Dirk Pültau

DE WITTE RAAF

Editie 202 november-december 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Joëlle Tuerlinckx. La Fabrique d’un Single screen

Op uitnodiging van Dia Art Foundation verbleef Joëlle Tuerlinckx van 2015 tot 2018 vijfmaal voor een langere periode in Dia:Beacon (Beacon, NY). Dat museum biedt onderdak aan een imposante collectie, met historische ensembles en werkgroepen van de avant-garde die we vandaag kennen onder labels als ‘minimal’, ‘postminimal’, ‘land art’ of ‘conceptuele kunst’. Het resulteerde in THAT’S IT!, een langlopend performatief project waarin ze een groep performers en muzikanten liet interageren met de getoonde kunst en met de ‘situatie’ eromheen. Zoals steeds bij Tuerlinckx werden álle randfactoren als met een vacuümpomp in het werk gezogen. Niet alleen de kunst, ook de institutionele omkadering, het museale ritueel, én het culturele geheugen van de plek (Beacon en bij uitbreiding de Verenigde Staten) vormden het voorwerp van performatieve dialoog. Zowel het ruimtelijke als het tijdskader van de performance werden als rekbaar opgevat: de pauzes tussen de performances, de tijd voor of na de openingsuren, alles kon op elk moment de performatieve ruimte worden binnengetrokken. Daarbij transformeerde het museumpersoneel geregeld tot figurant en werd het de bezoeker onmogelijk gemaakt om een positie in te nemen tegenover de performance.

Tuerlinckx filmde de performances, en dat filmen was niet louter documentair. De performances zijn niet te scheiden van het filmen – het zijn wezenlijk ‘filmperformances’ – en de filmische werkzaamheden werden dan ook geregeld tot performatief object gemaakt (in de vorm van een making of, de voorbereiding van een performancedag, of de pauzes van de filmploeg).

Al het filmmateriaal van Dia:Beacon, meer dan tweehonderd uur, vormt het vertrekpunt van de tentoonstelling La Fabrique d’un Single screen in Kunsthal Gent, gevestigd in het oude Caermersklooster. Op zes schermen verspreid in het gebouw lopen sequenties van de filmperformances in Dia:Beacon waarin performers relaties aangaan met werken van John Chamberlain, Robert Ryman en Gerhard Richter, of met ruimtevullende installaties van Walter De Maria, Michael Heizer en Robert Morris. We horen ook de opgenomen stemmen van de suppoosten van Dia:Beacon; ze dragen teksten van Tuerlinckx voor of fluisteren eigen commentaren – soms zingen ze die zelfs. De filmische presentatie van de kunstwerken zorgt meer dan eens voor een kritische (maar ook bevrijdende) spanning. Veel minimal art waarmee THAT’S IT! in dialoog treedt gaat immers uit van een lichamelijke dialoog tussen toeschouwer en kunstwerk die in een radicaal (en ahistorisch) ‘hier en nu’ plaatsvindt. Die notie van presence strijkt Tuerlinckx resoluut tegen de haren door deze kunst ‘in uitgesteld relais’ te tonen.

Rond deze filmperformances bouwde Tuerlinckx een installatie die de geschiedenis van het volledige project – de overplaatsing naar de Kunsthal inbegrepen – documenteert, becommentarieert en reflecteert. Op een viertal avonden vinden performances plaats waarbij de crew van THAT’S IT! – in een volgende ‘tuerlinckxiaanse’ verdubbeling – te midden van de installatie performt. Die performances worden op hun beurt gefilmd en uit alle filmmateriaal zal Tuerlinckx een ultieme film distilleren van zo’n anderhalf uur. De kerk vormt dus ook een atelier, een kerkfabriek, waarin de werkzaamheden van de kunstenaar tot een ‘ultieme voorstelling’ worden getransformeerd – un Single screen.

Net als in Dia:Beacon is de grens tussen het publieke en niet-publieke – het ‘champ’ en ‘hors-champ’, om Tuerlinckx’ favoriete filmtermen te gebruiken – in de Kunsthal doorlaatbaar. Aan de ingang, waar je een inleiding verwacht, hangt een uitvergrote mail waarin Tuerlinckx uitlegt welke situaties de bezoeker kan aantreffen (‘publieke momenten’, ‘pauzemomenten’, ‘Sunday Situations’, en momenten waarop het museum ‘uitzonderlijk open is voor het publiek’) en tevens voorziet in ‘visitor-extra instructions’ (‘bezoeker-figurant-instructies’). Die zetten de rol van gewone bezoeker of buitenstaander meteen op het spel. Lijkt dit document vooral op de performanceavonden te slaan, dan is de afstand tussen bezoeker en tentoonstelling ook op normale bezoekuren niet evident. Uit een andere mail kunnen we immers opmaken dat ook de suppoosten ‘performance-instructies’ ontvingen. Ze kregen onder meer de opdracht om het geluidsniveau van de ‘black sound points’ ‘aanzienlijk te verhogen of te verlagen’ en niet te aarzelen ‘bij een filmvertoning de film uitzonderlijk te onderbreken’. Onmogelijk dus om de filmsequenties te bekijken zonder het gevoel dat je de tentoonstelling niet zomaar bezoekt, maar je eigen bezoek speelt.

