Tessel Veneboer

DE WITTE RAAF

Editie 202 november-december 2019

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Chantal Akerman, My Mother Laughs

Chantal Akerman (1950–2015) heeft zich nooit ergens thuis gevoeld. Ze woonde afwisselend in Parijs en New York, maar Brussel was de thuisstad waarnaar de geroemde filmmaker soms noodgedwongen moest terugkeren voor familiezaken. Haar Poolse ouders trokken na de Tweede Wereldoorlog naar België en baatten in Brussel een meubelwinkel uit. Naast uitstapjes naar de Belgische kust was Brussel de voornaamste plek waar de familie Akerman tijd doorbracht. Natalia Akerman – door dochter Chantal liefkozend Nelly genoemd – was getraumatiseerd door de jaren die ze als tiener in Auschwitz had doorgebracht, en voelde zich in Brussel veilig. Chantals rusteloosheid was voor Natalia dan ook onbegrijpelijk: waarom zou ze iets anders willen dan een rustig appartement met degelijke meubels? Ondertussen probeerde Chantal voortdurend te ontsnappen aan de huiselijkheid van het gezinsleven, en de relatie met haar moeder verliep steeds moeizamer. Niet toevallig zouden zowel de huiselijke sfeer als moeder-dochterrelaties cruciale thema’s worden in de dertigtal films van Akerman.

In haar oeuvre vervult Brussel vaak de rol van stad van de huiselijkheid. De drieënhalf uur durende film Jeanne Dielman, 23, quai du Commerce, 1080 Bruxelles (1975) toont dat allicht het best. In die film – die ze trouwens als een ‘liefdesbrief aan haar moeder’ omschreef – portretteert Akerman met uitgerekte scènes (het schillen van aardappels duurt bijvoorbeeld ruim een kwartier) de beklemming van de huiselijke sfeer. Brussel functioneert ook in andere films als locus voor familie-ergernissen. In Les rendez-vous d’Anna (1978) zien we een ongemakkelijke ontmoeting tussen moeder en dochter in station Brussel-Zuid, en in Portrait d’une jeune fille de la fin des années 60 à Bruxelles (1994) klaagt Akermans zeventienjarige protagonist over de lelijke meubels in het ouderlijk huis.

Akerman maakte in 1968 op achttienjarige leeftijd haar allereerste film, nadat ze na amper drie weken de filmschool had verlaten. Net als Jeanne Dielman speelt Saute ma ville zich af in een afgesloten ruimte: een keukentje in een grauwe Brusselse flat. De jonge Akerman drinkt een glaasje wijn, poetst haar schoenen, boent de vloer en plakt al neuriënd de deuren en ramen af met plakband om vervolgens het gas aan te zetten en haar hoofd in de oven te leggen.

In de documentaire No Home Movie (2015) bevindt Akerman zich weer in zo’n Brussels keukentje. De camera staat op de gang gericht en de kijker mag door de deurkier – een typisch Akermanshot – toeschouwer zijn van een intiem schouwspel. Chantal en Nelly, respectievelijk 64 en 86, ontbijten samen en stellen een boodschappenlijstje op. No Home Movie, de laatste film van Akerman, is erg persoonlijk, vaak ongemakkelijk, en alweer een ode aan haar moeder. In 2013, toen Nelly al ernstig ziek was, schreef Chantal haar memoires: Ma mère rit, dit jaar zowel verschenen in de Verenigde Staten, in een vertaling van dichter Corina Copp, als in het Verenigd Koninkrijk, in een vertaling van Daniella Shreir, oprichter van het feministisch filmmagazine Another Gaze, en met een inleiding door dichter Eileen Myles.

Akermans dagboekachtige teksten in My Mother Laughs worden begeleid door stills uit films en documentaires, door de kunstenaar uitgekozen en tussen de tekst gevoegd. Behalve een kijkje in het leven van Akermans moeder als gepensioneerde vrouw – veel anekdotes en geklaag over dokters en medicijnen – geeft Akerman inzicht in haar eigen gevoelsleven. Zo worden de huiskamer- en keukenscènes – soms erg abrupt – afgewisseld met herinneringen aan geliefden. Als Nelly niet klaagt over Chantals ongekamde haren, vraagt ze om te vertellen over haar leven, over haar tijd in New York, over Brusselse vrienden – over om het even wat. Chantal weigert. Ze zwijgt aan de keukentafel, en in al de uren die ze in haar moeders appartement moet doorbrengen, is ‘schrijven de enige manier om de situatie vol te houden’. Het gevolg is dat Chantal haar leven wél deelt met de lezer van My Mother Laughs. We komen zelfs meer te weten dan Nelly. Zo lezen we over de vele ruzies die ze had met haar vriendin in New York, haar belevenissen op Facebook, en Akermans gedachten over de relatie tussen moeder en dochter. Zoals Eileen Myles het in de inleiding op My Mother Laughs verwoordt: ‘we top her mother pretty much’.

In veel van haar films is Akermans stem te horen als voice-over. In News from Home (1977) leest ze brieven voor die haar moeder schrijft vanuit Brussel. Nelly maakte zich zorgen over Chantal – ‘heb je al schoenen aangeschaft voor de winter?’ –, maar in Akermans voordracht lijken Nelly’s dwingende brieven hooguit ergernis op te roepen. Ook in My Mother Laughs is het Nelly die vraagt en klaagt, terwijl Chantal morrend antwoordt. Ze is wel geïnteresseerd in haar moeders tijd in Auschwitz, maar dat onderwerp ontwijkt Nelly keer op keer. In Chantal Akerman: Autoportrait en cinéaste tekent Akerman hierover het volgende op: ‘‘er valt niets te zeggen,’ zei mijn moeder altijd, en het is juist dat niets dat ik in mijn werk onderzoek.’ My Mother Laughs lijkt Akermans laatste poging om het ‘niets’ waar haar moeder van sprak te onderzoeken: het dagelijkse leven van een vrouw. Een leven dat in Akermans films en teksten vaak routineus is, zelfs nietszeggend kan lijken, maar waarin de gemoedstoestand van de vrouw in kwestie een centrale rol lijkt te spelen. In Akermans werk zijn dagelijkse handelingen en gevoelens van belang, ze verheft ze zelfs tot kunst. En als Jeanne Dielman Chantals eerste liefdesuiting was aan het adres van Nelly, is My Mother Laughs een laatste brief aan haar moeder – en gelijk ook aan haar bewonderaars.

 

• Chantal Akerman, My Mother Laughs, Silver Press, 2019, ISBN 9780995716230.