, maar ik denk dat ik een tiental opdrachten aan Chambres d’Amis te danken heb.

M.D.: Is het paviljoen na afloop van Chambres d’Amis nog lang blijven staan?

D.D.: Nee. Het werk van Carla Accardi is veel langer aan de muren blijven hangen. De schuifdeuren van het paviljoen hadden we al tijdens de zomer moeten verwijderen, dat was te gevaarlijk geworden voor de kinderen en voor de bezoekers. Het paviljoen was in te slechte staat om nog langer te blijven staan. Ik zou trouwens geen geld gehad hebben om het te kopen: mijn eigen huis was al duur genoeg. Bovendien wilden mijn kinderen hun zandbak terug. Dus Children’s Pavilion is door de ploeg van het museum gedemonteerd, en voor zover ik weet zitten de resten nog steeds in het depot.

M.D.: In het boek over het oeuvre van Dan Graham dat Marianne Brouwer in 2001 samenstelde, staat dat er een volledig nieuwe versie van het paviljoen is gerealiseerd in 1999.

D.D.: Er was na Chambres d’Amis al vrij snel interesse van verzamelaar Karel Hooft, die intense contacten onderhield met Jan Hoet, en wiens collectie sterk door hem is beïnvloed. Maar het heeft inderdaad tot 1999 geduurd vooraleer Hooft het concept van Dan Graham heeft gekocht, en in zijn tuin in Sint-Martens-Latem een nieuw Children’s Pavilion heeft laten bouwen.

C.V.G.: In het boek van Brouwer staat ook dat de tentoongestelde versie uit 1986 nog steeds deel uitmaakt van de collectie van het S.M.A.K. In het museum zelf was er niemand die dat kon bevestigen of ontkennen. Het blijkt echter dat het allereerste paviljoen, of wat ervan overbleef, pas begin 2014 is vernietigd, dus bijna dertig jaar later!

D.D.: Daar wist ik niks van.

C.V.G.: Karel Hooft heeft een document in zijn bezit waarin de vernietiging, vijf jaar geleden, van de versie uit 1986 wordt bevestigd door Odelinde Van Thieghem, toenmalig medewerker-collectie van het S.M.A.K. Zo is het zeker dat er sinds 2014 maar één Children’s Pavilion van Dan Graham bestaat, namelijk de nieuwe versie uit 1999. Volgens Hooft wou Hoet het paviljoen graag in Gent heropgebouwd zien, maar was het niet evident om het een publieke plek te geven, om financiële redenen, maar ook omdat Children’s Pavilion ontworpen was voor een privétuin. Dan Graham heeft het paviljoen dan zelf een nieuwe plek gegeven: het glas weerspiegelt nu de woning van Hooft, en de bomen en het groen rondom – de Royal Latem Golf Club ligt vlakbij.

D.D.: Het paviljoen in Sint-Martens-Latem is uitgevoerd op basis van mijn tekeningen: het is een exacte kopie van de versie uit 1986, maar in plaats van uit aluminium bestaat het uit roestvrijstaal. 

M.D.: Heb je na Chambres d’Amis nog contact gehad met Dan Graham?

D.D.: Hij heeft nog jarenlang kaartjes gestuurd, en wij stuurden kaartjes terug. Hij vroeg ook hoe het met de kinderen ging. Eén keer is hij nog op bezoek gekomen, samen met Jan Hoet. Maar daarna, vanaf de jaren negentig, zoals dat gaat, zijn de contacten verwaterd. Kris Kimpe, de Antwerpse architect met wie Dan Graham al jaren samenwerkt, is ook één keer langs geweest, om van gedachten te wisselen over de constructie van de paviljoens. En natuurlijk bezoek ik af en toe nog een nieuw paviljoen, hier of daar.