De installatie die Tuerlinckx rond de filmperformances heeft gebouwd ondersteunt dat gevoel. Ze betrekt de bezoeker in een ‘performatief scenario’ dat tegelijk de basisoperatie van deze tentoonstelling reflecteert: de verplaatsing van het THAT’S IT!-project van een Amerikaans museum naar een Europese kunsthal, ondergebracht in een ontwijde kerk. Hoogst sensibel is de manier waarop Tuerlinckx het blauwe hek met poort dat de open ruimte van het schip op een ietwat opdringerige manier beheerst – een semipermanent werk van Thomas Min en Egon Van Herreweghe – in de installatie betrekt. Vlak voor de poort hangen de patriottische kostuums en sport- en teenagerkleren die door de THAT’S IT!-crew in Beacon werden gedragen en die Americanness oproepen, een rode draad door de performances. Bezoekers worden uitgenodigd een kledingstuk aan te trekken voor ze door de poort gaan en zijn zo klaar voor de inwijding in de ‘Amerikaanse’ rituelen van THAT’S IT!. In de hekzone – die relatief leeg aanvoelt en daardoor al een sacraal karakter krijgt – worden slechts twee schermen gepresenteerd waarvan er één aan een pilaar is bevestigd, zoals de vaandels of wapenschilden op zeventiende-eeuwse kerkinterieurs van Pieter Saenredam of Emmanuel de Witte. Aan de oostelijke kant van het hek – met traditioneel het koor en altaarstuk – kijkt de bezoeker tegen een reeks verbodsbepalingen, aanwijzingen of waarschuwingen aan in de vorm van borden of projecties (‘attention. live sound recording! stilte! silence s.v.p.’… ‘no visitors beyond this point…’). Ze moeten respect inboezemen voor het (postreligieuze) spektakel van de kunst of voor de eerbiedwaardige (postsacrale) werkzaamheden van de kunstenaar en haar crew. Soeverein exploiteert Tuerlinckx de hiërarchische structuur en gerichtheid van de kerkruimte om de attributen die het ritueel van de kunst(productie) bewaken letterlijk op de plaats van een (onttoverde) religieuze ritus neer te zetten. Diverse elementen van de installatie krijgen in Kunsthal Gent een pseudoreligieuze bijbetekenis die dat performatieve scenario ondersteunt. Een groepje muziekstandaards met materiaal dat als spreekwoordelijke partituur voor performancescènes diende – geprinte A4-tjes met beelden van de Flowers en de Elvis-schilderijen van Warhol, een Wikipedialemma over Independence Day – roept een kerkkoor op. Erboven hangt een rode, industrieel ogende lamp die refereert aan het calvarietafereel in het ‘Oud Huis’ van het klooster waarin een ‘heilige vlam’ het hart van de gekruisigde Christus afdekt: het sacrale vuur onttoverd tot museaal alarmsignaal. De dubbele verschuiving van het patriottische referentiekader van THAT’S IT! naar een religieuze ritus, én de onttovering van die ritus tot artistiek spektakel, wordt nog het duidelijkst gesymboliseerd door twee cilindervormige ‘opnamecabines’ met microfoon. De ene staat – aards en stevig – op een driepikkel en is bekleed met een zogenaamde patriotic bunting waarmee de crew onder meer aan de parade op de Spirit of Beacon Day deelnam. De andere hangt (in ‘hogere sferen’) aan het plafond en is behangen met een grijs-blauwe lap die vaag aan een religieus gewaad herinnert. De ophanging aan het plafond en de plaatsing rechts van de middenbeuk suggereren een preekstoel – die zich in de meeste kerken op deze plek bevindt – maar dan in een geïnverteerde en ‘goddeloze’ variant: je bestijgt hem niet om gelovigen vanuit een geprivilegieerde plaats toe te spreken, maar kruipt eronder om door de performance te worden verzwolgen.

Die logica van religieuze wijding en ontwijding raakt aan het paradoxale karakter van THAT’S IT!. Eén element vat de paradox samen. In een vitrine aan de rechterwand van de kerk ligt een grote filmrol, als een reliek ingepakt in zilver op een gouden fond. De filmrol alludeert natuurlijk op de ultieme film (de ‘single screen’) die in de kerk-/kunstfabriek zou moeten worden ‘gefabriceerd’. Maar de idee van zo’n ultieme film – als altaarstuk – wordt meteen onderuitgehaald door het technologische karakter van het filmmedium, dat door Tuerlinckx bovendien als een geprivilegieerd middel wordt ingezet om elke voorstelling in een duizelingwekkende keten van performatieve ‘mediëringen’ te laten vervellen. Het tekent La Fabrique d’un Single screen met een hartverscheurende en duistere ironie die sporadisch in de filmopnames oplicht – misschien nog het meest in de weergaloze sequentie waarin de crew buiten de openingstijden performt te midden van Dan Flavins neonwerken, waarvan alle lampen gedoofd zijn.

 

• Joëlle Tuerlinckx. La Fabrique d’un Single screen, tot 12 januari 2020 in Kunsthal Gent, Lange Steenstraat 14, 9000 Gent. Een laatste performanceavond vindt plaats op 20 december om 20u.